Scriptie
Zoals op de homepage al aangegeven,
ben ik in september 2003 afgestudeerd aan de UvT, faculteit Rechtsgeleerdheid,
afstudeerrichting Recht en Informatisering.
Het onderwerp van mijn scriptie was
plagiaat bij scripties in het wetenschappelijk onderwijs, de titel: "No
time to waste? Copy-paste!"
Waarom een scriptie over plagiaat
(bij scripties), zullen jullie je misschien afvragen? Waarom niet?! Een
scriptie is de allerlaatste fase in je studie. Na je studie (in ieder geval na
een rechtenstudie) kom je in de wetenschap terecht, in het bedrijfsleven, of
misschien in de advocatuur of bij de rechterlijke macht. Daar is geen plaats
voor rommelaars of luilakken, mensen die op slinkse wijze hun werk 'produceren'.
Plagiaat hoort daar zeker niet thuis, en om diezelfde reden hoort plagiaat niet
thuis in het wetenschappelijk onderwijs. Je bul en je titel moet je verdienen,
je moet er iets voor doen!
Omtrent plagiaat bestaat veel
onduidelijkheid, het doel van mijn scriptie was enige helderheid te scheppen.
Zoals na bestudering van onderstaande tekst zal blijken zijn er diverse
methoden en systemen ontwikkeld die plagiaat kunnen detecteren. Mijn
verwachting is dat daarvan een preventieve werking zal uitgaan. Ik hoop
bovendien dat ook van deze scriptie enige preventieve werking zal uitgaan.
Jullie zijn immers gewaarschuwd.
Veel leesplezier!
Sandra van Nieuwkerk
No time to waste? Copy-paste!
Plagiaat bij scripties in het wetenschappelijk
onderwijs.
1. Inleiding
"Studenten zijn luie mensen!?"
De laatste
loodjes wegen het zwaarst. Dat geldt voor veel situaties en zeker ook voor
wetenschappelijke studies. Het is dan ook niet verwonderlijk dat een enkele
student, die al dan niet in tijdnood verkeert, zijn toevlucht zoekt tot het
ouderwetse knip- en plakwerk.
Beperkte het
knip- en plakwerk zich vroeger nog veelal tot het doorworstelen van vele boeken
en tijdschriften in de bibliotheek en het vervolgens klakkeloos overschrijven
van bepaalde stukken tekst, dankzij de komst en de mogelijkheden van het
internet is het knip- en plakwerk uitgegroeid tot een onbegrensde industrie. De
student kan tegenwoordig vanuit zijn luie stoel op het internet naar hartelust
grasduinen in het enorme aanbod van zelfs kant en klare werkstukken en
scripties. Even knippen en plakken, en klaar is de scriptie. Inbreuken op
intellectuele eigendomsrechten hebben zich in de loop der tijd verplaatst van
de copy-shop naar het internet. Een groot voordeel voor de student is dat niet
alle informatie onbeperkt op het internet beschikbaar is en dus voor docenten
niet altijd meer te achterhalen is waar de student zijn informatie vandaan
heeft gehaald.
Dat een
scriptie niet bedoeld is als eindresultaat van vaardigheden die men op de kleuterschool
krijgt aangeleerd, is evident. Desondanks proberen ieder jaar weer diverse
studenten op deze manier hun wetenschappelijke titel in de wacht te slepen.
Steeds meer universiteiten hebben naar aanleiding van deze praktijken het
onderwerp plagiaat hoog op de agenda gezet.
Onderwerp van
onderhavige scriptie is het vooromschreven plagiaat; het resultaat van wat
knip- en plakwerk presenteren als zijnde het rapport van een gedegen onderzoek
of studie. Is knip- en plakwerk toegestaan, of niet? Onder welke voorwaarden
mag het eventueel wel, en wanneer niet? Duidelijkheid en regels omtrent
plagiaat ontbreken; er is weinig literatuur voorhanden, maar een beperkt aantal
artikelen, jurisprudentie is zeer dun bezaaid en e.e.a. is zeker niet zodanig
dat daar een eenduidige regel uit te distilleren valt.
De uitdaging
van deze scriptie is dan ook duidelijkheid te scheppen; wanneer spreek je over
plagiaat in het kader van scripties, hoe is de huidige situatie, kan plagiaat
worden bestreden, hoe wordt plagiaat vastgesteld, kan plagiaat worden
voorkomen, en is het noodzakelijk dat de Auteurswet met het oog op
'internetplagiaat' wordt aangepast?
Er valt niet
aan te ontkomen dat deze scriptie aanvangt met tekst en uitleg terzake
begrippen die de basis vormen voor het onderwerp van de scriptie. E.e.a. schept
het kader waarbinnen het onderzoek naar plagiaat bij scripties in het
wetenschappelijk onderwijs zich heeft afgespeeld.
Bij het
onderzoek zijn de pijlen met name gericht geweest op de situatie bij de diverse
universiteiten in ons land, maar er is tevens een vergelijking gemaakt met de
internationale situatie. De wijze waarop plagiaat thans rechtens kan worden
aangepakt ontbreekt daarbij vanzelfsprekend niet.
Bijzondere
aandacht krijgen de mogelijkheden om plagiaat te plegen, te ontdekken en tegen
te gaan, alsmede de vraag of het in het licht van deze (on)mogelijkheden
noodzakelijk is om de Auteurswet aan te passen.
De stelling en
daaruit voortvloeiende onderzoeksvraag die in deze scriptie centraal staan,
zijn:
De ongekende
mogelijkheden van het internet; het mes snijdt van twee kanten.
Noodzaken
nieuwe copy-paste mogelijkheden tot het toevoegen van een
internetplagiaat-bepaling aan de Auteurswet, of gaat van
plagiaat-detectiemogelijkheden voldoende preventieve werking uit?
Zoals uit de
inleidende hoofdstukken zal blijken, kan plagiaat worden geschaard onder het
auteursrecht, terwijl het auteursrecht op haar beurt weer onder het
intellectuele eigendomsrecht kan worden geschaard. Deze scriptie is specifiek
gericht op plagiaat. Wie geïnteresseerd is in de achterliggende rechtsgebieden,
het intellectuele eigendomsrecht en het auteursrecht, wordt verwezen naar
Bijlage I.
Uiteraard is
getracht in deze scriptie alle bronnen zo nauwkeurig mogelijk te benoemen
teneinde te voorkomen dat juist deze scriptie als plagiaat zou kunnen worden
aangemerkt.
2. Plagiaat
"Beter
goed gejat dan slecht bedacht!?"
Plagiaat is -zo
zal blijken- vreemd genoeg een term die noch in het Nederlandse recht noch in de
veelheid aan Nederlandse wetten voorkomt, maar die desondanks onlosmakelijk met
het recht verbonden is. De 'kerstboom' van het Nederlandse recht is er een met
wijd verbreide takken en aan één van die takken hoort plagiaat thuis. Zoals in
de inleiding al aangegeven, is plagiaat onder te brengen bij het auteursrecht,
terwijl het auteursrecht op haar beurt bij het intellectuele eigendomsrecht is
onder te brengen. Een korte toelichting op deze rechtsgebieden is opgenomen als
Bijlage I.
Iedereen komt
vroeg of laat een keer in aanmerking met plagiaat, ofwel omdat men zelf
plagiaat pleegt ofwel omdat men op enigerlei wijze geconfronteerd wordt met
geplagieerd werk. Vraag echter 100 mensen plagiaat te omschrijven, en je krijgt
100 verschillende antwoorden. Alvorens het onderzoek naar plagiaat in het
wetenschappelijk onderwijs daadwerkelijk aan te vangen, is het noodzakelijk een
duidelijk kader te creëren. In dit hoofdstuk zal worden omschreven wat in het
kader van dit onderzoek onder plagiaat wordt begrepen.
2.1. Begripsbepaling
Plagiaat is
feitelijk niks anders dan nadoen, of toch wel?
Nadoen,
imiteren en kopiëren komt in allerlei vormen voor. In veel gevallen worden
imitaties ook als leuk en positief ervaren. Denk bijvoorbeeld aan de gewezen
populaire tv-serie 'Spitting image', waarin bekende personen werden geïmiteerd.
Echter, nadoen wordt in sommige gevallen juist als ongewenst en negatief
ervaren, bijvoorbeeld indien een zanger de tophit van een andere zanger
vertolkt, of indien een schilderij wordt nagemaakt.
Plagiaat is een
vorm van nadoen met negatieve bedoelingen, het 'gebruiken' (feitelijk zelfs
misbruiken) van andermans werk om daar op enigerlei wijze voordeel uit trekken.
Aangezien
plagiaat inhoudt dat andermans werk wordt gebruikt, kan de term met het
auteursrecht in verband kunnen worden gebracht, daar waar gebruik gemaakt wordt
van auteursrechtelijk beschermd werk.[1]
Plagiaat heeft bijvoorbeeld te maken met artikel 13 van de Auteurswet 1912
(verder: "Aw"), het verveelvoudigen van auteursrechtelijk beschermde
werken; de term plagiaat is daarin echter niet terug te vinden. Evenzo houdt
plagiaat verband met artikel 25 lid 1 sub b Aw. De maker van een werk heeft
namelijk het recht zich te verzetten tegen de openbaarmaking van het werk onder
een andere naam dan de zijne. Ook in dit artikel wordt de term plagiaat echter
niet gebruikt.
De term
plagiaat blijkt na veel speurwerk in het geheel niet in de Auteurswet te
vinden. Sterker nog, het is niet eens een wettelijke term.[2]
Voor een omschrijving van het begrip moet dus buiten de wet worden gezocht.
Daarbij blijkt al snel dat een eenduidige omschrijving niet gevonden kan
worden; iedere auteur heeft zijn eigen interpretatie van hetgeen plagiaat
inhoudt.
Plagiaat wordt
door Van Dale omschreven als 'letterdieverij', oftewel het overnemen van
(stukken van) teksten, gedachten of redeneringen van derden en deze laten
doorgaan voor eigen werk.[3]
Plagiaat wordt daarnaast door Algra & Gokkel omschreven als het
onrechtmatig toe-eigenen van andermans geestesproduct.[4]
Zij spreken in dat kader zelfs van een onrechtmatige daad. De omschrijving van
Van Empel & Geerts sluit hier redelijk op aan; zij omschrijven plagiaat als
het roven van andermans geesteskinderen om ze als eigen kinderen voor het
voetlicht te brengen.[5]
Spoor & Verkade omschrijven plagiaat als 'datgene wat wordt gepresenteerd
als iets oorspronkelijks, terwijl het in feite geheel of ten dele een
nabootsing is'.[6]
Van Lingen
waagt zich in 'Auteursrecht in hoofdlijnen' niet eens aan een omschrijving van
plagiaat; het ene moment trekt hij plagiaat gelijk met nabootsing[7],
in een andere context stelt hij plagiaat op één lijn met auteursrechtinbreuk.[8]
Wichers Hoeth waagt zich eveneens niet aan een omschrijving, hij gebruikt de
term in zijn geheel niet in zijn 'Kort begrip van het intellectuele
eigendomsrecht'.[9]
Algra &
Gokkel menen tenslotte dat, om van plagiaat te kunnen spreken, vereist is dat
een bronvermelding ontbreekt danwel een aanzienlijk groter stuk tekst uit de
oorspronkelijke tekst is overgenomen dan de bronvermelding aangeeft.[10]
Uit deze omschrijving volgt direct dat het overnemen van stukken tekst onder
voorwaarden dus is toegestaan en geen plagiaat oplevert, een uitzondering die
de vorige omschrijvingen in ieder geval niet bevatten.
Wat veel
definities van plagiaat gemeen hebben, is dat een drietal elementen steeds
terugkeert:[11]
1. er is sprake
van het -al dan niet letterlijk- overnemen van teksten;
2. de overgenomen
teksten zijn van derden én oorspronkelijk;
3. de overgenomen teksten
worden gepresenteerd als zijnde eigen werk.
Dit laatste
element impliceert altijd kwade trouw; de plagiator weet dat de door hem
gebruikte tekst(en) niet van hem afkomstig is (zijn).[12]
Plagiaat impliceert dan ook altijd een vorm van misleiding van de lezer.
Plagiaat wordt dan ook wel als een onrechtmatige daad beschouwd.[13]
Ondanks deze
terugkerende elementen, is de literatuur omtrent het wezen van plagiaat verre
van eensgezind. De omschrijvingen en definities van plagiaat lopen ver uiteen
en derhalve zal in het kader van dit onderzoek een eigen omschrijving worden
gehanteerd.
Plagiaat wordt
in deze begrepen als het zonder aanmerkelijke aanpassingen en zonder
bronvermelding overnemen van (delen van) teksten van derden en de aldus
verkregen 'nieuwe' tekst presenteren als zijnde eigen werk.
2.2. Misverstanden
De Auteurswet
kent een aantal uitzonderingen teneinde te voorkomen dat ieder gebruik van
auteursrechtelijk beschermde werken door een derde als inbreuk zou gelden en de
wet aldus als een soort keurslijf zou aanvoelen. Zo is het overnemen van
berichten over actuele onderwerpen zonder toestemming van de auteur toegestaan,
evenals het citeren of overnemen van stukken tekst ten behoeve van het
onderwijs.[14]
Een groot
misverstand ten aanzien van plagiaat is, dat het een vorm van
auteursrechtinbreuk is. Plagiaat is namelijk niet altijd in strijd met het
auteursrecht. Als iemand een boek van X opnieuw uitgeeft onder zijn eigen naam
terwijl X al meer dan 70 jaar geleden is overleden, is er geen sprake van
inbreuk op het auteursrecht, echter wel van plagiaat.[15]
Ook levert het overnemen van stijlelementen uit het werk van een ander plagiaat
op, maar is niet als auteursrechtinbreuk te kwalificeren.
Plagiaat en
auteursrechtinbreuk kúnnen samengaan, maar zoals hiervoor geschetst, is dat
niet zonder meer altijd het geval. Van inbreuk op auteursrechten is eerst
sprake indien beschermde elementen van het originele werk zijn overgenomen[16]
of indien gedeelten uit het originele werk zijn overgenomen zonder bronvermelding.[17]
Een ander
misverstand is dat plagiaat gelijk te stellen is met ontlening, nabootsing of
een parodie, waarbij -evenals bij plagiaat- sprake is van het overnemen van
elementen uit werken van anderen.
Van ontlening
kan sprake zijn indien een later werk opvallende overeenkomsten vertoont met
een reeds bestaand werk. Indien de gelijkenis tussen de twee werken op toeval
berust, is er geen sprake van auteursrechtinbreuk. Indien ontlening kan worden
aangetoond, is er wel sprake van auteursrechtinbreuk.[18]
Een belangrijk verschil met plagiaat is dat een tekst die ontleend is aan een
andere tekst, in bepaalde opzichten lijkt op de oorspronkelijke tekst,
terwijl bij geplagieerd werk sprake is van (nagenoeg) dezelfde tekst.
Hoewel Spoor
& Verkade menen dat plagiaat 'datgene is wat wordt gepresenteerd als iets
oorspronkelijks, terwijl het in feit geheel of ten dele een nabootsing is',[19]
ben ik van mening dat plagiaat en nabootsing twee afzonderlijke begrippen zijn.
Van een nabootsing is mijns inziens sprake indien een oorspronkelijk werk is
bewerkt en in een nieuwe vorm wordt gepresenteerd, waarbij die nieuwe vorm niet
zelf auteursrechtelijk beschermd is.[20]
Een verschil met plagiaat is dat bij een nabootsing sprake is van bijvoorbeeld
een bewerkte tekst, terwijl bij plagiaat de oorspronkelijke tekst (nagenoeg)
onaangeroerd blijft.
Een parodie is
tenslotte een ironische nabootsing van een werk, waarbij het verschil tussen de
twee werken overheerst en niet de overeenstemming. Er mag slechts zoveel worden
overgenomen als noodzakelijk is voor de herkenning als zijnde een parodie op
een bestaand werk.[21]
Bij plagiaat is er geen danwel nauwelijks verschil tussen het oorspronkelijke
werk en het geplagieerde werk. Plagiaat kan om die reden zeker niet in één adem
met een parodie worden genoemd.
Ook dient
plagiaat onderscheiden te worden van navolging. Van navolging is sprake indien
slechts het voorbeeld van een ander wordt gevolgd, maar diens werk verder niet wordt
aangeroerd. Navolging is dan ook veelal toegestaan. De maatschappij is er
immers bij gebaat als er wordt voortgeborduurd op bestaande kennis en ideeën.
Navolging is eerst ongeoorloofd indien het, zonder de deugdelijkheid van het
product aan te tasten, mogelijk was geweest om verschillen aan te brengen zodat
het oorspronkelijke werk en het nagevolgde werk niet met elkaar verward zouden
kunnen worden.[22] Is van een
dergelijke situatie sprake, dan spreekt men ook wel van slaafse nabootsing,
hetwelk als onrechtmatige daad kan worden aangemerkt.
Een laatste
misverstand is dat een citaat en plagiaat verwant zijn. Citeren is als
'ingeburgerde' beperking van de Auteurswet zelfs als specifieke regeling (het
citaatrecht) in de Auteurswet opgenomen (art. 15a Aw). Citeren is het zonder
toestemming van de auteur overnemen van beperkte stukken tekst uit werken van
derden die in de eigen tekst worden ingelast en verschilt van plagiaat daar
waar bij een geplagieerde tekst geen of nauwelijks eigen tekst is toegevoegd. Ook
bij citaten geldt overigens dat daarbij de bron en naam van de schrijver
vermeld dienen te staan.
Plagiaat is,
zoals in paragraaf 2.1. al werd geconstateerd, geen afgebakend begrip en om die
reden is dan ook voor een eigen formulering gekozen. Wat echter immer goed in
ogenschouw gehouden moet worden, is dat plagiaat niet altijd slaafs, te kwader
trouw of bewust gebeurt. Er dient dan ook een duidelijk onderscheid gemaakt te
worden tussen onbewuste en bewuste plagiaat.[23]
In de vorige
paragraaf werd weliswaar aangegeven dat, indien overgenomen teksten worden
gepresenteerd als zijnde eigen werk, er altijd sprake is van kwade trouw omdat
de plagiator weet dat de door hem gebruikte tekst niet van hem afkomstig is,
doch het kan zo zijn dat de plagiator eenvoudigweg de oorspronkelijke auteur
niet kent en denkt 'vrije' informatie te gebruiken. Het ontbreken van deze
wetenschap resulteert erin dat er geen sprake is van bewuste maar van onbewuste
plagiaat. Het feit dat plagiaat onbewust gepleegd is, impliceert overigens niet
dat dat zonder meer is toegestaan, zoals in hoofdstuk 5, dat handelt over
rechtshandhaving, duidelijk zal worden.
2.3. Juridisch kader
Hoewel plagiaat
geen wettelijke term is, zal desalniettemin het juridisch kader worden
aangegeven waarbinnen plagiaat beoordeeld dient te worden. De enige officiële
regeling waarin de term 'plagiaat' overigens wel is gevonden, is de Code van
Bordeaux, een regeling waarin ethische regels voor journalisten zijn opgenomen.[24]
Plagiaatprocedures
spelen zich, zoals uit het voorgaande wel moge blijken, binnen het auteursrecht
af op het grensgebied tussen reproduceren en bewerken.
Van
reproduceren is sprake indien het originele werk in bijna identieke vorm wordt
verveelvoudigd; auteursrechtelijk heeft de inbreng van degene die
verveelvoudigt geen betekenis, hij vervaardigt immers niets. Van bewerken is
sprake indien men aan het originele werk een eigen inbreng toevoegt, welke
inbreng eventueel zodanig origineel is, dat deze auteursrechtelijk is beschermd
(art. 10 lid 2 Aw).[25]
Voor bewerkingen is de beperking van artikel 13 Aw van belang: een bewerking is
geen verveelvoudiging als het eindproduct als een nieuw, oorspronkelijk werk
kan worden beschouwd. In de rechtspraak wordt voor deze beoordeling een
lakmoesproef gehanteerd: als de inbreng van de bewerker wordt weggedacht,
verschijnt dan het origineel weer?[26]
De Hoge Raad benadrukte in het arrest Heertje/Hollebrand dat bij een
beoordeling omtrent het (on)geoorloofde karakter van een verveelvoudiging
daarnaast tevens meeweegt in hoeverre het 'originele' werk daadwerkelijk
origineel is; hoe minder origineel het bewerkte werk, hoe minder snel er
gesproken wordt van inbreuk. [27]
Van plagiaat is
dus geen sprake indien het 'nieuwe' werk zelf als een auteursrechtelijk
beschermd werk kan worden beschouwd. Hiervan is sprake indien er veel eigen
creatieve inbreng is geleverd. Een aanvullende voorwaarde om van plagiaat te
kunnen spreken is derhalve dat de plagiator weinig eigen inbreng heeft
geleverd.
Van plagiaat is
overigens evenmin sprake indien het 'nieuwe' werk een exacte kopie is van het
originele werk. Men spreekt dan niet van plagiaat, maar van slaafse
nabootsing/verveelvoudiging. De plagiator dient dus uiteindelijk wel enige
eigen inbreng te leveren.
Noodzakelijk
voor plagiaat is tenslotte dat het 'nieuwe' werk wordt voorzien van de naam van
de plagiator. Een plagiator verschilt namelijk van een piraat, daar waar de
plagiator aan het 'nieuwe' werk zijn eigen naam toekent, terwijl de piraat
juist zijn eigen naam onthoudt en het werk pas als geslaagd ziet wanneer het
publiek zijn werk niet van het origineel kan onderscheiden.[28]
Kortom,
juridisch gezien kan van plagiaat worden gesproken indien werken van een ander
zijn overgenomen cq. gebruikt, waarbij de plagiator enige eigen inbreng heeft
gehad in het eindproduct, echter niet in die mate dat van een nieuw
oorspronkelijk werk kan worden gesproken, en de plagiator desalniettemin zijn
eigen naam toekent aan het nieuwe werk.
2.4. Afbakening domein
In het
onderhavig onderzoek staat plagiaat bij scripties centraal, oftewel
-populair gezegd- 'ordinair jatwerk door studenten'. Dergelijk plagiaat kent
drie dimensies, ofwel men laat een ander een scriptie voor jou produceren,
ofwel men gebruikt een scriptie van een ander, ofwel men heeft teksten van
derden verwerkt tot een scriptie.
In dat kader is
allereerst interessant om te bezien of een scriptie auteursrechtelijke
bescherming geniet. Een scriptie kan, in schriftelijke vorm, worden aangemerkt als
een 'geschrift' en valt als zodanig onder artikel 10 lid 1 sub 1 Aw, dat luidt
als volgt:
"1. Onder werken van letterkunde, wetenschap of
kunst verstaat deze wet:
1°. boeken, brochures, nieuwsbladen, tijdschriften
en alle andere geschriften; …"
Geschriften met
een oorspronkelijk karakter vallen onder de werking van voornoemd artikel. Met
'boeken, brochures, nieuwsbladen, tijdschriften' worden niet slechts die
verschijningsvormen van geschriften bedoeld, doch hiermee is gemeend enkele
voorbeelden te geven van vormen waarin oorspronkelijke werken publiceerbaar
zijn. Onder deze oorspronkelijke werken valt ook een scriptie, waarvan immers
mag worden aangenomen dat deze oorspronkelijk is en het persoonlijk stempel van
de maker draagt. Een scriptie geniet dan ook auteursrechtelijke bescherming en
tegen inbreuken door derden kan zonder meer worden opgetreden. Indien derhalve
een scriptie van X -eventueel na bewerking- wordt gepresenteerd als zijnde een
scriptie van Y, is er sprake van plagiaat. Wat overigens geldt voor alle
geschriften, en uiteraard ook voor scripties, is dat zij zelf geen inbreuk op
andermans auteursrechten mogen inhouden. Dat dat helaas vaak wel gebeurt, zal
blijken uit de volgende hoofdstukken.
Daarnaast kan
een scriptie bestaan uit het samenraapsel van (delen uit) andere werken, dat
zonder bronvermelding en na summiere inspanningen van de bewerker als diens
scriptie wordt gepresenteerd. Ook in die gevallen is er sprake van plagiaat.
De redenen
waarom er blijkbaar op grote schaal plagiaat bij scripties wordt gepleegd, zijn
divers. Zo ontbreekt het veel studenten op het laatste moment aan tijd, er is
sprake van gemakzucht, de student is creatief onbekwaam of diens pogingen
ontberen iedere oorspronkelijkheid.
Het plagiaat
dat onderwerp is van onderhavig onderzoek zijn alle vooromschreven opties,
zolang het plagiaat wordt gepleegd door studenten en het geplagieerde werk als
scriptie wordt betiteld. Op welke wijze zij dit werk hebben 'geproduceerd',
maakt voor het onderzoek geen verschil.
3. Ontwikkeling van plagiaat
"Criminaliteit
is van alle tijd!?"
Plagiaat is van
alle tijden.[29] Of plagiaat
ooit tot volle wasdom zal komen, of zich altijd zal blijven ontwikkelen als
gevolg van nieuwe technieken, is een vraag waarop waarschijnlijk eenieder het
antwoord schuldig moet blijven.
3.1. Analoge versus digitale omgeving
De uitvinding
van de drukpers halverwege de 15e eeuw wordt wel gezien als het startpunt van
het auteursrecht. Dankzij de drukpers werd het immers mogelijk op relatief
eenvoudige wijze boeken te reproduceren. Aangezien de kosten van een drukpers
enorm waren, verkregen de drukkers van de overheid een privilege om gedurende
een bepaalde tijd bepaalde werken te reproduceren. Dit privilege -dat de
drukker beschermde en niet de auteur- had het karakter van een
mededingingsbepaling. Bijkomend voordeel voor de overheid was dat zij op deze
wijze een middel tot censuur in handen had.[30]
Met de komst van de drukpers was onlosmakelijk de komst van plagiaat verbonden.
Er werd ook in de beginjaren van de drukpers al volop gekopieerd;[31]
de 'imitatio' was een beginsel dat in de Renaissance het kopiëren van andermans
werk zelfs goedpraatte.[32]
Hoewel, zoals
hiervoor gememoreerd, de uitvinding van de drukpers werd gezien als startpunt
van het auteursrecht, pas in het begin van de 17e eeuw begon men een op het
eigendomsrecht gelijkende bescherming te verlangen voor geestelijke
scheppingen.[33] Pas in 1710
deed de eerste Auteurswet zijn intrede, de Engelse Statute of Queen Anne.
Bescherming kwam vanaf dat moment toe aan de auteur en niet langer aan de
drukker. In Frankrijk komt de auteur pas tijdens de Franse Revolutie centraal
te staan en wordt het zogeheten 'droit d'auteur' geïntroduceerd. In Nederland
werd het drukkersprivilege pas in 1817 verdrongen door rechten voor de auteur.[34]
In 1886 krijgt het auteursrecht tenslotte een mondiaal karakter door het
sluiten van de Berner Conventie. De Nederlandse Auteurswet van 1912 is een
codificatie van dit verdrag.
Plagiaat 'ontwikkelde'
zich vanaf de 15e eeuw van het aanvankelijk overschrijven van teksten, tot het
herdrukken van teksten, het overtypen van teksten (de typemachine werd in 1868
uitgevonden) en later tot het kopiëren van teksten met behulp van
kopieerapparatuur (de kopieermachine werd in 1906 uitgevonden). Vanzelfsprekend
namen met de ontwikkeling van de techniek, niet alleen de mogelijkheden om
plagiaat te plegen toe, maar uiteraard ook het aantal plagiaatgevallen. Het
werd immers steeds eenvoudiger en minder tijdrovend en kostbaar om teksten van
anderen over te nemen. De omgeving en het tijdperk waarin deze ontwikkelingen
hebben plaatsgevonden, wordt ook wel de 'analoge omgeving' genoemd.
Door de
uitvinding van computers, en later ook het internet, zijn nieuwe objecten voor
het auteursrecht geboren: software, cd-rom's, multimedia, databanken,
domeinnamen en dergelijke.[35]
E.e.a. speelt zich af in wat men de 'digitale omgeving' noemt; informatie is in
de digitale omgeving omgezet tot 0'en en 1'en om zodoende door een computer
gelezen en/of verwerkt te kunnen worden.
Vooromschreven
(technische) ontwikkelingen hebben steeds spanningen teweeggebracht rond de
toepasselijkheid van het auteursrecht. Het auteursrecht kon in de analoge
omgeving nog prima worden gehandhaafd toen het op eenvoudige en goedkope wijze
mogelijk werd kopieën te maken (d.m.v. kopieerapparatuur), maar het kon niet
meer worden gehandhaafd toen de computersoftware zijn intrede deed. De
bescherming daarvan is via de rechtspraak en later via regelgeving, artikel 10
lid 1 sub 12 Aw, onder het auteursrecht gebracht.[36]
Ten aanzien van
voornoemde nieuwe objecten heeft een uitbreiding van het intellectueel
eigendomsrecht plaatsgevonden; de grenzen van bestaande intellectuele
eigendomsrechten zijn deels verruimd en deels zijn er nieuwe intellectuele
eigendomsrechten ontstaan (bv. chipsrecht, databankenrecht). Een gevolg van
deze ontwikkelingen is geweest dat de beschermingsomvang en de inhoud van de
bescherming uitgebreider is geworden.[37]
Met behulp van
digitale reproductietechnieken (bv. een scanner) en een internetaansluiting is
iedere consument inmiddels producent en uitgever van auteursrechtelijk
beschermd materiaal geworden. Iedere consument is daarmee ook een potentiële
piraat. Hugenholtz omschrijft in dit kader het internet wel als een
'wereldomspannend kopieerapparaat bediend door een miljoenenleger van
gevaarlijke en anonieme piraten'.[38]
De controle die rechthebbenden voorheen hadden over het verveelvoudigen en
verspreiden van hun werk is verdwenen. Was vroeger nog een heel netwerk van
distributeurs en winkels vereist, tegenwoordig is een druk op de knop voldoende
om een bepaald werk de wereld rond te laten gaan.[39]
De
digitalisering van informatie heeft geleid tot een oneindige kopieerbaarheid
(ook geen kwaliteitsverliezen meer!) en manipuleerbaarheid, en heeft daarmee
het auteursrecht voor nieuwe uitdagingen gesteld.[40]
Het internet, als overtreffende trap, heeft gezorgd voor het wegvallen van
territoriale grenzen, ultieme anonimiteit en een toename van piraterij, e.e.a.
zeker ook als gevolg van peer-to-peer technieken.[41]
Deze laatste ontwikkeling heeft ervoor gezorgd dat niet alleen op 'openbare'
sites kan worden gezocht naar informatie, maar tevens binnen computers van
aangesloten privé-personen.
Digitale
technieken hebben tot gevolg dat een waarneembaar gemaakt exemplaar van een
digitaal werk exact gelijk is aan het oorspronkelijke werk dat werd
gedigitaliseerd; het oorspronkelijke werk is omgezet in 0'en en 1'en en dat
geheel is door een computer weer waarneembaar gemaakt door de 0'en en 1'en te
'vertalen' in een waarneembare vorm. Je zou dus kunnen zeggen dat het feitelijk
meer gaat om het klonen van een werk dan om het kopiëren.[42]
Maar, digitalisering van een auteursrechtelijk beschermd werk is een verveelvoudiging,
je zet een analoog werk om in 0'en en 1'en, en daarvoor is dus zonder meer
toestemming van de auteur vereist.
Zoals duidelijk
moge zijn, heeft plagiaat met de komst van de computer en het internet pas echt
een vlucht kunnen nemen. Niet alleen werd het mogelijk om werken te
digitaliseren, en zodoende makkelijker te kopiëren en verspreiden, ook konden
op eenvoudige wijze teksten worden geknipt, gekopieerd en samengevoegd tot een
nieuw geheel. De toegang tot informatie werd door het internet kinderlijk
eenvoudig; met behulp van een zoekmachine is de benodigde tekst of het gezochte
onderwerp snel gevonden. Het plegen van plagiaat is in de digitale omgeving
niet alleen kinderlijk eenvoudig geworden, het is bovendien kosteloos en vergt
nauwelijks inspanningen.
3.2. De rol van ICT
Zoals in de
voorgaande paragraaf al werd gesteld, is de toegankelijkheid van informatie,
als gevolg van de opkomst van het gebruik van ICT-middelen, en met name ook het
internet, aanzienlijk toegenomen, en daarmee ook de mogelijkheden om plagiaat
te plegen. Er wordt wel gesteld dat als gevolg van de doorbraak van het
internet een tijdperk is ontstaan waarin de 'traditionele' auteursrechten
vervagen.[43] Deze ontwikkeling
heeft ertoe geleid dat in 1997 het Auteursrechtverdrag van de World
Intellectual Property Organisation (verder: "WIPO") tot stand is
gekomen, waarin is vastgelegd dat de beschikbaarstelling van werken via
internet het exclusieve recht is van de auteursrechthebbende.[44]
Hoewel het
beschikbaar stellen van werken via het internet is voorbehouden aan de
respectievelijke auteursrechthebbenden, wordt door het internet het
auteursrecht an sich impliciet uitgehold. Providers zijn namelijk gerechtigd ten
behoeve van een efficiënter internetverkeer (tijdelijke) kopieën te maken en
voorzieningen te creëren ten behoeve van caching. Gebruikers op hun beurt zijn
gerechtigd om te 'browsen', hetgeen eveneens een noodzakelijke vorm van
kopiëren bij internetgebruik impliceert. Het voorgaande maakt duidelijk dat met
het beschikbaar stellen van zijn werk op het internet, de auteursrechthebbende
impliciet derden toestemming geeft kopieën te maken van zijn werk. De controle
die de auteursrechthebbende in een analoge omgeving nog heeft over zijn werk,
is na beschikbaarstelling van zijn werk op het internet drastisch afgenomen.
Hoever de kopieerbevoegdheid op het internet precies gaat, is helaas nog niet
uitgekristalliseerd. Duidelijk is wel dat ten behoeve van vooromschreven vormen
van kopiëren wettelijke uitzonderingen dienen te worden gemaakt teneinde
onduidelijkheden te voorkomen.
Voor software
is een dergelijke uitzondering ook gemaakt; verveel-voudigingen, vervaardigd
door de rechtmatige verkrijger van een exemplaar van de software (licentie),
die noodzakelijk zijn voor het beoogde gebruik van de software, leveren geen
inbreuk op het auteursrecht op.[45]
Om die reden is het een softwaregebruiker ook toegestaan een kopie te maken ten
behoeve van back-updoeleinden.
De moeilijkheid
van ICT, en met name het internet, is dat er geen (wereldwijde) organisatie is
die over het internet kan beslissen. Toegang van internetgebruikers en
internetaanbieders is in principe vrij, er is geen controlemechanisme of
toegangsregistratie. Het gebruik van internet is evenmin gebonden aan bepaalde
gedragsregels. Overheidscontrole op het internet is zeer gering, het overtreden
van bepaalde normen is dan ook zeer moeilijk te bestrijden. De snelheid en
vluchtigheid van informatietechnologie maakt het oplossen van onduidelijkheden
en problemen des te groter. Bovendien is het internet internationaal; de
nationale rechtsordes bieden dan ook onvoldoende steun. Van belang is daarom
dat er internationale regelgeving komt, echter de snelheid waarmee (de
mogelijkheden van) het internet zich ontwikkelt ligt vele malen hoger dan de
snelheid waarmee regelgeving, en zeker internationale bepalingen, kan worden
gerealiseerd.[46]
De spanningen
die met name het internet voor het auteursrecht teweeg heeft gebracht, zijn
enorm. Hugenholtz memoreerde dat het, volgens deskundigen, tussen het internet
en het auteursrecht waarschijnlijk nooit meer goed komt.[47]
Dommering vreesde zelfs in 1994 al dat 'het auteursrecht door het elektronisch
vergiet zou wegspoelen'.[48]
Met Hugenholtz ben ik van mening dat de grondslagen van het auteursrecht als
gevolg van het internet opnieuw ter discussie komen te staan.[49]
Denk maar eens aan het wegvallen van grenzen; het internet is een grenzeloos,
wereldwijd netwerk, door welk recht wordt dit geregeld? Denk daarnaast aan de
ongekende mogelijkheden van het internet; voldoet het huidige stelsel van
beperkingen nog of dienen er aanpassingen plaats te vinden?
De huidige
auteurswetten hebben allemaal een nationaal karakter. De komst van de Berner
Conventie (verder: "BC") heeft daar helaas niets aan veranderd. De BC
garandeert slechts dat men in een 'vreemd' land niet minder rechten heeft dan
de ingezetenen van dat land. Dat is echter iets heel anders dan een mondiaal
recht. Ook het WIPO-Auteursrechtverdrag maakt nog geen einde aan deze situatie;
het verdrag is met name bedoeld om het auteursrecht beter af te stemmen op
nieuwe digitale technologieën[50],
en heeft niet ten doel een internationaal auteursrecht te bewerkstelligen. De
meest recente 'poging' om tot een mondiaal auteursrecht te komen, de
Harmonisatierichtlijn[51],
heeft eveneens als nadeel dat de bepalingen in nationale wetten moeten worden
omgezet cq. geïmplementeerd. Tot een eenduidige internationale Auteurswet zal
het voorlopig dan ook nog niet komen, dit terwijl de ontwikkelingen van met
name het internet daar wel toe uitnodigen.
3.3. De scriptie
In navolging
van de analyse die Hugenholtz maakte van het downloaden van muziek via Napster[52],
om daarmee vast te stellen of downloaden van muziek inbreuk maakt op
auteursrechten, zal in deze paragraaf worden bezien op welke wijze een
plagiaat-scriptie inbreuk maakt op auteursrechten van derden.
Wat gebeurt er
feitelijk indien er bij het samenstellen van een scriptie plagiaat wordt
gepleegd? Er wordt een kopie gemaakt van (een deel van) een tekst, die
vervolgens zonder vermelding van de bron weer wordt gepresenteerd. Voor wat
betreft het maken van de kopie, is dat geoorloofd? Ja, op grond van artikel 16b
Aw is het toegestaan voor eigen gebruik of studie een kopie te maken. Tot
dusverre geen probleem, de scriptie is immers onderdeel van de studie. Aan een
aantal voorwaarden dient echter te worden voldaan. Op grond van artikel 16b lid
2 Aw moet het verveelvoudigen van een boek, tijdschrift of ander geschrift (bv.
een andere scriptie) beperkt blijven tot 'een klein gedeelte van het werk'.
Kortom: geen verveelvoudiging van complete werken. Echter, deze beperking geldt
niet voor wat betreft 'werken waarvan redelijkerwijs mag worden aangenomen dat
er geen nieuwe exemplaren tegen betaling, in welke vorm ook, aan derden ter
beschikking worden gesteld' (art. 16b lid 2 sub a Aw). Deze laatste exceptie
zou dus kunnen gelden voor scripties van derden. Die worden normaliter niet
tegen betaling aan derden ter beschikking gesteld. Het zou op grond van die
exceptie dus toegestaan zijn om een scriptie van een ander volledig over te
nemen.
Er geldt nog
een tweede exceptie; de beperking geldt ook niet voor in dag-, nieuws- of
weekblad of tijdschrift verschenen korte artikelen, berichten of andere stukken
(art. 16b lid 2 sub b Aw). Op grond van deze exceptie is het dus tevens
toegestaan volledige artikelen over te nemen ten behoeve van de eigen scriptie.
Voor wat betreft het verveelvoudigen tot dusverre geen problemen; de student
kan ten behoeve van zijn scriptie probleemloos delen van boeken kopiëren,
complete scripties van derden en/of complete artikelen uit bijvoorbeeld een
tijdschrift overnemen.
Maar, nog
afgezien van het mogelijke probleem ten aanzien van het weglaten van de
bronvermelding en het toevoegen van de eigen naam, is het op grond van artikel
16b lid 5 Aw niet toegestaan verveelvoudigingen, die als hiervoor omschreven
hebben plaatsgevonden, aan derden ter beschikking te stellen. Het is de student
dus niet toegestaan zijn 'knip- en plakwerk' aan derden, de examencommissie
incluis, af te geven. Enkel al op grond van deze bepaling kan een via knip- en
plaktechnieken samengesteld werk niet worden afgeleverd als scriptie.
Bovendien is
het op grond van een arrest uit 1952 niet toegestaan de aldus vervaardigde
verveelvoudigingen buiten de besloten kring openbaar te maken.[53]
Onder de besloten kring wordt verstaan- dit is uitgemaakt in het Willem
Dreeshuis-arrest[54]- de
familie- of vriendenkring of 'een groep van personen tussen wie andere,
nauwelijks minder hechte, banden van persoonlijke aard bestaan'. De
examencommissie, aan wie de student zijn scriptie dient te overhandigen,
behoort uiteraard niet tot deze categorie personen.
Kortom, welke
wijze van plagiaat de student ook hanteert, op grond van de Auteurswet is het
hem in ieder geval niet toegestaan zijn plagiaat-scriptie aan de
examencommissie ter hand te stellen.
3.4. Conclusie
Plagiaat is
inderdaad van alle tijden. Het is begonnen in de 15e eeuw met het overschrijven
van teksten en vindt thans nog steeds plaats in de vorm van het 'knippen en
plakken' op internet. Met de diverse ontwikkelingen, zoals de uitvinding van de
kopieerapparaten en de pc, zijn de mogelijkheden om plagiaat te plegen ongekend
gegroeid. Aangenomen wordt dat het aantal plagiaatgevallen daardoor fors is
toegenomen. Deels komt dat uiteraard door de toegenomen mogelijkheden, maar met
name ook door de snelheid en het gemak waarmee plagiaat tegenwoordig via
internet gepleegd kan worden én het ontbreken van kosten. Zoals in de inleiding
al aangehaald, en zoals ook in het volgende hoofdstuk zal blijken, heeft het
plagiaat zich door het internet kunnen ontwikkelen tot een bloeiende industrie.
De rol die ICT
in deze ontwikkelingen heeft gespeeld is evident; zonder ICT was het met
plagiaat zover niet gekomen. De specifieke structuur van het internet heeft met
name in het voordeel van de eindgebruikers gewerkt en heeft een aantal
'problemen' voor auteursrechthebbenden opgeworpen. Zo zijn providers gerechtigd
ten behoeve van sneller internetverkeer (tijdelijke) kopieën te maken en zijn
internetgebruikers gerechtigd om te 'browsen', hetgeen automatisch ook kopiëren
impliceert. De zeggenschap die de auteursrechthebbenden in de analoge omgeving
nog hadden over hun werken, is door publicatie op het internet sterk afgenomen.
Een ander
'probleem' dat het internet met zich brengt, is dat er geen wereldwijde
organisatie is met zeggenschap op het internet. Het internet is internationaal,
gebruikers zijn soms anoniem, kortom een voedingsbodem voor onduidelijkheden.
Deze onduidelijkheid kan het beste worden aangepakt door internationale wet- en
regelgeving. Alle pogingen die echter op dat terrein zijn ondernomen, zijn
gestrand in nog meer richtlijnen en regels die iedere verdragsstaat in eigen
nationale wetten moet implementeren. Een eenduidige internationale Auteurswet
is voorlopig dan ook nog niet in zicht.
Gezien de
mogelijkheden van het internet, is het niet verwonderlijk dat het knip- en
plakwerk van auteursrechtelijk beschermde werken bij scripties de laatste jaren
sterk is toegenomen. Vastgesteld is dat het knip- en plakwerk in bepaalde
situaties is toegestaan, bijvoorbeeld in het kader van een studie, mits aan
bepaalde stringente voorwaarden wordt voldaan. De schoen wringt echter nog niet
zozeer bij het samenstellen van de scriptie, er zijn wat beperkingen in de
Auteurswet die knippen en plakken soms toestaan, het probleem ontstaat pas bij
het aan de examencommissie overhandigen van de scriptie. Het is namelijk op
grond van de Auteurswet niet toegestaan voor de studie gekopieerde teksten te
verveelvoudigen om vervolgens aan derden ter beschikking te stellen, noch is
het geoorloofd de gemaakte verveelvoudigingen buiten de familie- of
vriendenkring ter beschikking te stellen. Dus al zou een scriptie met
overgenomen teksten van anderen strikt genomen geoorloofd zijn conform de
beperkingen van de Auteurswet, de student mag deze scriptie feitelijk niet
verveelvoudigen en aan de examencommissie overhandigen!
4. Universiteiten
"Op de
campus krioelt het van de boefjes!?"
De
(inter)nationale campus lijkt een broedplaats van fraudeurs, piraten en
plagiatoren te zijn. Mede dankzij de diverse technologische ontwikkelingen van
de afgelopen decennia zijn studenten steeds creatiever geworden in het op
eenvoudige wijze verwerven van studiepunten en zelfs hun bul en titels, danwel
in het drijven van lucratieve illegale handeltjes. Een willekeurige greep uit
het 'assortiment': betalen voor het toekennen van studiepunten[55],
handel in illegale software, muziek en films via het universiteitsnetwerk[56],
antwoorden op tentamens via sms verwerven[57]
en het downloaden van een scriptie van een ander.[58]
Zoals in de
inleiding al aangegeven, handelt deze scriptie uitsluitend over plagiaat; vorenstaande
opsomming is dan ook slechts bedoeld om aan te geven dat de 'boefjes' waar deze
scriptie om draait, zich vaak niet slechts beperken tot plagiaat.
Studenten
hebben, zoals in het kort in paragraaf 2.4. al aangegeven, verschillende
manieren ontdekt waarop bij het afleveren van een scriptie plagiaat kan worden
gepleegd:
·
iemand anders in opdracht een scriptie laten schrijven
(andere student, een deskundige/bekende, danwel een commerciële organisatie) en
als jouw werk inleveren;
·
een scriptie van een ander kopiëren, misschien deels
aanpassen cq. uitbreiden, en inleveren als jouw werk;
·
een scriptie maken door allerlei materiaal van derden te
kopiëren en samen te voegen en e.e.a. presenteren als jouw werk.
In dit
hoofdstuk zal aandacht worden besteed aan de huidige situatie op universiteiten
met betrekking tot plagiaat, de eventuele regelingen die universiteiten
daaromtrent hanteren, alsmede de projecten die op dit gebied reeds zijn
uitgevoerd cq. opgestart. Teneinde een vergelijking te kunnen maken, wordt
zowel de nationale situatie alsook de internationale situatie belicht, waarbij
voor wat betreft de internationale situatie de ogen vooral zijn gericht op de
situatie in de Verenigde Staten.
4.1. Nationaal
Hoewel we dat
natuurlijk graag anders zouden zien, is plagiaat geen kwaad dat zich slechts
buiten onze grenzen afspeelt. Ook in Nederland zijn diverse plagiaatgevallen
bekend, en gezien de aandacht die de Nederlandse universiteiten momenteel aan
dit onderwerp besteden en de snelheid waarmee plagiaatprojecten worden
opgestart, mag worden geconcludeerd dat de maat voor veel faculteiten vol is.
Studenten worden ook steeds creatiever; ze blijken hun scripties niet langer
slechts te betrekken van andere studenten, er zijn zelfs sites waar je op
onderwerp scripties kunt selecteren uit een enorm aanbod.
Louter
illustratief is een plagiaatgeval uit 1997: Het boek 'Journalistieke Genres'
van M. Kimmel -een exacte kopie van haar scriptie voor de Rijksuniversiteit
Leiden!- werd wegens plagiaat uit de handel genomen.[59]
Er waren in het boek en de scriptie namelijk te veel passages veelal letterlijk
uit twee reeds verschenen handboeken overgenomen. Achteraf bezien zou de
scriptie dus ook als plagiaat aangemerkt dienen te worden; mevrouw Kimmel was
inmiddels echter -gelukkig voor haar- al afgestudeerd.
4.1.1. Huidige situatie
Aangenomen mag
worden dat van analoog plagiaat vrijwel geen sprake meer zal zijn; welke
student schrijft of typt immers tegenwoordig zijn scriptie nog uit? Als er dan
al wordt geplagieerd, dan dus digitaal, meestal via het internet.
Zoals hiervoor
al aangegeven, zijn er drie manieren waarop de moderne student zijn
plagiaat-scriptie kan doen ontstaan. Veelal zal daarbij gebruik gemaakt worden
van het internet. Niet alleen algemene informatie kan op het internet snel
worden opgezocht, ook staan er de student diverse sites ter beschikking waarvan
kant en klare scripties gedownload kunnen worden.[60]
Een greep uit het aanbod van dergelijke Nederlandstalige sites is ter
illustratie opgenomen als Bijlage II.
Na bestudering
van deze sites blijkt de kwaliteit van de aangeboden scripties niet
overweldigend te zijn; waarschijnlijk zullen slechts weinig studenten op deze
wijze een kant en klare scriptie bemachtigen. Uiteraard kan een dergelijke
scriptie wel altijd als basis cq. uitgangspunt worden gebruikt om op het
onderwerp voort te borduren, daarbij wederom gebruik makend van het internet.
Aannemelijk is
dat het meeste plagiaat nog wordt gepleegd door scripties van anderen, al dan
niet na wijzigingen en/of toevoegingen, van de eigen naam te voorzien en als
'eigen' scriptie te overhandigen aan de scriptie-begeleider. Dat is ook de
reden waarom vanuit verschillende kanten wordt aangespoord om studenten beter
te gaan begeleiden tijdens het schrijven van hun scriptie[61],
om op die wijze tussentijdse resultaten op te kunnen vragen en bij twijfel
studenten alsnog in een andere richting te dwingen, danwel aanvullend onderzoek
te laten uitvoeren.
Dat plagiaat
een groot probleem is voor universiteiten moge duidelijk zijn, vrijwel iedere
universiteit besteedt op enigerlei wijze aandacht aan het onderwerp plagiaat.[62]
De ene universiteit is inmiddels druk doende maatregelen te treffen[63],
andere universiteiten hebben nog geen concrete projecten opgestart en maken er
vooralsnog slechts zijdelings melding van in universiteitsbladen.[64]
4.1.2. Regelingen
Het merendeel
van de Nederlandse rechtenfaculteiten kent ten aanzien van plagiaat cq. fraude
een gelijksoortige regel; het betreffende tentamen cq. werkstuk kan ongeldig
worden verklaard, en de student kan gedurende maximaal één jaar worden
uitgesloten van verdere deelname aan de betreffende cursus.[65]
De Universiteit
Leiden kent bijvoorbeeld zo'n regeling; een geplagieerde scriptie kan ongeldig
worden verklaard en de student kan worden uitgesloten van deelname aan de
betreffende cursus gedurende één jaar.[66]
Ook de Erasmus
Universiteit Rotterdam sanctioneert een frauderende student met uitsluiting van
het betreffende examenonderdeel gedurende de periode van maximaal één jaar.[67]
Ook de
rechtenfaculteit van de Universiteit Maastricht hanteert een soortgelijke
regel; op fraude staat maximaal een jaar uitsluiting van het betreffende
examenonderdeel. Bovendien behoort een "dringend advies de studie aan deze
faculteit te staken" tevens tot de mogelijkheden.[68]
Ook de regeling
bij de Universiteit van Tilburg ten aanzien van frauderende cq. plagiërende
studenten is dat zij gedurende maximaal één jaar uitgesloten kunnen worden van
deelname aan een bepaalde cursus.[69]
Het merendeel van de voorzitters van de examencommissies van de diverse
Tilburgse faculteiten pleit echter voor zwaardere straffen voor zogenaamde
'recidivisten', studenten die in herhaling vallen, en voor studenten die fraude
of plagiaat plegen bij hun scriptie. Men pleit in die gevallen voor het
verwijderen van de student van de universiteit.[70]
Strafrechtelijke vervolging van de betreffende studenten gaat de meeste
voorzitters vooralsnog te ver. Vriesendorp, voorzitter van de examencommissie
van de rechtenfaculteit, meent echter dat het strafrecht als ultimum remedium
niet mag ontbreken.[71]
4.1.3. Projecten
In Nederland
zijn in de afgelopen jaren meerdere projecten opgestart cq. uitgevoerd waarbij
het opsporen van fraude en/of plagiaat het centrale thema is geweest.
Sinds begin
jaren '90 wordt op de Erasmus Universiteit Rotterdam gewerkt met het aldaar
ontwikkelde CODAS-programma (Computer Ondersteunend Document Analyse Systeem).[72]
Het systeem is aanvankelijk ontwikkeld als hulpmiddel bij het nakijken van
open-vraag opdrachten van studenten; doel was tijdsbesparing voor docenten.
Momenteel kent het programma twee functionaliteiten: het nakijken van
opdrachten en het controleren op fraude. Op de specifieke werking van het
programma wordt in hoofdstuk 6 nader ingegaan.
Het
CODAS-programma wordt inmiddels in den lande door meerdere organisaties
ingezet; Edu'Actief maakt sinds ± 1995 van de CODAS-programmatuur gebruik voor
haar systeem, de Nationale Nakijkcentrale, een systeem dat inmiddels bij diverse
onderwijsinstellingen sinds jaren wordt gebruikt.[73]
Ook de
tentamens van bijvoorbeeld de Leidse strafrechtstudenten zijn het afgelopen
jaar nagekeken met behulp van het CODAS-programma, met als doel fraude- en
plagiaatgevallen te detecteren.[74]
De software maakt niet alleen duidelijk dat er gefraudeerd is, maar geeft zelfs
aan welke studenten daarbij hebben samengewerkt. Bij de eerste ronde van
ongeveer 650 tentamens werden nog 79 fraudegevallen ontdekt, bij de tweede
ronde waren dat er slechts nog 19.
Ook de
Rijksuniversiteit Groningen is de strijd tegen plagiaat begonnen. Zo pleit de
faculteit Letteren, naar aanleiding van een recent plagiaatincident met twee
uitwisselingsstudenten, voor invoering van een gedragscode die studenten bij
aanvang van de studie dienen te ondertekenen.[75]
De faculteit
economie van de Rijksuniversiteit Groningen gebruikt het computersysteem EVE2,
en heeft het gebruik daarvan zelfs vastgelegd in het examenreglement.[76]
Het systeem is een zogeheten plagiaatscanner; het controleert of een
aangeleverde scriptie niet teveel overeenkomsten vertoont met bronnen op het
internet. Indien overeenkomsten worden geconstateerd, geeft het systeem aan uit
welke bronnen de overgenomen teksten afkomstig zijn. Een nadeel van dit systeem
is dat het slechts controleert aan de hand van internetbronnen en niet aan de
hand van bijvoorbeeld scripties van andere studenten van de eigen faculteit
danwel van andere faculteiten. Het systeem ontdekt daarmee slechts
overeenkomsten indien die scripties on-line staan.
De Universiteit
Maastricht, in het bijzonder de faculteit Economische Wetenschappen en
Bedrijfskunde, heeft onder de noemer ELEUM-project (electronic learning
environment Universiteit Maastricht) een onderzoek uitgevoerd naar de
verschillende plagiaatdetectie-systemen die momenteel verkrijgbaar zijn.[77]
De resultaten van dit onderzoek zijn vooralsnog geen aanleiding geweest om
dergelijke software structureel in te zetten in de strijd tegen plagiaat in het
onderwijs. In hoofdstuk 6 zal aan dergelijke systemen overigens uitgebreid
aandacht worden besteed.
Portfolio's
voor scripties en andere zelfwerkzaamheidsprojecten in het juridisch onderwijs,
is een project van de Universiteit van Tilburg in samenwerking met de Erasmus
Universiteit Rotterdam. Beoogd is een systeem te ontwikkelen waarbij: docenten
en studenten ondersteund worden bij het administratieve proces rondom o.a.
scripties, documenten tussen beiden op elektronische wijze worden uitgewisseld,
de student een portfolio kan opbouwen, een fraude-check om fraude en plagiaat
op te sporen en te voorkomen wordt uitgevoerd en waarbij definitieve scripties
in een database met uitgebreide zoekmogelijkheden worden ondergebracht.[78]
Met name de controle van scripties op plagiaat en fraude, alsmede het vooruitzicht
dat scripties openbaar gemaakt worden, moet een positief effect op de kwaliteit
van scripties hebben.
Het project 'Scripties Online', een
gezamenlijk project van de Universiteit van Twente (UT), Erasmus Universiteit
Rotterdam (EUR) en Rijksuniversiteit Groningen (RUG), beoogt eveneens het
opzetten van een nationale database van afstudeerscripties, ingedeeld naar
wetenschappelijke discipline en voorzien van een zoekfaciliteit.[79]
Daarnaast zal een demo ontwikkeld worden van een geïntegreerde faciliteit voor
het vergelijken van scripties. Het project heeft als eindresultaat een database
van afstudeerscripties op het gebied van de bestuurskunde en de bedrijfskunde,
gevoed door de EUR, RUG en UT.
Vermeldenswaardig
is ook het project van een docent van de Leidse faculteit der Sociale
Wetenschappen; deze denkt het ei van Columbus te hebben uitgevonden om plagiaat
te voorkomen én op te sporen.[80]
Om plagiaat te voorkomen bakent hij zijn opdrachten inhoudelijk zeer precies af
en wijzigt dat ieder jaar slecht gedeeltelijk, hij laat studenten deelessays
inleveren en de door hem gegeven feedback dient verwerkt te worden in de
volgende versie. Daarnaast waarschuwt hij zijn studenten vooraf voor plagiaat
en verzoekt hen te zorgen voor een zorgvuldige bronvermelding.
Het opsporen
van plagiaat is voor hem door zijn wijze van werken vrij eenvoudig. Niet alleen
de opdracht wijzigt ieder jaar iets, maar ook de wijze waarop men de opdracht
dient te presenteren; de verplichte lay-out wijzigt ieder jaar, de wijze van nummering
(het ene jaar nummers, het andere jaar cijfers, etc.), de volgorde waarin
opdrachten dienen te worden ingeleverd, hij gebruikt in zijn opdrachten ieder
jaar andere synoniemen (senaat/eerste kamer, integratie/samensmelting, etc.) en
bovendien wijzigt hij de te hanteren literatuurlijst op details ('&' in een
titel vervangen door 'en', etc.).
Door zijn
systeem kan hij plagiaat veelal feilloos opsporen én aantonen. Aan de hand van
de gebruikte lay-out, nummering, woorden e.d. kan hij zelfs aantonen uit welk
jaar de 'bron' afkomstig is. Voor de examencommissie van de Leidse universiteit
is deze methode voldoende overtuigend; betrapte studenten worden veroordeeld
wegens fraude.
Kortom, op
allerlei fronten en op allerlei manieren wordt de strijd tegen plagiaat in het
onderwijs vorm gegeven. Zoals uit de volgende paragrafen zal blijken, staat
Nederland daarin niet alleen.
4.2. Internationaal
Dat studenten
wereldwijd het internet niet alleen als handige en snelle informatiebron zien,
maar tevens als 'toeleverancier' van complete scripties, blijkt wel uit een
aantal onderzoeken. De University of Virginia heeft een computersysteem
ontwikkeld waarbij scripties onderling gecontroleerd kunnen worden op plagiaat.
Van de 1500 gecontroleerde scripties bleek in 122 gevallen plagiaat te zijn
gepleegd (ruim 8%), voor de universiteit aanleiding om een website speciaal aan
het onderwerp plagiaat te wijden.[81]
Uit een omvangrijk Australisch onderzoek blijkt dat maar liefst ruim 14% van de
studenten plagiaat pleegt.[82]
Een onderzoek op de Berkeley University of California wees uit dat zelfs na een
waarschuwing dat hun werk door een computer onderzocht zou worden, nog ruim 15%
van de studenten plagiaat pleegde.[83]
Plagiaat is dus zeker geen probleem waar alleen de Nederlandse universiteiten
mee te kampen hebben, het is een wereldwijd probleem.
4.2.1. Huidige situatie
Uit uitgebreide
onderzoeken blijkt dat ongeveer 80% van de studenten ooit fraudeert, waarbij de
wijze van het bedrog uiteenloopt van spieken tot het plegen van plagiaat.[84]
Het daadwerkelijk plegen van plagiaat schijnt door maar liefst 36% minstens
eenmaal gedurende de studietijd te gebeuren.[85]
Met name in de
Verenigde Staten blijkt plagiaat een levendige industrie geworden, de zogeheten
'paper-mills', draaien daar op volle toeren. Is het aanbod en de kwaliteit van
dergelijke Nederlandstalige sites wat mager, de Engelstalige sites omvatten een
ruimer en kwalitatief beter aanbod. Een aantal Engelstalige sites is ter
illustratie in Bijlage II opgenomen.
Dergelijke
websites moedigen vaak studenten aan hun scripties beschikbaar te stellen voor
andere studenten. Geloof me, over ieder willekeurig onderwerp waarover je een
scriptie wilt schrijven, is er al ooit een geschreven, en die is met één druk
op de knop te kopiëren! Er zijn zelfs sites/organisatie waar je -tegen
betaling- een scriptie over een door jou gekozen onderwerp kunt laten maken.
4.2.2. Regelingen
Na onderzoek
blijkt dat met name in de VS een groot aantal universiteiten een 'honor code'
heeft opgesteld, die studenten veelal bij aanvang van de studie dienen te
ondertekenen. In deze 'honor code' zijn de regels vastgelegd omtrent plagiaat;
wat wordt door die universiteit onder plagiaat verstaan, hoe vindt controle
plaats, welke sancties kunnen volgen na ontdekking, etc., etc..[86]
Veelal volgt na vaststelling van plagiaat -zonder excuus- verwijdering van de
universiteit.
Eijffinger,
hoogleraar aan de Universiteit van Tilburg, die recent een half jaar
gastcolleges heeft gegeven aan de Harvard University in Cambridge
Massachussetts, komt ook tot deze conclusie; plagiaat leidt op de Amerikaanse
topuniversiteiten zonder discussie tot verwijdering van de universiteit.[87]
Even hard wordt
de plagiërende student van de Universiteit Stellenbosch (Zuid-Afrika) gestraft.
Plagiaat leidt ertoe dat je voor dat betreffende vak nooit meer een herkansing
krijgt, hetgeen automatisch betekent dat je de opleiding niet kunt afronden.[88]
Iets milder is
de Vrije Universiteit Brussel; deze acht plagiaat weliswaar volstrekt
ontoelaatbaar doch plagiaat leidt 'slechts' tot afwijzing van de scriptie, de
student slaagt niet, maar heeft wel recht op een tweede kans.[89]
De algemene
indruk is dat men in Nederland redelijk 'mild' omgaat met plagiërende
studenten, deze worden normaliter een tweede kans geboden om alsnog het
betreffende vak correct af te ronden, waardoor men de mogelijkheid blijft
behouden de opleiding te beëindigen.
4.2.3. Projecten
Uiteraard
worden ook door universiteiten in het buitenland activiteiten ontplooid om
plagiaat tegen te gaan. Vanwege het overweldigende aantal afgeronde cq. lopende
projecten voert het in dit kader te ver om alle projecten te bespreken en wordt
slechts een tweetal projecten kort belicht.
Eén van de
meest belangrijke projecten op dit gebied is geweest een onderzoek van het
Center for Academic Integrity in de VS. Men constateerde dat bijna 80% van de
studenten fraudeert. Bij een naar aanleiding hiervan uitgevoerd
vervolgonderzoek op de Berkeley University of California bleek dat daar ruim
30% van de studenten ooit plagiaat pleegde gedurende de studie. Barrie, een van
de docenten van Berkeley University, ontwikkelde vervolgens Turnitin.com, een
softwareprogramma dat papers/scripties vergelijkt met werken op het internet en
met werken in een eigen database van eerder gecontroleerde scripties.[90]
Deze databank wordt inmiddels door ruim 20.000 onderwijsinstellingen uit de VS,
Canada, Nieuw-Zeeland en Engeland gevoed. Barrie heeft met deze 'uitvinding'
baanbrekend werk verricht in de strijd tegen plagiaat in het onderwijs.
De Universiteit
van Northumbria (UK) biedt sinds september 2002 Engelse universiteiten de
mogelijkheid om werkstukken/scripties ter controle aan te bieden aan de
Plagiarism Advisory Service van de universiteit.[91]
Aangeboden scripties worden vergeleken met teksten op het internet en met
scripties van andere studenten, zowel van de eigen universiteit alsook van
andere instellingen, voor zover deze hun werken on-line aanbieden. Voor de uit
te voeren controles wordt gebruikt gemaakt van een detectiesysteem dat
gebaseerd is op Turnitin.com, het hiervoor reeds aangehaalde softwareprogramma,
waaraan in hoofdstuk 6 overigens uitgebreider aandacht zal worden besteed.
4.3. Conclusie
De algemene
mening van docenten en universiteiten blijkt te zijn, zowel nationaal als
internationaal, dat het voorkomen van plagiaat nog steeds beter is dan het
sanctioneren ervan.
In dat kader
blijkt een internationale trend in ieder geval te zijn om elektronische
portfolio's van studenten aan te leggen[92],
zodat studenten derden inzicht kunnen geven in hun werk gedurende hun
studietijd, bijvoorbeeld in het kader van sollicitaties. Bovendien kunnen
instellingen deze portfolio's gebruiken als vergelijkingsmateriaal bij de inzet
van fraudecontrole-systemen. Die 'dreiging' dat hun werk openbaar wordt gemaakt
en dat er een fraudecontrole plaatsvindt, blijkt vaak al veel studenten aan te
zetten tot eigen inspanningen. Men ziet dan liever af van knip- en plakwerk.
Het voorkomen van
plagiaat kent mijns inziens twee dimensies. Enerzijds kan de student trachten
te voorkomen dat zijn werk als plagiaat wordt gezien, door consequent en
nauwkeurig zijn bronnen te vermelden of, indien wordt aangesloten bij het
gedachtengoed van een bepaalde bron of studie, door een bepaalde bron als
algemene referentie aan te geven.
Anderzijds kan
de universiteit proberen plagiaat te voorkomen, door de onderwijsmethode aan te
passen.[93]
Zo kan plagiaat wellicht worden voorkomen danwel worden teruggedrongen door:
·
meer aandacht aan het proces van schrijven van de scriptie
te besteden dan aan het uiteindelijke eindproduct;[94]
·
studenten meer te begeleiden tijdens het schrijven van hun
scriptie om zodoende de vorderingen van de student te kunnen controleren en tussentijds
bij te kunnen sturen;[95]
·
meer bekendheid te geven aan plagiaat.[96]
Veel studenten plegen onbewust uit onwetendheid, slordigheid of
vergeetachtigheid plagiaat;
·
studenten te leren hoe plagiaat voorkomen kan worden. Leer
studenten goed te verwijzen naar bronnen;[97]
·
studenten actuele onderwerpen in hun scriptie te laten
behandelen, dat voorkomt dat er 'tweedehands' materiaal wordt gebruikt;
·
studenten in hun scriptie een specifieke vraag te laten
behandelen.[98] De kans is
klein dat precies dezelfde vraag ooit eerder onderwerp van een ander onderzoek
is geweest. Indien de student in 'zijn' scriptie afwijkt van de eigenlijke
vraagstelling, moeten er bij de docent al wat lichtjes gaan branden;
·
studenten (een deel van) hun scriptie in een presentatie
te laten toelichten, en eventueel inhoudelijke vragen te stellen. Dat voorkomt
dat men zich er met wat knip- en plakwerk vanaf maakt, ofwel men valt door de
mand doordat blijkt dat de 'kennis' slechts op papier staat, maar de student in
feite van het onderwerp weinig of niets afweet.
Een groot
'voordeel' in de strijd tegen plagiaat is voor de Nederlandse universiteiten
dat zij van haar studenten kan verlangen de scriptie in de Nederlandse taal af
te leveren. Zolang dat nog het geval zal zijn, zal in ieder geval de dreiging
van alle internationale, Engelstalige paper-mills meevallen. Welke student
neemt immers de moeite om een compleet Engels werk te (laten) vertalen?
Uiteraard zal
plagiaat, ondanks een uitgebreid pakket aan maatregelen ter voorkoming, nimmer
volledig uit te bannen zijn. Gelukkig bieden ICT-mogelijkheden, die er
aanvankelijk toe hebben bijgedragen dat studenten meer plagiaat zijn gaan
plegen, universiteiten steeds meer mogelijkheden plagiaat vast te stellen. De
pakkans is daardoor aanmerkelijk toegenomen.[99]
Wellicht dat ook die wetenschap studenten ervan zal weerhouden zich te laten
verleiden tot knip- en plakwerk.
Mocht ook die
dreiging onvoldoende blijken te zijn, dan dient men in Nederland wellicht het
voorbeeld te volgen van vele Amerikaanse universiteiten: plagiaat leidt direct
tot verwijdering van de student van de universiteit!
5. Rechtshandhaving
"Misdaad
loont!?"
Nu in de
voorgaande hoofdstukken duidelijk is geworden wat onder plagiaat wordt verstaan
en hoe dat zich in de afgelopen jaren -met name in relatie tot het onderwijs-
heeft ontwikkeld, is doel van dit hoofdstuk vast te stellen of het auteursrecht
nog toereikend is in het licht van de ontwikkelingen die het internet ten
aanzien van plagiaat met zich heeft gebracht. Kunnen auteursrechtelijke
inbreuken op of door het internet -in het bijzonder plagiaat- afdoende worden
bestreden of moet er wellicht een specifieke internetplagiaat-bepaling in het
leven worden geroepen?
Deze problematiek
zal nationaal, en vanwege het grensoverschrijdende karakter van het internet
ook internationaal, worden belicht, waarbij naast het auteursrecht ook de
mogelijke aansluiting bij het privaat- en strafrecht onder de loep zal worden
genomen. Uiteraard zal in dat kader eveneens aan het Amerikaanse 'antwoord' op
de plagiaatproblematiek, de zogeheten 'fair use'-bepaling, aandacht worden
geschonken.
5.1. Nationaal
Zoals in
paragraaf 2.1. al aangegeven, is plagiaat geen wettelijke term. Je kunt in Nederland
dan ook niet rechtstreeks aangeklaagd worden 'wegens plagiaat', maar dat
betekent niet dat de plagiator zonder meer vrijuit gaat. Op grond van de
Auteurswet mag zonder toestemming van de maker een werk van letterkunde,
wetenschap of kunst niet worden verveelvoudigd of openbaar gemaakt worden, in
welke vorm dan ook (art. 1 Aw). Gebeurt dat toch, dan is dat wel degelijk
strafbaar, ondanks het ontbreken van bijvoorbeeld een specifieke wettelijke
plagiaatbepaling.
Zolang plagiaat
nog loont, is het niet eenvoudig uit te roeien. De wetgeving schiet op dat punt
duidelijk tekort; plagiaatslachtoffers kunnen pas in actie komen als het kwaad
al is geschied, en zelfs dan is het nog een probleem aan te tonen dat er van
plagiaat sprake is. Wanneer is immers een nabootsing nog rechtmatig, en wanneer
is er sprake van plagiaat, en is het nabootsen dus omgeslagen in imiteren? Een
duidelijk wettelijk kader ontbreekt.
Met het
toenemende gebruik van het internet zal de noodzaak om inbreukmakers van
auteursrechten, en wellicht ook andere intellectuele eigendomsrechten, op te
sporen en aansprakelijk te stellen, alleen nog maar toenemen. Er rijzen daarbij
een aantal vragen; onderscheiden inbreukmakende handelingen via het internet
zich van inbreukmakende handelingen in de analoge omgeving, welk recht is van
toepassing (inbreuk via het internet heeft vaak een internationaal karakter) en
bovendien: welk rechtsstelsel biedt aanknopingspunten voor 'internetplagiaat'?
De handhaving
van auteursrechten kan in Nederland zowel civielrechtelijk, via het
auteursrecht danwel het privaatrecht, als strafrechtelijk geschieden. Op deze
drie mogelijkheden zal in de komende paragrafen worden ingegaan.
Kenmerkend voor
civielrechtelijke handhaving van rechten, bijvoorbeeld via het auteursrecht, is
dat de rechthebbende hiervoor zelf is aangewezen. De rechthebbende dient zelf
te controleren of er inbreuken op zijn rechten plaatsvinden. De controle die in
de analoge situatie in de openbaarheid kon plaatsvinden (bv. in de boekhandel
kijken of er plagiaat-werk beschikbaar is), dient in de digitale omgeving (het
internet) plaats te vinden in de privé sfeer van de gebruikers. Het
inbreukmakende werk ligt immers niet meer -met naam van de inbreukmaker- in de
boekhandel, maar staat op de computer van een (anonieme?) internetgebruiker. In
dat kader dient derhalve bij controles altijd speciaal aandacht te worden
besteed aan de mate waarin de privacy van de betreffende internetgebruikers
gewaarborgd kan blijven.[100]
5.1.1. Auteursrecht
Aanvankelijk
werd het auteursrecht ingezet als middel tot bescherming van personen en hun
geestelijke prestaties, maar steeds meer zijn bedrijven het auteursrecht in de
strijd gaan werpen om hun prestaties te beschermen. Het auteursrecht wordt in
de praktijk dan ook in veel gevallen louter ter bescherming van commerciële
belangen ingezet. Feitelijk is het gebruik waartegen een auteursrechthebbende
zich op grond van de Auteurswet kan verzetten, in beginsel ook beperkt tot
vormen van commercieel gebruik. De auteursrechthebbende kan zich namelijk
verzetten tegen het openbaar maken en verveelvoudigen van zijn werk.[101]
De auteursrechthebbende kan zich bijvoorbeeld niet verzetten tegen hergebruik
van zijn werk. Als een boek rechtmatig is verkregen, mag het daarna onbeperkt
worden gelezen door een onbeperkt aantal mensen, het boek mag ook worden
doorverkocht. De auteursrechthebbende heeft daar niets meer over te zeggen,
zijn recht is immers uitgeput.[102]
Op grond van de
Auteurswet komen aan de auteursrechthebbende een aantal rechten toe indien hij
een inbreuk op zijn rechten constateert. Zo kan bijvoorbeeld op grond van
artikel 27 Aw een schadevergoedingsactie worden ingesteld, of met een beroep op
artikel 27a Aw winstafdracht worden gevorderd. Daarnaast kan op grond van
artikel 28 Aw beslag worden gelegd op inbreukmakende voorwerpen (bv. drukpers
waarmee plagiaat-werk wordt gemaakt) en kunnen deze voorwerpen, evenals de
inbreukmakende producten zelf, worden opgeëist. Indien inbreukmakende producten
reeds bij het publiek/eindgebruikers zijn beland, kan hierop evenwel geen
beslag meer worden gelegd, de eindgebruiker wordt in dat opzicht beschermd.
De
belangrijkste vordering die een rechthebbende -veelal in kort geding vanwege
het spoedeisend belang; het doel is immers de inbreukmakende activiteiten of
uitingen zo snel mogelijk te laten stoppen- kan instellen, is uiteraard het
stopzetten cq. verbieden van de inbreukmakende praktijken.[103]
Een dergelijk verbod zal meestal onder verbeurte van een dwangsom worden
opgelegd.
De handhaving
van auteursrechten in de digitale omgeving is feitelijk niet anders dan in de
analoge omgeving: in de on-line situatie gelden dezelfde rechten en regels als
in de off-line situatie. De huidige Auteurswet blijft ook in de digitale
omgeving onverkort van toepassing.[104]
Vanwege specifieke situaties op en rond het internet, is het echter de vraag of
de Auteurswet in de huidige vorm in de digitale omgeving nog wel toereikend is.
Een groot
probleem bij plagiaat via het internet is bijvoorbeeld het vinden van de bron.
Pas als je de bron hebt gevonden kan de omvang van het plagiaat goed worden
vastgesteld en kunnen stappen worden ondernomen. Er zijn aanvankelijk -vanwege
de problematiek van de onvindbare cq. anonieme inbreukmaker- daarom ook stemmen
opgegaan om de internetproviders aansprakelijk te houden voor inbreukmakende
handelingen. Die visie stuitte snel op verzet van de zijde van providers. Hoe
kunnen deze aansprakelijk worden gehouden voor inbreukmakende
verveelvoudigingen? Moet de provider controleren of er geen geplagieerd werk
door hem wordt verspreid of beschikbaar wordt gesteld, of op zijn systeem
ge-upload is? Het bleek onwenselijk de providers hiervoor aansprakelijk te
houden, de omvang van informatie op het internet is te groot en de informatie
wijzigt te vaak om alles te kunnen controleren. Op de provider rust dan ook
geen vergewissingsplicht.[105]
Deze stelling is inmiddels ook in de rechtspraak overgenomen, in de Scientology
Church/XS4all-kwestie.[106]
Een provider kan zich echter nimmer achter de anonimiteit van het internet
verschuilen indien hij zelf ook informatie aanbiedt of indien hij geen actie
onderneemt indien hij op de hoogte is, of behoort te zijn, van inbreukmakende
handelingen. Indien er, anders gezegd, sprake is van wetenschap aan de zijde
van de provider, is deze wel degelijk aan te spreken.[107]
Inmiddels is
duidelijk geworden dat, als de Auteurswet niet wordt uitgebreid worden met
specifieke internetbepalingen, in ieder geval het stelsel van beperkingen
opnieuw moet worden bezien, wil 'internetplagiaat' kunnen worden aangepakt.
Veel beperkingen zijn namelijk in media-specifieke termen gedefinieerd.[108]
Een voorbeeld ter verduidelijking (art. 16a Aw):
"Als
inbreuk op het auteursrecht op een werk van letterkunde, wetenschap of kunst
wordt niet beschouwd een korte opname, weergave en mededeling ervan in het
openbaar in een foto-, film-, radio- of televisiereportage voor zover zulks
voor het behoorlijk weergeven van de actuele gebeurtenis welke het onderwerp
der reportage uitmaakt, noodzakelijk is".
Letterlijk genomen
wordt momenteel dus wel als inbreuk beschouwd een mededeling op het internet,
want dat valt niet onder een 'foto-, film-, radio- of televisiereportage'.
Vanuit die optiek is het wenselijk dat dergelijke bepalingen worden aangepast[109],
in die zin dat ook het internet als medium wordt benoemd, danwel dat deze
beperkingen techniek-onafhankelijk worden gedefinieerd.[110]
Het
auteursrecht zal in zijn algemeenheid met het oog op nieuwe technieken in de
digitale omgeving een zekere impuls moeten krijgen. Met het Dior/Evora-arrest
lijkt de Hoge Raad al een bres te hebben geslagen in het tot dan toe geldende
gesloten systeem van wettelijke beperkingen.[111]
In dit arrest wordt namelijk gesignaleerd dat het auteursrecht zich ontwikkelt
tot een middel ter bescherming van met name commerciële belangen en dat met het
oog daarop de toepassing van het auteursrecht soms (buitenwettelijk) beperkt
moet worden. De Hoge Raad stelt dat:
"de
uitdrukkelijke beperkingen van de Auteurswet niet uitsluiten dat de grenzen van
het auteursrecht in andere gevallen aan de hand van een vergelijkbare afweging
nader moeten worden bepaald, in het bijzonder wanneer de behoefte aan de
desbetreffende begrenzing door de wetgever niet is onderkend".
E.e.a.
impliceert dat het mogelijk wordt bij auteursrechtinbreuken, die feitelijk niet
onder een specifieke wettelijke beperking zijn onder te brengen, aan de hand
van een afweging van belangen van de auteursrechthebbenden en maatschappelijke
of economische belangen van anderen, de grenzen van het auteursrecht nader te
bepalen.[112] Wanneer
het auteursrecht op deze wijze wordt toegepast, zal het haar diensten ook in de
digitale omgeving kunnen blijven bewijzen.[113]
Deze benadering komt ook overeen met de strekking van de Berner Conventie. Deze
stelt in artikel 9.1 namelijk dat aan auteurs exclusieve
verveelvuldigingsrechten toekomen "in welke vorm of wat voor wijze dan
ook", derhalve dus ook technische verveelvoudigingen in de digitale
omgeving.
Nog afgezien
van deze mogelijke wijzigingen van het auteursrecht cq. de Auteurswet, de
universiteiten staan ten opzichte van plagiërende studenten in principe altijd
met lege handen. De universiteiten zijn simpelweg geen auteursrechthebbende en
kunnen dan ook op grond van de Auteurswet niet zelfstandig optreden tegen plagiatoren;
die mogelijkheid staat slechts voor auteursrechthebbenden zelf open. Dus ook al
zou de Auteurswet zodanig worden aangescherpt dat internetplagiaat in een
specifieke wetsbepaling wordt ondergebracht, dan nog biedt dat universiteiten
geen autonome vervolgingsbevoegdheid.
Wat rest, is
dat universiteiten na het vaststellen van plagiaat de betreffende
auteursrechthebbenden zouden kunnen attenderen op het door studenten gepleegde
plagiaat. Universiteiten zullen dergelijke praktijken echter niet graag naar
buiten brengen, uit angst voor gezichtsverlies. Daarnaast is het de vraag wat
de respectievelijke auteursrechthebbenden met die wetenschap zullen doen; welke
'last' hebben zij van het feit dat een student in een scriptie inbreuk op hun
auteursrechten heeft gemaakt? Scripties worden veelal niet gepubliceerd maar
dienen slechts ter verkrijging van de bul, van commercieel gewin is geen
sprake, activiteiten van de auteursrechthebbenden zelf worden er niet door
verstoord, oftewel: het belang van auteursrechthebbenden is in dit opzicht
vrijwel nihil. Voor auteursrechthebbenden zijn dergelijke inbreuken misschien
als onwenselijk aan te merken, maar het is niet aannemelijk dat zij
rechtsmaatregelen zullen treffen tegen deze vorm van auteursrechtinbreuk.
Dat dergelijke
auteursrechtinbreuken vanuit universiteiten als onwenselijk worden ervaren is
evident, het auteursrecht biedt hen echter geen directe mogelijkheden daar
tegen op te treden. Of het privaatrecht die mogelijkheden wel biedt, zal in de
volgende paragraaf worden besproken.
Vermeldenswaardig
is op dit punt nog het verschil dat Marten Hofstede in 'Leiden in last' maakte
tussen wetenschappelijk plagiaat en inbreuk op auteursrechten.[114]
Hij stelt dat wetenschappers niet zozeer met een publiek communiceren, als wel
met elkaar en in die communicatie moet men elkaar over en weer wel kunnen
vertrouwen, anders loopt de wetenschap gevaar. Inbreuk op een auteursrecht is
normaliter een zaak tussen de auteursrechthebbende en de inbreukmaker,
wetenschappelijk plagiaat is daarentegen meer een zaak tussen de plagiator en
de wetenschappelijke gemeenschap; wie wetenschappelijk plagiaat pleegt, wordt
buiten de gemeenschap gesteld.[115]
Vanuit deze visie zou je een parallel kunnen trekken met een scriptie. Die zou
-als er tenminste geen plagiaat wordt gepleegd- ook een wetenschappelijk
karakter moeten hebben. Het is waarschijnlijk vanuit deze optiek dat
universiteiten zo gekant zijn tegen plagiaat bij scripties, dergelijke
'wetenschappers' horen in de wetenschap niet thuis.
5.1.2. Privaatrecht
Zoals in
paragraaf 2.2. al is aangegeven, behelst plagiaat niet automatisch ook een
inbreuk op een auteursrecht. Plagiaat is dan ook niet altijd strafbaar.[116]
Voor wat betreft de civielrechtelijke handhaving van plagiaat dient dan ook
onderscheid te worden gemaakt tussen twee situaties: de situatie waarbij
plagiaat en inbreuk op een auteursrecht samengaan en de situatie waarbij wel
sprake is van plagiaat doch niet van een auteursrechtinbreuk.
In het eerste
geval, het samengaan, is er sprake van een onrechtmatige daad waartegen middels
artikel 6:162 BW kan worden opgetreden.[117]
Voorwaarde voor inbreuk, en dus ook voor kwalificatie als onrechtmatige daad,
is uiteraard wel dat er van een auteursrechtelijk beschermd werk sprake is.
Bovendien moet worden aangetoond dat het oorspronkelijke werk eerder gemaakt is
dan het geplagieerde product.
Gesteld dat
inbreuk op auteursrechten door een plagiërende student zou kunnen worden
vastgesteld, dan dient vervolgens de 'hobbel' van de onrechtmatige daad te worden
genomen.
Kortweg dient
voor aansprakelijkheid op grond van een onrechtmatige daad, op grond van
artikel 6:162 BW, te worden voldaan aan de volgende vereisten:
1.
Is de daad onrechtmatig? Voor onrechtmatigheid dient
sprake te zijn van:
a. inbreuk op een recht;
b. doen of nalaten
in strijd met wettelijke plicht;
c. doen of nalaten
in strijd met maatschappelijke zorgvuldigheid.
2.
Kan de daad worden toegerekend aan de dader? Van
toerekening is sprake indien de daad:
a. is te wijten
aan zijn schuld, in de zin van verwijtbaarheid
b. is te wijten
aan een oorzaak die krachtens de wet voor zijn rekening komt
c. is te wijten
aan een oorzaak die krachtens verkeersopvatting voor rekening van de dader komt
(die in zijn risicosfeer valt)
3.
Is er schade? (letsel-, zaak- of zuivere vermogensschade)
4.
Is er een causaal verband tussen de onrechtmatige daad en
de schade?
De plagiërende student pleegt
mogelijkerwijs inbreuk op een recht, namelijk het auteursrecht van een derde.
Echter, het auteursrecht beschermt de auteursrechthebbende en niet de
universiteit. Misschien zou gesteld kunnen worden dat het plegen van plagiaat
jegens de universiteit in kwestie in strijd is met de maatschappelijke
zorgvuldigheid, maar deze optie is wat ver gezocht. In de jurisprudentie kom je
dergelijke creatieve oplossingen om plagiaat onrechtmatig te doen zijn dan ook
(nog) niet tegen. Vermoedelijk zal een rechter, indien deze over een dergelijke
situatie zou moeten oordelen, aan de hand van een belangenafweging tot het
oordeel komen dat de belangen van de universiteit zwaarder wegen dan de
belangen van de student, zeker gezien de schade die een universiteit als gevolg
van plagiaat bij scripties kan leiden.
Dat de daad, het plegen van plagiaat,
aan de plagiërende student kan worden toegerekend behoeft geen nadere
toelichting. De grootste hobbel komt bij voorwaarde 3, de schade. Welke schade
heeft de universiteit geleden indien de student plagiaat heeft gepleegd?
Indien een universiteit al zover zou
gaan om een plagiërende student op grond van een onrechtmatige daad voor een
rechter te brengen, dan zou een dergelijke procedure kunnen stranden op het
punt van de schade. Het vertrouwen van een universiteit in de plagiërende
student zal zijn beschaamd, maar het aantonen dat als gevolg daarvan schade is
geleden, lijkt mij een niet te overwinnen hobbel. Het is ook nooit de bedoeling
van de wetgever geweest om beschaamd vertrouwen als onrechtmatige daad aan te
merken; de Memorie van Toelichting zwijgt daarover en ook de rechtspraak geeft
op dat punt niet thuis.
Schade als gevolg van plagiërende
studenten die een universiteit eventueel wel zou kunnen aantonen is
gezichtsverlies in relatie tot enerzijds potentiële studenten, er zullen
wellicht minder studenten voor die betreffende universiteit kiezen, en
anderzijds het bedrijfsleven, de vraag naar studenten van die betreffende
universiteit zal mogelijkerwijs afnemen. Een dalend aantal studenten leidt
sowieso tot dalende inkomsten.
Bovendien kan het aanzien van een
universiteit in de maatschappij als gevolg van de wetenschap dat studenten al
plagiërend hun bul kunnen behalen, een deuk oplopen, hetgeen zal leiden tot
(immateriële) schade. Zo zal het bedrijfsleven minder snel geneigd zijn mee te
werken cq. bij te dragen aan projecten, zal de (inter)nationale waardering afnemen,
etc., etc..
Het is moeilijk (in cijfers) aan te
geven welke schade plagiaat in het onderwijs exact aanricht, duidelijk is wel
dat universiteiten plagiaat liever zullen voorkomen dan bestrijden, omdat het
kwaad dan feitelijk al is aangericht.
Om ook in de
tweede situatie, plagiaat zonder auteursrechtinbreuk, te kunnen spreken van een
onrechtmatige daad, dient eveneens vastgesteld te worden of er sprake is van
inbreuk op een recht (een ander recht dan het auteursrecht), handelen in strijd
met een wettelijke plicht danwel handelen in strijd met de maatschappelijke
zorgvuldigheid. De rechtspraak blijkt echter zeer terughoudend om prestaties
cq. werken -buiten het terrein van de intellectuele eigendomsrechten- alsnog
via artikel 6:162 BW bescherming te verlenen.[118]
Het zoeken naar dergelijke uitspraken is dan ook als het zoeken naar de
spreekwoordelijke speld in een hooiberg.
5.1.3. Strafrecht
Of eventueel
ook het strafrecht universiteiten een mogelijkheid biedt om plagiërende
studenten aan te pakken, staat centraal in deze paragraaf.
Tegen inbreuken
op het auteursrecht kan namelijk niet alleen civielrechtelijk worden
opgetreden, bij opzettelijke inbreuken op auteursrechten heeft het Openbaar
Ministerie de mogelijkheid tot strafrechtelijke vervolging over te gaan (art.
30b t/m 36b Aw). Enkele vormen van auteursrechtinbreuk worden zelfs als
misdrijf betiteld (bv. art. 31 Aw) en aan plegers van dergelijke inbreuken kan
naast een geldboete, die kan oplopen tot € 45.378,00, een gevangenisstraf van
maximaal 4 jaar worden opgelegd. Auteursrechthebbenden kunnen jegens deze
strafrechtelijk vervolgde inbreukmakers een civielrechtelijke schadeclaim
indienen.[119]
Hierbij dient
opgemerkt te worden dat voornoemde artikelen vrijwel nimmer zullen worden ingeroepen
tegen de eenmalige inbreukmaker, zij zijn in het leven geroepen om de
georganiseerde piraterij te kunnen bestrijden. Indien er daadwerkelijk een
vermoeden bestaat van grootschalige, professionele auteursrechtinbreuken -denk
daarbij in de sfeer van georganiseerde criminaliteit-, verleent de Auteurswet
de opsporingsambtenaren zelfs bevoegdheid tot huiszoeking en inzage in
gegevens. In Nederland is het opsporen van dergelijke auteursrechtinbreuken
voorbehouden aan de FIOD/ECD. De inspanningen en investeringen die met een
onderzoek door de FIOD/ECD gepaard gaan, maken het onverantwoord eenmalige
inbreukmakers op te sporen. Het vervolgen van de plagiërende student op grond
van deze wettelijke bepalingen is, zoals uit het voorgaande wel blijkt, dan ook
geen optie.
Voor delicten
die via het internet geschieden, zoals plagiaat, kan wellicht aansluiting
worden gezocht bij 225 WvSr (valsheid in geschrifte) of 326/b WvSr
(oplichting/bedrog). Het gaat bij deze handelingen om het via een misleidende
(digitale) voorstelling van zaken wederrechtelijk behalen van een voordeel.[120]
Met name via het internet is het eenvoudig dergelijke 'delicten' te plegen; er
is geen direct persoonlijk contact, e.e.a. gebeurt in de anonimiteit van het
internet, de herkomst van berichten is soms moeilijk te traceren, etc., etc..
Artikel 225 lid
1 WvSr, valsheid in geschrifte, luidt als volgt:
"Hij die
een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk
opmaakt of vervalst, met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken
of door anderen te doen gebruiken, wordt als schuldig aan valsheid in geschrift
gestraft, met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de
vijfde categorie."
Met Talsma ben
ik van mening dat een scriptie een geschrift is, bedoeld om tot bewijs te
dienen, namelijk het bewijs dat de betreffende student beschikt over bepaalde
kennis en dat hij deze weet toe te passen.[121]
Talsma meent echter dat bij het plagiëren van een scriptie niet kan worden
gezegd dat de student deze valselijk heeft opgemaakt of heeft vervalst. Met
deze zienswijze ben ik het, evenals Vriesendorp[122],
pertinent niet eens. Mijns inziens zou het zetten van je naam onder een stuk
dat niet door jou is geschreven, wel degelijk aangemerkt kunnen worden als
valsheid in geschrifte.
Dat het zetten
van een valse naam (of handtekening) onder een stuk is aan te merken als
valsheid in geschrifte, staat buiten kijf. Wat is het wezen van een dergelijke
handeling? Met het zetten van een valse naam of handtekening onder een stuk dat
je zelf hebt geschreven, dicht je jouw handelingen aan een ander toe (aan
degene wiens naam onder het stuk wordt gezet). Wat is het verschil met het
zetten van je eigen naam onder een stuk dat je niet zelf hebt geschreven? Je
wilt het doen voorkomen alsof jij degene bent die dat stuk heeft geschreven; je
dicht dus andermans handelingen aan jezelf toe. In beide gevallen doe je je als
iemand anders voor; er komt een naam onder een bepaald stuk te staan die niet
overeenkomt met degene van wie het stuk afkomstig is. Evenals Vriesendorp ben
ook ik niet thuis in de finesses van het strafrechtelijk begrip 'valsheid in
geschrift', maar linksom (andermans naam onder eigen werk) wel valsheid in
geschrifte en rechtsom (eigen naam onder andermans werk) niet, roept toch in
ieder geval vraagtekens op. De ruimte om ook een plagiërende student aan te
pakken zou er mijns inziens in de bepaling van 225 WvSr wel moeten zitten. De
naam is immers vals in relatie tot de inhoud van het stuk, dat zou toch de
vraag moeten zijn?
Interessant is
in dat kader ook artikel 227a WvSr:
"Hij die,
anders dan door valsheid in geschrift, opzettelijk niet naar waarheid gegevens
verstrekt …".
Weliswaar ziet
dat artikel op het verstrekken van onware gegevens in het kader van het vaststellen
van een recht op een verstrekking of vergoeding, doch een analoge interpretatie
zou er toch toe kunnen leiden dat ook het zetten van een naam onder een stuk
dat niet van jou is, strafbaar wordt geoordeeld.
Een andere
mogelijkheid die het Wetboek van Strafrecht biedt om internetdelicten aan te
pakken, is de bepaling van artikel 326(b)Sr: oplichting en bedrog.[123]
Voor wat betreft het scriptieplagiaat biedt artikel 326 WvSr geen soelaas. Er
wordt immers geen 'valse naam' aangenomen. Discutabel is wellicht of er geen
'valse hoedanigheid' wordt aangenomen; de student wil door zijn naam onder de
scriptie te plaatsen het immers doen voorkomen als hij de auteur is.
In reactie op
de artikelen van Talsma en Vriesendorp[124]
zijn de pijlen in dit onderzoek echter gericht op artikel 326b WvSr: bedrog.
Talsma meent dat artikel 326b WvSr niet van toepassing kan zijn aangezien dat
artikel "uitdrukkelijk in het teken van de commercie staat".
Deze stelling is er kennelijk met de haren bijgesleept. Van enige commerciële
achtergrond blijkt immers niets uit het relevante eerste lid van dat artikel:
"Met
gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of een geldboete van de vijfde
categorie wordt gestraft:
1°: hij die op
of in een werk van letterkunde, wetenschap, kunst of nijverheid valselijk enige
naam of enig teken plaatst, of de echte naam of het echte teken vervalst, met
het oogmerk om daardoor aannemelijk te maken, dat dat werk zou zijn van de hand
van degene wiens naam of teken hij daarop of daarin aanbracht;".
Talsma leest
kennelijk meer in dit eerste lid, dan ik. Zijn stelling, dat het scharen van
scriptieplagiaat onder dit artikel een onaanvaardbare oprekking van artikel 326b
Sr zou betekenen, verdient mijns inziens enige heroverweging. Het oprekken van
een bepaling zonder commerciële tint tot een bepaling met uitdrukkelijke
commerciële inslag, neigt mijns inziens in ieder geval naar oprekking.
Wellicht is het
ook mogelijk voor strafrechtelijke vervolging van internetplagiaat aansluiting
te zoeken bij andere 'internetmisdrijven', zoals bijvoorbeeld het verspreiden
van kinderporno via het internet of het publiceren en/of verspreiden van
discriminerende teksten. De Roos, Schuijt & Wissink noemen dergelijke
internetmisdrijven vormen van zogeheten 'uitingsdelicten', waartoe ook
belediging en opruiing worden gerekend, evenals alle overige uitingen die
vanwege hun inhoud strafbaar zijn.[125]
Internetplagiaat bij scripties kan mijns inziens echter niet tot deze categorie
delicten worden gerekend, de inhoud van de scriptie is immers niet strafbaar,
althans daar wordt in het kader van dit onderzoek niet van uitgegaan.
Naast
uitingsdelicten op het internet onderscheiden De Roos, Schuijt & Wissink
ook nog zogeheten 'informatiedelicten' op het internet. Daartoe rekenen zij
handelingen met betrekking tot het openbaren, opslaan, bewerken, raadplegen,
gebruiken en transporteren van informatie, die strafbaar zijn gesteld, ongeacht
de inhoud. Als voorbeeld van een informatiedelict noemen zij schending van
auteursrechten. Deze insteek, aansluiting bij internetmisdrijven, brengt
derhalve geen nieuwe inzichten. De (on)mogelijkheden van vervolging op grond
van het auteursrecht is reeds beschreven in paragraaf 5.1.1..
5.1.4. Overig
Na een eerste
inventarisatie lijken het auteurs-, privaat- en strafrecht de universiteiten
weinig houvast te bieden plagiërende studenten te vervolgen. Een laatste
'redmiddel' is misschien de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk
onderzoek.[126]
Artikel 7.12
lid 4 van die wet luidt als volgt:
"De
examencommissie stelt regels vast met betrekking tot de goede gang van zaken
tijdens de tentamens en met betrekking tot de in dat verband te nemen
maatregelen. Die maatregelen kunnen inhouden dat in het geval van fraude door
een student door de examencommissie, gedurende een door de examencommissie te
bepalen termijn van ten hoogste één jaar, aan die student het recht wordt
ontnomen een of meer daarbij aan te wijzen tentamens of examens aan de
instelling af te leggen. De examencommissie kan aan de examinatoren richtlijnen
en aanwijzingen geven met betrekking tot de beoordeling van degene die het
tentamen aflegt en met betrekking tot de vaststelling van de uitslag van het tentamen".
De meest
vergaande maatregel die universiteiten op grond van deze bepaling kunnen
treffen is het aan een frauderende student -daaronder wordt ook plagiaat
gerekend- ontnemen van het recht om gedurende maximaal één jaar één of meer
tentamens of examens af te leggen. Deze maatregel is door de meeste
universiteiten overgenomen in hun examen- en onderwijsreglement.[127]
Vriesendorp[128]
meent dat deze straf te beperkt is en zou graag zien dat het strafrecht -als
ultimum remedium- kan worden betrokken bij het bestrijden van plagiaat in het
onderwijs.[129] Ook zou
hij graag zien dat de universiteit de bevoegdheid heeft een student, die bij
herhaling wordt betrapt op plagiaat of fraude, van de universiteit kan worden
verwijderd.[130] Voorlopig
hoeven studenten die maatregel nog niet te vrezen, het ontbreekt de
universiteiten aan wettelijke mogelijkheden daartoe.
5.2. Internationaal
Zien we op
nationaal niveau met name dat de wet- en regelgeving nog niet aan het internet
is aangepast, op internationaal niveau is daarentegen al wel ingespeeld op de
ontwikkelingen rondom het internet. Zo beoogt het door de WIPO geïnitieerde
Auteursrechtverdrag dat in 1997 werd gesloten, de rechten van
auteursrechthebbenden, en auteurs voor zover deze geen rechthebbende zouden
zijn, op het internet zoveel mogelijk te beschermen.
De volgende 2
paragrafen staan in het teken van het auteursrecht en privaatrecht in
internationaal opzicht, in 5.2.3. wordt op de fair use- bepaling ingegaan. De
bedoeling van deze paragrafen is slechts in het kader van het onderzoek een
eerste indruk te geven van de ontwikkelingen op internationaal rechtsgebied.
Met e.e.a. wordt dan ook zeker niet gepretendeerd een volledige opgave van het
toepasselijke internationaal recht te doen.
5.2.1. Auteursrecht
Voor wat betreft
een internationale beschouwing van het auteursrecht, haak ik aan bij het
onderscheid dat Hugenholtz maakt in twee 'auteursrechtfamilies'.[131]
De ene
'familie' haakt als het ware aan bij het 'droit d'auteur', in Frankrijk en België
ook wel 'droit moral de l'auteur' genoemd. Met name de Fransen en Belgen zien
het auteursrecht voornamelijk als een 'moreel' recht; de maker van het werk
dient te kunnen (blijven) beschikken en beslissen over het gebruik van zijn
werken.[132] Deze auteursrechtfamilie,
waarbij naast Frankrijk en België, onder andere ook Duitsland, Spanje, Italië
en Nederland aansluiting vinden, leggen het accent duidelijk op de maker van
het werk. De rechtsstelsels van deze landen kennen ook allen een
onvervreemdbaar persoonlijkheidsrecht; ongeacht of bepaalde rechten worden
overgedragen, de oorspronkelijke maker van het werk blijft bepaalde rechten
immer behouden.[133]
De rechtvaardigheid ten opzichte van de maker van een werk staat bij deze
rechtsstelsels voorop. Vanuit die optiek wordt ook gewerkt met een gesloten
stelsel van beperkingen.
De andere
auteursrechtfamilie wordt gevormd door rechtsstelsels die het auteursrecht meer
pragmatisch benaderen. Zij zijn dan ook niet gefocust op de maker van een werk,
maar op de rechthebbende van een werk. Het is dan ook niet de rechtvaardigheid
die in deze stelsels voorop staat, maar de economische doelmatigheid.
Dergelijke stelsels ziet men bijvoorbeeld in Engeland, Canada, Australië en de
Verenigde Staten. De auteursrechten berusten op grond van deze stelsels bij
degene die aantoont eigenaar te zijn, ongeacht of deze een creatieve rol heeft
gespeeld bij de totstandkoming van het werk. Het grootste verschil ten opzichte
van de andere rechtsstelsels is wel dat er wordt gewerkt met een ruim stelsel
van beperkingen. In de Verenigde Staten wordt het stelsel van beperkingen
samengevat onder de noemer 'fair use'.[134]
Aan het fair use-beginsel wordt in paragraaf 5.2.3. uitgebreid aandacht
geschonken.
Op een auteursrechtinbreuk met een internationaal karakter, waarvan bij
inbreuken via het internet veelal sprake zal zijn, is artikel 47 Aw van
toepassing, welk artikel bepaalt dat de (Nederlandse) Auteurswet van toepassing
is op alle werken die zijn uitgegeven in Nederland en daarnaast op alle werken
van Nederlandse auteurs. Tevens zijn de Berner Conventie en de Universele
Auteursrecht Conventie van toepassing.[135]
Zij voorzien in het beschermen van buitenlandse werken van buitenlandse
auteurs. In principe komt op grond van deze bepalingen bescherming toe middels
het nationale recht van het land van oorsprong. Auteurs krijgen dus als het
ware een bundel nationale auteursrechten, bestaande uit evenveel rechten als er
landen zijn aangesloten bij de betreffende conventie.[136]
Dat dit soms tot onduidelijke situaties kan leiden, doordat de nationale wetten
onderling nogal verschillen, is er de reden voor geweest dat de Europese
Gemeenschap dit probleem in ieder geval voor de Europese situatie tracht te
verminderen door het uitvaardigen van de Richtlijn harmonisatie auteursrecht in
de informatiemaatschappij, kortweg: Harmonisatierichtlijn.[137]
De ontwikkeling van de (digitale) informatiemaatschappij heeft namelijk
nieuwe vragen doen rijzen omtrent de productie, beschikbaarheid en
toegankelijkheid van informatie. De Richtlijn beoogt -ter uitvoering van het
WIPO Auteursrechtverdrag- het auteursrecht aan die ontwikkeling aan te passen,
waardoor het ook in een digitale omgeving evenwichtige oplossingen kan bieden.
Het belangrijkste doel van de Harmonisatierichtlijn is het opheffen van
auteursrechtelijke drempels voor de totstandkoming van een interne markt door
middel van harmonisatie van bepaalde aspecten van materieel auteursrecht in de
nationale auteurswetten. De belangrijkste onderwerpen zijn de definitie van de
uitsluitende rechten (reproductierecht, recht van mededeling aan het publiek en
distributierecht), het uitputtingsbeginsel, de toegelaten beperkingen en de
bescherming van technische voorzieningen. Opvallend is dat artikel 5 van de
Harmonisatierichtlijn voorziet in een limitatieve lijst van beperkingen op het
auteursrecht. De bres die de Hoge Raad met het Dior/Evora-arrest[138]
in het gesloten systeem van wettelijke beperkingen geslagen had[139],
lijkt daarmee weer te zijn hersteld.[140]
De
Harmonisatierichtlijn zal al met al waarschijnlijk geen fundamentele wijziging
van de Nederlandse Auteurswet tot gevolg hebben. Het thans voorliggende
wetsvoorstel[141] behelst in
ieder geval wél een verschuiving van de balans tussen belangen en rechten van
auteursrechthebbenden en die van gebruikers van hun werken, in het voordeel van
de auteursrechthebbenden.
De problematiek ten aanzien van het internetplagiaat door studenten zal
echter ook door deze ontwikkelingen nog niet de kop in kunnen worden gedrukt,
de universiteiten zijn immers geen auteursrechthebbenden en hebben dus ook in
internationaal opzicht weinig mogelijkheden om het internetplagiaat bij
scripties te vervolgen.
5.2.2. Privaatrecht
Zoals in de
vorige paragraaf al is besproken, spelen handelingen op het internet zich, vanwege
de structuur van het internet, vaak af in een internationale context. Het
internationaal privaatrecht zal dan ook bij specifieke problemen omtrent het
internet een rol spelen.
Als
bijvoorbeeld een Nederlandse student voor zijn scriptie een werk kopieert van
een Engelse schrijver, welk werk op een Italiaanse website stond gepubliceerd,
rijzen direct een aantal vragen in het kader van het internationaal
privaatrecht:[142]
1. Welke rechter
is bevoegd?
2. Welk recht moet
de rechter toepassen?
3. Welke
maatregelen kan de rechter treffen?
Indien de
inbreukmaker in Nederland woont of zijn verblijfplaats heeft, is de Nederlandse
rechter bevoegd.[143]
Op grond van de
EEX-Verordening[144]
is, indien de woonplaats van de inbreukmaker niet bekend is, de rechter bevoegd
van de staat waar de internetprovider gevestigd is, of de rechter van de staat
waar de inbreukmakende informatie op het internet is geplaatst of de rechter
van de staat waar de inbreukmakende informatie op het internet verspreid cq.
beschikbaar is.[145]
Vooreerst zal
dan middels de in paragraaf 5.2.1. besproken conventies bescherming worden
gezocht. Kan op grond van deze internationale auteursrechtconventies geen
toepasselijk recht worden bepaald, dan zijn de algemene bepalingen van het
internationaal privaatrecht van toepassing. Een inbreuk op een intellectueel
eigendomsrecht is conform het internationaal privaatrecht te beschouwen als een
onrechtmatige daad. Vervolgens komt men dan terecht bij het conflictenrecht van
de betreffende staten. In Nederland geldt het zogeheten lex loci
delicti-beginsel, dat inhoudt dat het recht van toepassing is van het land waar
de onrechtmatige daad plaatsvindt (waar de inbreukmakende informatie dus op het
internet is geplaatst cq. op de server staat).[146]
Indien echter de gevolgen van dergelijke handelingen enkel en alleen in een
ander land hun uitwerking hebben, geldt het recht van dat betreffende land. Een
probleem waar men vooral bij het internet tegenaan loopt, is dat inbreukmakende
handelingen via het internet veelal in veel verschillende landen hun uitwerking
hebben.
Voor deze problematiek is nog geen
oplossing gevonden. In haar zogeheten Groenboek 'Copyright
and Related Rights in the Information Society'[147] heeft de
Europese Commissie voorgesteld om het recht van het land waar de informatie
zijn oorsprong vindt, van toepassing te verklaren.
Maar wat als op enig moment niet is
vast te stellen waar de oorsprong zit, of als de provider niet kan worden
gevonden? Kortom: het internationaal privaatrecht zit voor wat betreft auteursrechtinbreuken
via het internet, nog vol gaten.
Voor wat
betreft de tenuitvoerlegging van een Nederlands vonnis lijkt de
internetproblematiek wel goed afgedekt. Een vonnis met extraterritoriale
werking zorgt ervoor dat een Nederlands vonnis in het buitenland ten uitvoer
kan worden gelegd, zodat niet in ieder afzonderlijk land een aparte procedure
dient te worden gevoerd.[148]
Echter, inbreukmakende handelingen in het ene land hoeven niet automatisch ook
in een ander land als inbreukmakend te worden gekwalificeerd. Daarmee zal bij
de tenuitvoerlegging van een vonnis rekening gehouden dienen te worden, omdat
anders inbreukmakende informatie van het internet wordt verwijderd zonder
geldige rechtsgrond.
In het
hypothetische geval dat de inbreukmaker niet gevonden kan worden, omdat hij
diens werk anoniem op het internet publiceert, zullen rechthebbenden hun pijlen
vaak richten op de internetprovider. Die kan immers veel gemakkelijker gevonden
worden. Bijkomend voordeel voor de rechthebbende is dat de internetprovider
waarschijnlijk meer verhaal zal bieden dan de daadwerkelijke inbreukmaker. Voor
wat betreft de aansprakelijkheid van de internetprovider op grond van het
Nederlandse recht, wordt verwezen naar paragraaf 5.1.1., waar de Scientology
Church/XS4all-kwestie reeds is besproken.
Van belang om
de aansprakelijkheid van de provider vast te stellen, is de mate waarin hij
bemoeienis heeft gehad met, cq. wetenschap heeft gehad van, het inbreukmakende
materiaal dat door zijn gebruiker op het internet wordt verspreid. Indien de
provider weet of moet vermoeden dat er sprake is van auteursrechtinbreuken, en
hij nalaat daartegen maatregelen te treffen, is de provider wel degelijk
aansprakelijk.[149] Indien
echter een provider niet wist en ook niet behoorde te weten van de inbreukmakende
handelingen, gaat deze vrijuit.[150]
Waar voor gewaakt moet worden, is de providers op de stoel van de rechter te
plaatsen door providers zelf te laten beslissen of bepaalde uitingen op het
internet inbreukmakend zijn, en zo ja, hen deze informatie van het internet te
laten verwijderen. Een provider komt hierdoor tussen haar afnemers te staan,
die verlangen dat bepaalde informatie via de provider op het internet wordt
aangeboden, en derden die menen dat bepaalde informatie inbreukmakend is. De branchevereniging
van Nederlandse internetproviders heeft er bij de overheid dan ook op
aangedrongen -met het oog op rechtszekerheid- hierin een sturende rol te gaan
spelen.[151]
Ook het
internationaal privaatrecht biedt de universiteiten weinig soelaas. Indien in
een internationale plagiaatsituatie zou komen vast te staan dat de Nederlandse
rechter bevoegd is en het Nederlandse recht dient te worden toegepast, dan komt
men uit bij het Nederlandse conflictenrecht, meer specifiek bij de
onrechtmatige daad. De problematiek voor universiteiten voor vervolging van de
plagiërende student op grond van een onrechtmatige daad is in paragraaf 5.1.2.
uitvoerig behandeld.
5.2.3. Fair use
Ook in de
Verenigde Staten (verder: "VS") kent men het systeem dat
auteursrechten automatisch ontstaan. Registratie van auteursrechten is niet
vereist, maar wordt zeker wel aanbevolen. In de VS zijn twee soorten
omstandigheden denkbaar waarin het kopiëren cq. gebruiken van
(auteursrechtelijk beschermde) werken zonder meer is toegestaan.[152]
Enerzijds zijn
dat een aantal algemene uitzonderingen, zoals werken uit het publiek domein
(bv. wetten. In Nederland geldt die exceptie overigens ook, deze is neergelegd
in art. 11 Aw.), ideeën, feiten en/of het overnemen van zeer kleine delen van
auteursrechtelijk beschermde werken.
Anderzijds kent
men in de VS het zogeheten 'fair use'-beginsel. Indien er sprake is van 'fair
use' van auteursrechtelijk beschermde werken, is er geen sprake van inbreuk.
Fair use is een beginsel dat reeds sinds lange tijd gebezigd wordt (de eerste
uitspraak dateert uit 1841) en dan ook stevig verankerd is in de Amerikaanse
rechtspraak.[153] Het
beginsel is onafhankelijk van techniek, medium en werk gedefinieerd, waarmee
het dus altijd direct bruikbaar is in relatie tot nieuwe ontwikkelingen.
Voor de
beoordeling van 'fair use' zijn een viertal elementen van belang:
1. Heeft het
gebruik een commercieel of non-profit doel; wordt het overgenomen werk
commercieel ingezet of bijvoorbeeld voor het onderwijs gebruikt? Hoe
commerciëler het doel, hoe minder 'fair' het gebruik.
2. Aard van het
gekopieerde werk; betreft het overgenomen werk feiten of fictie? Hoe minder
feiten, hoe minder 'fair' het gebruik (feiten zijn vaak openbaar toegankelijk,
fictie juist niet).
3. Het percentage van
het overgenomen deel t.o.v. het complete werk; is slechts 5% van het origineel
overgenomen of maar liefst 60%? Hoe meer overgenomen, hoe minder 'fair' het
gebruik.
4. Het effect van
het overgenomen werk voor de oorspronkelijke auteursrechthebbende; neemt door
het overgenomen werk de aandacht voor zijn werk af? Hoe meer effect, hoe minder
'fair' het gebruik.
Van groot
belang wordt tevens geacht of het oorspronkelijke werk slechts wordt gekopieerd
('reproductief gebruik') of zodanig wordt bewerkt dat weliswaar geen nieuw
auteursrechtelijk beschermd werk ontstaat, maar feitelijk wel een ander werk
dan het oorspronkelijke werk ('transformatief gebruik'). Een voorbeeld van het
laatste gebruik is een parodie. Hoe meer veranderingen ten opzichte van het
originele werk, dus hoe meer transformatie van dat werk, hoe minder snel er
sprake is van inbreuk, maar juist van 'fair use' van het oorspronkelijke werk.[154]
Na 'weging' van
een bepaald gebruik van een auteursrechtelijk beschermd werk aan de hand van
vorenstaande factoren, kan een rechter alle vermeende
auteursrechtinbreuken beoordelen. Vanwege de diversiteit van de
'wegingsfactoren' zal de rechter ook tot een weloverwogen oordeel kunnen komen.
Een uitschieter pro of contra fair use, zal niet direct tot het oordeel leiden
dat er juist wel of geen sprake is van fair use. Een voorbeeld ter
verduidelijking: indien er helemaal geen effect wordt gesorteerd voor de
oorspronkelijke maker, maar 100% van het werk is overgenomen en het betreft
puur fictie, kan een rechter toch beslissen dat dit specifieke gebruik niet als
fair use te kwalificeren valt, ook al ontbreken dus de eventuele nadelige
effecten voor de auteursrechthebbende. Middels het fair use-principe kan iedere
situatie separaat worden getoetst, er behoeft geen aansluiting te worden
gezocht bij specifieke beperkingen of soortgelijke gevallen. Meer flexibiliteit
voor de rechters derhalve. Een groot voordeel van dit principe is ook dat
diverse belangen worden meegewogen en niet slechts de (commerciële) belangen
van de auteursrechthebbende.
Het Nederlandse
systeem van een gesloten stelsel beperkingen heeft als praktisch nadeel dat als
gevolg van technologische ontwikkelingen de beperkingen niet meer helemaal
passend zijn en de rechter dus bepalingen gaat oprekken of aan openbaarmakingen
of verveelvoudigingen auteursrechtelijke bescherming eenvoudigweg ontzegt.[155]
Vanwege de vele
voordelen ten opzichte van ons huidige rigide systeem van wettelijke
beperkingen zijn er dan ook al diverse stemmen opgegaan een dergelijke open
norm ook in de Nederlandse Auteurswet in te passen.[156]
Ook de regering heeft in 1999 al verzocht een dergelijk principe aan de
Auteurswet toe te voegen. In een brief van de
Minister van Justitie en de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschappen aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal dd. 10
mei 1999[157] wordt (bij
de beleidsuitgangspunten onder 16) gesteld dat er:
"-naast de uitdrukkelijk geregelde beperkingen- behoefte bestaat aan
een auteursrechtelijke hardheidsclausule waaraan de rechter kan toetsen of in
een concreet geval voor een bepaalde vorm van gebruik inderdaad toestemming
nodig is gelet op doel en aard van dat gebruik, de aard van het beschermd
materiaal waarvan gebruik is gemaakt en de mate waarin dat gebruik de potentiële
markt beïnvloedt. De wet zal hiertoe moeten worden aangepast".
Ondanks deze
uitdrukkelijke wens van de regering heeft een Nederlandse 'fair use'-bepaling
het levenslicht nog niet gezien. Ook Wetsvoorstel 28482 van 22 juli 2002[158],
dat dient ter implementatie van de in paragraaf 5.2.1. besproken
Harmonisatierichtlijn, behelst nog geen open norm voor wat betreft de mogelijke
beperkingen van het auteursrecht. Voorlopig moeten de voorstanders dus nog enig
geduld betrachten.
Maar, enige
voorzichtigheid ten aanzien van een open norm is ook wel geboden. Fair use moet
er niet toe leiden dat er lukraak gekopieerd gaat worden, enkel omdat wordt
aangenomen dat zulks toch wel onder 'fair use' valt, of, zoals Mary Carter
omschreef, 'Fair use is no excuse'.[159]
Of een plagiaat-scriptie
als 'fair use' zou zijn aan te merken valt te betwijfelen. We lopen de
voorwaarden eens na. De plagiaat-scriptie wordt weliswaar niet direct
commercieel ingezet, doch er spelen voor de student bij het gebruik van het
beschermde werk duidelijk meer belangen dan louter een studiebelang. De student
heeft het beschermde werk niet alleen gekopieerd om te lezen, maar één op één
overgenomen in zijn eigen scriptie (klein minpunt voor 'fair use'). Veelal
betreft het bij een plagiaat-scriptie non-fictie (pluspunt voor 'fair use').
Het effect van de scriptie voor de oorspronkelijk auteursrechthebbende is
waarschijnlijk te verwaarlozen, de scriptie wordt enkel ten behoeve van de
studie ingezet (pluspunt voor 'fair use'). Afhankelijk van de hoeveelheid die
van het oorspronkelijke werk is overgenomen, zal het plus-/minpunt voor wat
betreft de beoordeling van de kwantiteit en het onderscheid tussen reproductief
en transformatief gebruik bepalen of de plagiaat-scriptie uiteindelijk is aan
te merken als 'fair use' van het auteursrechtelijk beschermde werk.
Een beoordeling
van een bepaalde handeling aan de hand van de fair use-elementen zal er in het
algemeen sneller toe leiden dat die betreffende handeling geoorloofd is dan dat
binnen een gesloten systeem van beperkingen het geval zou zijn. De fair
use-bepaling biedt immers meer ruimte voor excepties dan het huidige
Nederlandse pakket van beperkingen biedt. Het gebruik van een fair use-bepaling
leidt tot een brede afweging van belangen, terwijl de Nederlandse beperkingen
vrijwel uitsluitend zijn gericht op de belangen van auteursrechthebbenden.
Indien op grond
van deze beoordeling inderdaad tot de conclusie wordt gekomen dat een
plagiaat-scriptie inbreuk maakt op auteursrechten, dan komen we bij de problematiek
die al eerder is besproken, namelijk dat de universiteit daar zelf relatief
weinig tegen kan doen. De universiteit is geen auteursrechthebbende en kan
slechts via de onrechtmatige daad plagiërende studenten aanpakken.
5.3. Conclusie
Gerbrandy omschreef
het zo mooi: "Het auteursrecht staat voortdurend in de steigers".[160]
Dat dat ook anno 2003 nog een actuele kreet zou zijn, had hij in 1992
misschien niet eens voorzien. Maar Gerbrandy heeft inderdaad nog steeds gelijk,
het auteursrecht dient steeds weer te worden aangepast aan nieuwe
ontwikkelingen. Ook ten gevolge van de revolutie die het internet veroorzaakt,
dient het auteursrecht te worden aangepast.
Een doorn in
het oog van universiteiten is met name plagiaat bij scripties dat dankzij de
mogelijkheden die het internet biedt, een enorme vlucht heeft genomen. Dat
plagiaat dient te worden bestreden is inmiddels wel duidelijk. Duidelijk is
tevens dat daarbij meer belangen spelen dan slechts geldelijke belangen.
Universiteiten zijn erop gebrand goede studenten af te leveren, maar door de
mogelijkheden van het internet dreigen teveel studenten via eenvoudige knip- en
plaktechnieken hun wetenschappelijk niveau te 'bewijzen'. Gezocht moet worden
naar oplossingen!
De nationale
wettelijke regels lijken niet direct geschikt om internetplagiaat te
bestrijden. Het auteursrecht biedt universiteiten weinig soelaas omdat zij geen
auteursrechthebbende zijn en dus niet door de Auteurswet worden beschermd. Ook
het privaatrecht biedt weinig houvast, slechts via de onrechtmatige daad kan de
universiteit haar belangen 'beschermen'. Een probleem daarbij is echter het
vaststellen van de schade. Welke schade berokkent een plagiërende student de
universiteit? Een vertrouwensbreuk of misschien een slechte naam als bekend wordt
dat het wel erg eenvoudig is om op die universiteit af te studeren? Helaas is
het moeilijk deze schade te concretiseren. Universiteiten zijn dan ook veel
meer gebaat bij het voorkomen dan het bestrijden van plagiaat.
Het strafrecht
biedt misschien middels valsheid in geschrifte of bedrog een 'opening' om
plagiërende studenten strafrechtelijk te vervolgen. Maar is daarmee het
probleem opgelost? Feitelijk niet, het Openbaar Ministerie heeft een
vervolgingsmonopolie en het is dan ook maar zeer de vraag of een plagiërende
student, zonder direct commercieel doel, strafrechtelijk zal worden vervolgd.
Een concretere
mogelijkheid om universiteiten een stok in handen te geven om plagiaat uit te
roeien is de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. Het
pakket van maatregelen dat universiteiten bij 'calamiteiten' mag treffen, zou
kunnen worden uitgebreid. Thans is de meest vergaande maatregel uitsluiting van
één of meerdere vakken voor maximaal één jaar. Wellicht zou een ingrijpender
maatregel, misschien zelfs verwijdering van de universiteit, in ieder geval
meer preventieve werking sorteren.
Door het
internationale karakter van het internet is bij inbreukmakende activiteiten
overigens niet altijd zonder meer vast te stellen welke rechter en welk
rechtsstelsel van toepassing is; het internationale recht is daartoe
ontoereikend. Veelal resulteert dit erin dat rechthebbenden zich in meerdere
landen tot de rechter dienen te wenden. De respectievelijke rechters dienen
vervolgens creatief om te gaan met het nationale recht omdat ook dat feitelijk
onvoldoende op internetproblemen is toegespitst. Wat immers te doen indien
bepaalde informatie naar het nationale recht van de verspreider op het internet
is toegestaan, maar die informatie naar ander nationaal recht niet ontvangen
mag worden (bv. porno)?[161]
Er moeten derhalve maatregelen getroffen worden om internationale verschillen
te minimaliseren. Maar een te streng internationaal handhavingsbeleid kan er
echter weer toe leiden dat de free flow of information, hét grote voordeel van
het internet, wordt ingedamd. Er dient dan ook een creatieve manier te worden
gevonden waarop rechthebbenden voldoende bescherming wordt geboden, maar de
informatievrijheid niet in een keurslijf belandt. Een 'fair use'-bepaling zoals
deze in de VS wordt gehanteerd, lijkt daarvoor geknipt.
Plagiaat is een
aangelegenheid van universiteiten zelf en de aanpak kan dan ook het beste
binnen de muren van de universiteit worden gezocht. Strengere interne
maatregelen zullen de plagiaatproblematiek niet doen oplossen, maar er zal toch
altijd een preventieve werking van uitgaan.
Wellicht moet
een oplossing ook niet zozeer worden gezocht in handhaving middels het recht
als wel in handhaving middels technische voorzieningen. Aan deze mogelijkheid
is het volgende hoofdstuk gewijd.
6. Technische handhaving
"De
techniek staat voor niets!?"
Ondanks diverse
wetten en regelingen blijven er lekken bestaan in de bescherming van
auteursrechtelijke werken. Het blijkt noodzakelijk de juridische bescherming te
verstevigen door technische maatregelen. Een mogelijkheid zou kunnen zijn
auteursrechtelijk beschermde werken technisch te beschermen en slechts onder
voorwaarden, bijvoorbeeld tegen betaling, beschikbaar te stellen. De
beschikbaarheid en toegankelijkheid van informatie zou hierdoor echter ernstig
in het gedrang kunnen komen. Gezocht moet derhalve worden naar evenwichtige
oplossingen. Auteurs moeten worden beschermd, maar informatie moet daarentegen
niet volledig worden afgeschermd.
Zoals Charles
Clark in 1994 zei: "The answer to the machine is in the machine".[162]
Hij meent dat werken naar hun aard nu eenmaal bedoeld zijn om gebruikt te
worden en je moet je dan ook niet afvragen hoe je de toegang kunt blokkeren,
maar hoe je de toegang en het gebruik kunt registreren cq. controleren.
Dit hoofdstuk
is gericht op middelen en methoden om het ongeoorloofd en/of onrechtmatig
gebruik van auteursrechtelijk beschermde werken te voorkomen en op te sporen.
6.1. Analoge versus digitale omgeving
Het grote
verschil tussen de analoge en digitale omgeving is dat plagiaat in de analoge
omgeving veel meer inspanningen vergde van de plagiator dan in de digitale
omgeving. In de analoge omgeving moesten over te nemen stukken tekst eerst
handmatig worden gezocht en vervolgens worden overgeschreven of overgetypt.
Het ontdekken
van plagiaat was in de analoge omgeving eveneens een tijdrovende klus en
berustte veelal op toeval. Bij het beoordelen van scripties waren in dat kader
een aantal vragen relevant:
·
Is het taalgebruik daadwerkelijk afkomstig van de student?
·
Is de lay-out, stijl en het taalgebruik in de hele
scriptie consistent?
·
Loopt de scriptie in zijn geheel, of zijn het losse
stukken? Is er bijvoorbeeld geforceerd bijgestuurd om aan een bepaalde vraag
van de docent te voldoen?
·
Kloppen de paginanummers in de bronvermelding?
·
Is al het werk in de literatuurlijst ook daadwerkelijk in
de tekst aangehaald?
·
Is de literatuur waarnaar wordt verwezen beschikbaar in de
universiteitsbibliotheek?
·
Zijn het bekende of vreemde bronnen waarnaar wordt
verwezen?
·
Zijn er foutieve verwijzingen blijven staan uit de
gekopieerde tekst?
Plagiaat werd
in deze situatie slechts ontdekt indien de docent onvolkomenheden constateerde
in de scriptie -veelal voortvloeiende uit vorenstaande vragen- of er bij lezing
overeenstemming werd vermoed met teksten van anderen, en vervolgens de
originele werken daarop werden nageslagen. Zoals al gesteld, berustte
ontdekking van plagiaat veelal op toeval en was het vanwege het tijdrovende
karakter vrijwel onmogelijk alle scripties concreet op plagiaat te beoordelen.
Stel je eens voor dat bijvoorbeeld een docent van een Tilburgse student diens
scriptie, in de analoge omgeving, moet beoordelen op plagiaat. De inhoud van de
scriptie moet dan feitelijk worden vergeleken met in ieder geval alle
literatuur uit de literatuurlijst, en wellicht nog meer literatuur en overige
bronnen, met alle scripties van andere studenten van de Tilburgse universiteit
en met scripties van studenten van andere universiteiten. Kortom: onbegonnen
werk!
Was voor
plagiaat in de analoge omgeving nog wat energie van de student vereist, in de
digitale omgeving is het plegen van plagiaat kinderlijk eenvoudig geworden. Met
een zoekmachine zijn de gewenste teksten snel gevonden, even knippen en
plakken, en klaar is het eindproduct.
Het handhaven
van auteursrechten leek in de analoge omgeving, bij de introductie van kopieer-
en opnameapparatuur, aanvankelijk niet mogelijk, maar in de loop der tijd is
daar een oplossing voor gevonden in de vorm van de kopieervergoeding en heffing
op lege cassettebandjes. Handhaving via de portemonnee derhalve! Handhaving
dreigt met de komst van o.a. het internet wederom een probleem te worden, maar
ook nu lijkt de techniek weer bij te kunnen dragen aan de oplossing van het
handhavingsprobleem.
Technologische
ontwikkelingen leiden enerzijds tot steeds meer mogelijkheden om beschermde
werken te verspreiden, kopiëren, bewerken, etc., etc., maar de keerzijde van
deze ontwikkelingen is dat deze ook tot nieuwe handhavingsmogelijkheden leiden.[163]
Een aantal van
die ontwikkelingen zal in dit hoofdstuk worden besproken in paragraaf 6.2.. In
het bijzonder wordt aandacht besteed aan speciale plagiaat-detectiesoftware,
die in paragraaf 6.3. de revue passeert. Vanwege de bijzondere methoden die de
CODAS-software gebruikt zal deze in 6.4. apart worden toegelicht.
6.2. Technische bescherming
Technologische
ontwikkelingen, en met name het internet, hebben het makkelijker gemaakt
inbreuk te maken op auteursrechten. Diezelfde ontwikkelingen hebben het echter
ook mogelijk gemaakt dergelijke inbreuken op te sporen én zelfs ook te
voorkomen en/of bemoeilijken.
Rechthebbenden
kunnen een aantal technische maatregelen treffen teneinde hun werken te
beschermen:[164]
·
Wachtwoord:
Informatie kan worden voorzien van een bepaald wachtwoord. Alleen degene die
over dat wachtwoord beschikt, krijgt via het internet toegang tot bepaalde
informatie. Auteursrechthebbenden kunnen ervoor kiezen de wachtwoorden kosteloos
danwel tegen betaling te verstrekken.
·
Encryptie/Decoderen:
Leveranciers van informatie cq. auteursrechthebbenden kunnen informatie
versleutelen om deze zodoende voor onbevoegden onbruikbaar te maken. Alleen
degene die de juiste sleutel heeft, kan over de informatie beschikken. Ook voor
encryptie geldt dat auteursrechthebbenden ervoor kunnen kiezen de sleutel
kosteloos danwel tegen betaling te verstrekken. Een gelijksoortig systeem wordt
gebruikt bij satelliet-uitzendingen: alleen de bezitter van een decoder kan de
betreffende zender ontvangen.
·
Digitaal watermerk:
Een digitaal
watermerk is een voor de gebruiker van de informatie onzichtbare markering van
de auteursrechthebbende die aangeeft of de betreffende informatie authentiek
is, of een kopie van een origineel betreft. Veelal ontbreekt bij een kopie het
watermerk, of het watermerk geeft aan of het origineel is of niet.
·
Anti-kopieerprogramma:
Auteursrechthebbenden kunnen hun informatie ook beschermen door het kopiëren
ervan technisch onmogelijk te maken.
·
Identificatie:
Auteursrechthebbenden kunnen potentiële gebruikers van hun werken hun
identiteit laten prijsgeven, en daarnaast eventueel ook laten betalen, in ruil
voor het ter beschikking stellen van auteursrechtelijk beschermd werk.
·
Pay per use-systeem:
Bij een pay per
use-systeem wordt informatie pas beschikbaar gesteld nadat daarvoor is betaald.[165]
De informatie wordt tot het moment van betalen veelal afgeschermd door middel
van bijvoorbeeld een wachtwoord of sleutel.
·
Electronic Copyright Management Systeem (ECMS):
Een systeem
waarbij sprake is van volledig beveiligde distributie, beheer, controle en
afrekening van informatie wordt een ECMS genoemd. Met dergelijke systemen wordt
op het internet al wel wat geëxperimenteerd, maar het zal nog even duren
voordat er op grote schaal gebruik van wordt gemaakt. Een nadeel van een ECMS
is namelijk vooralsnog dat het systeem geen rekening houdt met wettelijk
toegestane beperkingen van de Auteurswet. Er kan nog geen onderscheid worden
gemaakt tussen gerechtvaardigde (bv. kopie t.b.v.
studie) en ongerechtvaardigde (bv. kopiëren met commercieel doel)
auteursrechtinbreuken. Dat ongemak zal eerst verholpen moeten worden, voordat
dergelijke systemen breed inzetbaar worden.
Een voordeel
van het technisch beschermen van auteursrechtelijk beschermde werken is
uiteraard dat kan worden voorkomen dat 'onbevoegden' toegang krijgen tot cq.
gebruik maken van beschermde werken, waardoor bijvoorbeeld inkomsten voor de
auteursrechthebbenden worden misgelopen.
Een nadeel van
dergelijke technische beschermingssystemen is echter dat deze moeilijk
waterdicht te maken zijn. Hackers weten deze systemen altijd weer te omzeilen,
een wachtwoord, sleutel of code kan worden gekopieerd of gekraakt. Een ander
nadeel is dat bij een systeem van gecontroleerde toegang, al dan niet tegen
betaling, auteursrechthebbenden met potentiële gebruikers moeten
'onderhandelen' over de toegang.
Een oplossing
voor dit probleem zou kunnen worden gevonden in een systeem van collectieve
handhaving door een speciale organisatie die zorgt voor de inning en
doorbetaling van vergoedingen. In Nederland kent men inmiddels een aantal van
dergelijke organisaties.[166]
Een organisatie cq. een dergelijk systeem bestaat echter nog niet voor
informatie die op het internet beschikbaar is. Als tijdelijke oplossing heeft
Buma/Stemra wel een regeling ingesteld voor het gebruik van muziekwerken op het
internet.[167] Wie muziek
op zijn (Nederlandse) site gebruikt, moet daarvoor een vergoeding betalen. Voor
andere digitale informatie ontbreken dergelijke voorzieningen vooralsnog.
Op het gebied
van de handhaving van rechten heeft Buma/Stemra overigens ook een Vaste
Commissie Plagiaat in het leven geroepen die op aanvraag van auteursrechthebbenden
(niet-bindende) adviezen verstrekt aan de Buma/Stemra voor wat betreft de te
innen vergoedingen.[168]
Deze adviezen worden door de Buma/Stemra opgevolgd totdat een rechter eventueel
anders heeft beslist. Ook op dat gebied kan een collectieve organisatie
derhalve haar diensten bewijzen.
Vorenstaande maatregelen maken het mogelijk dat auteursrechthebbenden het
verkeer op het internet[169]
of computers van individuele internet-gebruikers afspeuren op zoek naar
inbreukmakende handelingen cq. inbreukmakende werken.[170]
Vervolgens kan de inbreukmaker via de Auteurswet worden aangepakt.
Voormelde
technische beschermingsmaatregelen zijn een belangrijke aanvulling op de
bescherming die de Auteurswet rechthebbenden biedt. De auteursrechthebbenden
zijn echter niet snel tevreden, en thans wenst men ook nog eens bescherming van
de technische beschermingsmaatregelen. In Wetsvoorstel 28482[171]
dat dient ter implementatie van de in paragraaf 5.2.1. besproken
Harmonisatierichtlijn, is op aandringen van auteursrecht-hebbenden dan ook een
bepaling opgenomen terzake het omzeilen van technische voorzieningen (art.
29a): Degene die doeltreffende technische
voorzieningen omzeilt, of daartoe diensten verricht of inrichtingen, producten
of onderdelen vervaardigt, invoert, distribueert, verkoopt, verhuurt of
daarvoor adverteert, en dat weet of redelijkerwijs behoort te weten, handelt
onrechtmatig.
Waar voor moet
worden gewaakt, is dat technische beschermings-maatregelen wellicht verder gaan
dan in het kader van de Auteurswet gewenst is. Immers, bepaalde handelingen
(bv. kopie t.b.v. studie) zijn op grond van de wet toegestaan. Vergaande
maatregelen zouden kunnen verhinderen dat dergelijke handelingen nog uitgevoerd
kunnen worden. Het evenwicht dat in de analoge situatie altijd heeft bestaan
tussen enerzijds rechthebbenden en anderzijds eindgebruikers, zou daarmee
ernstig verstoord kunnen raken. De nog te ontwikkelen technische maatregelen
moeten daar wellicht alsnog mogelijkheden toe bieden, danwel moeten de
strafrechtelijke bepalingen ten aanzien van het omzeilen van dergelijke
maatregelen voor legitieme doeleinden een uitzondering maken. In de
Harmonisatierichtlijn[172]
is daarin al voorzien; in artikel 6 wordt gesproken over 'passende
maatregelen'. Deze maatregelen hoeven derhalve niet persé strafrechtelijk te
zijn, en er mogen kennelijk excepties gemaakt worden. Op deze wijze kunnen ook
de belangen van eindgebruikers worden beschermd.
6.3. Plagiaat-detectiesoftware
De in de
voorgaande paragraaf beschreven technische maatregelen bieden universiteiten,
ondanks de mogelijkheden en voordelen, echter nog steeds geen wapen in de
strijd tegen plagiaat. Weliswaar wordt het door dergelijke maatregelen voor
studenten moeilijker auteursrechtelijk beschermde werken te kopiëren, het gevaar
blijft bestaan dat studenten teksten van elkaar en van derden gebruiken en voor
eigen werk laten doorgaan.
Speciaal voor
deze problematiek is zogeheten plagiaat-detectiesoftware ontwikkeld die het
mogelijk maakt plagiërende studenten te ontmaskeren. Moesten vroeger twee
scripties nog één op één naast elkaar gelegd worden om vast te stellen of er
overeenkomsten waren, tegenwoordig is de computer daarbij een onmisbaar
hulpmiddel; speciale software detecteert automatisch overlappende teksten.
6.3.1. Doel
Het doel van
plagiaat-detectiesoftware is heel simpel het vaststellen van plagiaat, althans
het blootleggen van een vermoeden dat er plagiaat in het spel is. De
plagiaat-detectiesoftware kan worden ingezet om teksten te controleren op mogelijk
plagiaat. Het beoordelen en vaststellen of er inderdaad sprake is van plagiaat
blijft voorbehouden aan de docent. De software kan wel indiceren, echter niet
identificeren. Dat het mogelijk is dat twee teksten erg veel op elkaar lijken
maar desalniettemin beiden origineel zijn, zal duidelijk worden bij de
toelichting op plagiaat-detectiesoftware in paragraaf 6.3.2..
Zoals meermaals
in deze scriptie naar voren is gekomen, is plagiaat een doorn in het oog van
universiteiten. Cijfers of statistieken over plagiaatgevallen zijn niet bekend.
Welke universiteit maakt immers dergelijke situaties graag openbaar? Aangenomen
mag echter wel worden, gezien het aantal publicaties van diverse
universiteiten, dat plagiaat een probleem is waar iedere instelling mee kampt.
Niet alleen is plagiaat onwenselijk ten opzichte van de rechthebbenden, een
groter probleem waar de universiteiten mee worstelen is dat plagiërende
studenten in de kern hun wetenschappelijke titel niet waardig zijn. Met name
vanuit die gedachte wordt plagiaat bestreden.
Het doel van de
plagiaat-detectiesoftware is in een breder kader dan ook universiteiten een
middel in handen te geven teneinde scripties (maar uiteraard ook andere
schriftelijke stukken) van studenten te controleren op authenticiteit en
zodoende de maatschappij te behoeden voor wetenschappers die slechts bedreven
zijn in het knippen en plakken van teksten via het internet. In hoeverre is het
werk dat door de student als zijn werk wordt gepresenteerd, ook daadwerkelijk
uit diens hoed afkomstig?
6.3.2. Methoden
Er zijn
inmiddels verschillende soorten plagiaat-detectiesoftware op de markt.
Specifiek voor de controle van scripties op plagiaat door universiteiten dienen
dergelijke systemen -in de meest optimale situatie- in twee dimensies controles
te kunnen uitoefenen. Scripties dienen enerzijds te worden vergeleken met
scripties van andere studenten (van de eigen universiteit, danwel landelijk,
misschien zelfs mondiaal) en scripties dienen anderzijds te worden vergeleken
met (auteursrechtelijk beschermde) teksten van anderen op het internet.
De zoekmethode
die de diverse programma's hanteren is verschillend. Alvorens daarop nader in
te gaan, zal de meest bekende plagiaat-detectiesoftware kort worden beschreven:[173]
·
EVE2 (Essay Verification Engine):[174]
De Amerikaanse
EVE2-software vergelijkt ingevoerde teksten met sites op het internet. Na de
controle wordt per ingevoerde tekst een rapport afgegeven met een overzicht van
het aantal 'hits' (overeenkomsten met teksten op het internet), met een kleur
wordt aangegeven welke stukken tekst zijn overgenomen van het internet en er
wordt met een percentage aangegeven hoeveel procent van de ingevoerde tekst
bestaat uit overnames uit andere teksten.
·
Urkund:[175]
Het werk dat een student naar de docent stuurt, wordt eerst automatisch
gecontroleerd door de Zweedse Urkund-software. Het werk wordt opgeslagen in een
database en vergeleken met alle andere documenten in die database, het
internet, paper-mills, digitaal beschikbare auteursrechtelijk beschermde
werken, krantenartikelen, encyclopedieën, etc.. Urkund stuurt het document
vervolgens, tezamen met een overzicht van eventuele overeenstemming
(woordsimilariteit) met andere documenten, door naar de docent. Ruim 600
instellingen maken inmiddels gebruik van Urkund, drie Nederlandse
universiteiten starten waarschijnlijk binnenkort. Het doel van Urkund is de
standaard worden voor Europese instellingen.
·
WCopyfind:[176]
De WCopyfind-software, ontwikkeld door de universiteit van Viriginia, kan
slechts documenten onderling met elkaar vergelijken op overeenstemmende
combinaties van woorden. Dit product is geschikt om bijvoorbeeld alle
opdrachten van studenten van één cursus met elkaar te vergelijken.
·
EduTie:[177]
Edutie is een Amerikaans product dat ingezonden scripties vergelijkt met bronnen
op het internet, met name bestanden van paper-mills, en vervolgens met kleuren
aangeeft hoe groot de kans is dat bepaalde teksten zijn overgenomen van het
internet.
·
Plagiserve:[178]
Plagiserve is een uit Oekraïne afkomstig product dat, evenals Edutie, ingezonden
scripties vergelijkt met bronnen op het internet, waaronder vele paper-mills,
maar evenzo met de inmiddels opgebouwde database van ingezonden stukken. Met
een percentage, en met kleuren, wordt aangegeven hoe groot de kans is dat er
plagiaat is gepleegd.
·
Turnitin:[179]
Turnitin (turn it in) is een product dat oorspronkelijk is ontworpen door de
universiteit van Berkeley (Californië) en dat thans in meer dan 50 landen wordt
gebruikt. De naar Turnitin verzonden documenten worden opgeslagen in een database
en worden vergeleken met alle overige documenten in die database (zijnde alle
documenten die eerder al ter controle aan Turnitin zijn verzonden, op piekdagen
zijn dat er 20.000 per dag!), het internet, en met een database met miljoenen
publicaties (tijdschriftartikelen, kranten, boeken, etc.).
·
Pl@giarism:[180]
Pl@giarism is een door een docent van de Universiteit Maastricht ontwikkeld
product dat bestanden onderling met elkaar vergelijkt en in een percentage
uitdrukt hoe groot de kans op plagiaat is. De vergelijking vindt plaats aan de
hand van overeenstemmende combinaties van woorden en aan de hand van het aantal
woorden dat in meerdere bestanden voorkomt.
·
PEACH/vs (Programming Education And Contest
Hosting/Verification System):[181]
Het door de Technische Universiteit Eindhoven ontwikkelde systeem helpt
docenten bij het nakijken van programmeeropdrachten. De opdrachten die de
studenten aan de docent verzenden, worden eerst gecontroleerd door het
PEACH-programma teneinde te verifiëren of aan de minimumeisen van de opdracht
is voldaan, voordat het naar de docent wordt doorgezonden en door deze wordt
beoordeeld. Het programma controleert tevens of programmeercodes van andere
studenten zijn overgenomen. Een dergelijk specifiek software-programma heeft
ook de University van Berkeley ontwikkeld onder de naam MOSS (measure of
software similarity).[182]
·
Ferret:[183]
Ferret is plagiaat-detectiesoftware, ontwikkeld door de universiteit van
Hertfordshire (Groot Britannië), die werkstukken onderling met elkaar
vergelijkt aan de hand van combinaties van drie opeenvolgende woorden. Het
totaal aantal gecontroleerde werkstukken wordt gerangschikt naar gelang de
meeste overeenstemming met andere werkstukken is geconstateerd.
·
Codas (Computer Ondersteund Document Analyse Systeem):[184]
De door de
Erasmus Universiteit Rotterdam ontwikkelde CODAS-programmatuur bestaat uit twee
modules, een nakijkmodule, waarmee documenten worden gerangschikt naar gelang
ze het meest op voorbeeld-documenten lijken en het minst op tegen-voorbeelden, en
een fraudecheck-module, waarmee de similariteit tussen documenten wordt
bepaald. De CODAS-programmatuur wordt inmiddels al vele jaren (sinds begin
jaren '90), naar tevredenheid, gebruikt in diverse instellingen in binnen- en
buitenland.[185]
De methoden waarop
vorenstaande plagiaat-detectiesoftware documenten zoekt en vergelijkt is heel
divers. Overeenkomsten en verschillen zijn er op meerdere fronten:
·
Locatie van de controle:
Bepaalde
software wordt, al dan niet tegen betaling, ter beschikking gesteld van een
onderwijsinstelling die de controles daarna binnen het eigen
computersysteem/-netwerk kan uitvoeren. Andere programma's worden niet ter
beschikking gesteld, maar die organisaties voeren de controle zelf uit nadat
scripties digitaal zijn aangeleverd, danwel door de studenten danwel door de
onderwijsinstellingen. Deze organisaties bieden niet de specifieke software
aan, maar een dienst om scripties te controleren op plagiaat.
·
Gehanteerde controlemethode:
Er kan gewerkt
worden met de systematiek van een zoekmachine, waarbij gezocht wordt naar
overeenstemmende combinaties van opeenvolgende woorden (bijvoorbeeld een
combinatie van zes opeenvolgende woorden). Ook is het mogelijk dat gezocht
wordt naar overeenstemmende woorden, ongeacht de volgorde waarin zij voorkomen
in de tekst.
·
Rapportage na controle:
Ook de
rapportage is heel verschillend. Sommige producten laten per document met een
kleur zien welke delen overeenkomen met andere bronnen, al dan niet voorzien
van een link naar die betreffende bronnen. Andere producten geven per document
met een percentage of getal aan hoe groot de kans is dat in dat betreffende
document geplagieerde tekst voorkomt. Een opsomming van documentenparen die de
meeste overeenstemming vertonen is ook een wijze van presenteren van de
onderzoeksresultaten, evenals statistieken, etc., etc..
De pakketten
zijn vanwege deze verschillen onderling niet gemakkelijk met elkaar te
vergelijken. Zo lopen ook de prijzen voor de software nogal uiteen; het ene
product is gratis, voor het andere moet diep in de buidel worden getast. De
keuze voor een bepaald product zal dan ook sterk worden bepaald door het doel
dat met de software wordt beoogd. Is het uitgangspunt het voorkomen dat
studenten met elkaar samenwerken cq. werk van elkaar overnemen, danwel dat
vastgesteld moet worden of werken van derden zijn gebruikt. Bij een keuze
spelen daarnaast uiteraard de specifieke voor- en nadelen van de betreffende
software mee. Deze worden in de volgende paragraaf toegelicht.
6.3.3. Voor- en nadelen
De in deze
paragraaf opgenomen bespreking van de voor- en nadelen van de in het
voorafgaande genoemde plagiaat-detectiesoftware vindt uiteraard slechts plaats
in het kader van dit onderzoek en dient dan ook geplaatst te worden in het
licht van een algemene beschouwing.[186]
Een nadeel van
alle systemen is dat er slechts een indicatie aan kan worden ontleend dat er
mogelijkerwijs sprake is van plagiaat. Geen enkel systeem kan teksten namelijk
inhoudelijk beoordelen. De systemen geven ieder op eigen wijze een beoordeling
van de kans dat er plagiaat is gepleegd, handmatig dient vervolgens te worden
beoordeeld of dat ook inderdaad het geval is, of dat er wellicht andere
factoren een rol spelen. Plagiaat-detectiesoftware is dan ook niet meer dan een
tijdbesparend hulpmiddel voor docenten, het is geen wondermiddel dat
plagiërende studenten automatisch ontmaskert, het geeft slechts een vermoeden
weer.
Een nadeel van
een systeem dat werkt met het vergelijken van combinaties van opeenvolgende woorden
is dat studenten die teksten goed kunnen herschrijven, met een dergelijk
systeem niet altijd worden ontmaskerd. Als je immers weet dat het systeem
alleen 'piept' als overeenstemmende combinaties van zes woorden zijn gevonden,
zorg je er simpelweg voor dat je alle zinnen zodanig herschrijft dat er steeds
maximaal vijf opeenvolgende woorden in beide documenten voorkomen.
Als er
daarentegen wordt gecontroleerd op kleinere woordenparen, bijvoorbeeld drie
opeenvolgende woorden, komen er automatisch erg veel overeenkomsten naar voren.
De kans dat drie opeenvolgende woorden in meerdere documenten voorkomen, is
immers aanzienlijk groter dan de kans dat zes opeenvolgende woorden in meerdere
documenten voorkomen.
Een nadeel, of
misschien beter gezegd een beperking, van de plagiaat-detectiesoftware is dat
geen rekening wordt gehouden met bronvermeldingen. Een student die in zijn
scriptie veel materiaal gebruikt van bijvoorbeeld het internet, wordt bij een
controle als mogelijke plagiator bestempeld. Indien die student echter correct
en volledig zijn bronnen heeft vermeld, is er geen sprake van plagiaat. Indien
een tweede student toevalligerwijs veel dezelfde bronnen heeft gebruikt, maar
desalniettemin een uniek werk ten opzichte van zijn collega-student heeft geproduceerd,
komen zij ook in relatie tot elkaar als plagiatoren naar voren. Bij een
handmatige controle dient de docent hiervan goede nota te nemen. Deze
problematiek speelt uiteraard slechts indien literatuuronderzoek, en dus ook de
correcte verwijzing, een wezenlijk onderdeel uitmaakt van een opdracht, zoals
dat vooral het geval is bij werkstukken van rechtenstudenten. Deze zijn immers
veel meer dan studenten van exacte wetenschappen, waar de nadruk ligt op
empirisch onderzoek, aangewezen op literatuuronderzoek.
Een nadeel van
een aantal producten is dat documenten slechts vergeleken worden met informatie
op het internet of met andere documenten in een database. Door het zoekgebied
op deze wijze te beperken, is de kans nog steeds aanwezig dat studenten
plagiaat plegen. Maar zoals al gezegd, dit is ook afhankelijk van het
specifieke doel dat met een bepaalde controle wordt beoogd. Het meest
uitgebreid, en daardoor met de kleinste kans op plagiaat, is uiteraard een
systeem dat zowel het internet meeneemt in de controle, alsook digitale
publicaties, paper-mills, werkstukken van collega-studenten, etc., etc..
Een vraag die
naar aanleiding van het onderzoek is gerezen, is of de aandacht niet teveel is
komen te liggen op controle aan de hand van digitale werken. Kruipt de student
die plagieert van analoog werk, dat niet tevens digitaal beschikbaar is, door
de mazen van dergelijke systemen? Waarschijnlijk is bij de ontwikkeling van
deze software hieraan voorbijgegaan omdat plagiëren van analoog werk voor de student
nu eenmaal veel omslachtiger is dan knippen en plakken via het internet, en
daarnaast het aanbod van digitale bestanden explosief groeit.
Een algemeen
nadeel van plagiaat-detectiesoftware is ook dat de frauderende student die een
ander zijn scriptie laat schrijven, welke scriptie vervolgens geen geplagieerd
werk behelst, niet door de mand valt. Een dergelijke controle, of degene die
een bepaald stuk inlevert ook daadwerkelijk de auteur is, zou mogelijkerwijs
wel gerealiseerd kunnen worden indien gedurende de gehele studie alle digitale
werkstukken van een student centraal (in een portfolio) worden opgeslagen.[187]
Bij iedere controle van een nieuw stuk kan dit worden vergeleken met de eerdere
stukken van die student, zodat kan worden beoordeeld of de schrijfstijl en het
woordgebruik consistent is.
Een probleem
dat uiteraard aan alle systemen, analoog danwel digitaal, kleeft is de
beoordeling van het plagiaat an sich. Stel er zijn overeenkomsten ontdekt.
Wanneer spreek je dan van plagiaat, bij 5% overeenstemming of pas bij 40%
overeenstemming met andere teksten? Of indien het 'nieuwe' werk voor 20% uit
overgenomen werk bestaat, of pas indien het voor 50% uit overgenomen werk
bestaat?
Naast een
aantal nadelen, kleven er aan plagiaatdetectie-systemen uiteraard ook vele
voordelen. Die conclusie volgt automatisch uit de snelheid waarmee dergelijke
producten op de markt verschijnen. Het merendeel van de besproken systemen
dateert van na 2000.
Een groot
voordeel dat alle besproken systemen genereren, is dat studenten zich bewust
worden van de mogelijkheden die de techniek, en in het bijzonder internet, niet
alleen hen biedt, maar ook de onderwijsinstellingen. Van de
plagiaat-detectiesoftware gaat dan ook een sterke preventieve werking uit. De
kans gesnapt te worden door het systeem, weerhoudt in ieder geval een deel van
de studenten van het plegen van plagiaat, een ander deel van de studenten
gelooft pas in het systeem na minstens één keer gesnapt te zijn. Daadwerkelijke
cijfers zijn niet bekend, maar bij onderwijsinstellingen die met
plagiaat-detectiesoftware werken, leeft in ieder geval de overtuiging dat het
aantal plagiaatgevallen hierdoor aanzienlijk is afgenomen.[188]
De systemen die het elektronisch ontsluiten en beschikbaar stellen van
scripties bewerkstelligen, leveren in ieder geval een substantiële
ondersteuning van het onderwijs. Het is daarmee voor het eerst dat scripties
van verschillende universiteiten onderling vergeleken kunnen worden. De meest
gemakkelijke vorm van plagiaat, het één op één overnemen van een scriptie van
een iemand van een andere universiteit, wordt daarmee snel uitgebannen. Ook kan
door het elektronisch ontsluiten van scripties worden bewerkstelligd dat een
scriptie van de ene student een andere student uitnodigt tot het doen van nader
onderzoek. Ook in die zin wordt een bijdrage geleverd aan (de kwaliteit van)
het onderwijs. Vermoedelijk zal ook de wetenschap bij studenten dat een
scriptie openbaar gepubliceerd wordt, aanzetten tot het afleveren van
kwalitatief betere scripties.
Ondanks het nadeel dat de software slechts in indicaties of vermoedens
resulteert, de tijdwinst die hiermee wordt geboekt is immens. De docent hoeft
immers nu niet meer alle documenten in zijn geheel door te nemen om vast te
kunnen stellen of er plagiaat is gepleegd, de software geeft alvast aan jegens
welke scripties wel en geen vermoedens bestaan. De functionaliteit die bepaalde
systemen vervolgens bieden, het aangeven van de links waar het overeenstemmende
werk is gevonden of het met kleuren aangeven van de overeenstemmende
tekstgedeelten, levert wederom een aanzienlijke tijdsbesparing op.
6.3.4. CODAS-software
Niet alle
systemen zijn even nauwkeurig in de controle cq. vergelijking van documenten.
De wijze waarop en nauwkeurigheid waarmee de CODAS-software documenten met
elkaar vergelijkt, steekt met kop en schouders boven de andere systemen uit.[189]
Het grote voordeel van de CODAS-software is dat niet alleen bepalend is hoe
vaak een bepaald woord in meerdere documenten voorkomt, maar in zekere zin ook
hoe waarschijnlijk dat is. Zoals al gemeld houdt de CODAS-software rekening met
de similariteit tussen documenten.
Met de
similariteit wordt bedoeld de mate waarin twee documenten voor wat betreft hun
vorm en de woordtypen waaruit zij zijn opgebouwd, met elkaar overeenstemmen.
Bij een controle van documenten wordt niet alleen rekening gehouden met het
aantal keren dat een bepaald woordtype voorkomt, maar ook met het 'gewicht' van
die woordtypen. Een woordtype dat vaak voorkomt heeft een zeer laag gewicht
(bijvoorbeeld het woord 'de'), een woordtype dat minder vaak voorkomt heeft een
hoog gewicht (bijvoorbeeld het woord 'mogelijkerwijs').
Daarnaast wordt
niet alleen beoordeeld welke woordtypen in beide documenten voorkomen, maar ook
welke woordtypen ontbreken in relatie tot andere documenten uit dezelfde
beoordeling. Indien bij 50 documenten in 48 documenten een bepaald woord wel
voorkomt, maar in twee documenten niet, dan is dat een indicatie voor plagiaat.
Aan het niet gebruiken van een bepaald woordtype wordt derhalve eveneens een
bepaald gewicht toegekend.
Aan de hand van
deze afzonderlijke 'gewichten' kan steeds tussen twee documenten een
vergelijking worden gemaakt en worden bepaald hoe waarschijnlijk het is dat er
in het ene document ten opzicht van het andere document plagiaat is gepleegd.
Deze waarschijnlijkheid wordt weergegeven in een fraudescore, die loopt van 1
tot 10.000. Hoe hoger de uitkomst, hoe meer overeenkomsten tussen twee
documenten en hoe groter dus het vermoeden dat er iets aan de hand is.
Handmatig kan de docent vervolgens de documentenparen met de hoogste scores
vergelijken.
Het bijzondere
van de CODAS-software is dat ook trucs die worden gebruikt om het systeem te
omzeilen, zoals bijvoorbeeld het 'vertalen' van een tekst met behulp van
synoniemen of het 'omgooien' van de tekst zodat op het oog een nieuwe tekst
ontstaat, worden doorzien. Ook al zijn teksten op deze wijze bewerkt, dan nog
resulteren dergelijke teksten in een hoge fraudescore.
Ook voor de
CODAS-software geldt uiteraard weer dat het resultaat van de controle slechts
een verdenking aangeeft van plagiaat. Handmatig dient altijd te worden
beoordeeld of die automatisch gegenereerde verdenking terecht is.
6.4. Conclusie
Zoals in het
vorige hoofdstuk al werd geconcludeerd, is plagiaat een aangelegenheid van
universiteiten zelf en kan een oplossing voor deze problematiek het beste
binnen de muren van de universiteit worden gezocht. Aangezien de universiteiten
wettelijk weinig houvast hebben om daadwerkelijk tegen plagiatoren op te
treden, is in dit hoofdstuk onderzocht of, en zo ja welke, technische
mogelijkheden er zijn om plagiaat de kop in te drukken.
De digitale
omgeving, die veel technologische ontwikkelingen met zich heeft gebracht, heeft
het enerzijds gemakkelijker gemaakt plagiaat te plegen, anderzijds hebben deze
ontwikkelingen het ook mogelijk gemaakt de beschikbaarheid en/of
toegankelijkheid van informatie te beschermen. Auteursrechthebbenden hebben er
uiteraard alle belang bij het gebruik van hun werken op het internet aan banden
te leggen danwel daarvoor een vergoeding te vragen, voorkomen moet echter
worden dat het auteursrecht hiermee verwordt tot een soort toegangsrecht
waarbij bepaald wordt wie op het internet toegang krijgt tot welke informatie,
en niet langer meer wat wel en niet mag met de informatie die beschikbaar is.
Informatie moet immers in de kern beschikbaar blijven voor het publiek.
De in paragraaf
6.2. beschreven technische maatregelen geven auteursrechthebbenden een uitgebreide
set gereedschappen in handen om hun werken op het internet te beschermen. Deze
mogelijkheden bieden echter geen oplossing voor de plagiaatproblematiek van de
universiteiten, die niet als rechthebbende haar werken wil beschermen maar wil
voorkomen dat studenten via het internet plagiaat plegen.
Gelukkig staat
de techniek voor niets en speciaal voor de plagiaatproblematiek van
universiteiten is zogeheten plagiaat-detectiesoftware ontwikkeld die het
mogelijk maakt plagiërende studenten op eenvoudige wijze te ontmaskeren. Er
zijn inmiddels verscheidende producten op de markt, in de kern hebben zij
hetzelfde doel: het vaststellen van plagiaat.
Tot het
daadwerkelijk automatisch vaststellen van plagiaat is het in de praktijk nog
niet gekomen. De plagiaat-detectiesoftware resulteert, ieder via een eigen
zoekmethode en zoekgebied, in een vermoeden van plagiaat. Een handmatige
controle door de docent is tenslotte vereist om te beoordelen of er in een
bepaald geval inderdaad sprake is van plagiaat.
Ondanks de
nadelen en beperkingen van een aantal beschreven producten, resulteren alle
plagiaatprogramma's in dezelfde voordelen: de tijdwinst voor docenten is
aanzienlijk en het feit dat scripties worden opgenomen in een openbare database
zal bijdragen aan de kwaliteit van het onderwijs. Niet alleen kan uit deze
scripties worden geput ten behoeve van latere scripties, de wetenschap dat een
scriptie openbaar gepubliceerd wordt zal studenten waarschijnlijk aanzetten tot
betere resultaten.
En ook al is de
plagiaat-detectiesoftware nog niet uitontwikkeld, en ook al zijn de resultaten
niet altijd conform een handmatige controle, het allergrootste voordeel dat met
dergelijke software tot op heden is behaald, is dat er een afschrikkende,
preventieve werking van uitgaat. De wetenschap dat een scriptie wordt
vergeleken met scripties van anderen, met teksten op het internet en met
auteursrechtelijk beschermde publicaties weerhoudt het gros van de studenten
van het knippen en plakken en zet aan tot eigen prestaties.
7. Conclusies en aanbevelingen
Plagiaat is een
probleem. Dat is het altijd al geweest en dat zal waarschijnlijk ook wel zo
blijven. De digitalisering van informatie en zeker ook de mogelijkheden die het
internet thans biedt, hebben geleid tot een oneindige kopieerbaarheid en
manipuleerbaarheid van auteursrechtelijk beschermde werken. De laatste jaren
lijkt er als gevolg van deze ontwikkelingen een toename te zijn van het aantal
plagiaatgevallen. Met name universiteiten zitten inmiddels met de handen in het
haar. Studenten plegen op grote schaal en met grote regelmaat plagiaat, zelfs
in de laatste fase van hun studie bij het samenstellen van de scriptie.
Universiteiten
staan hiermee voor een groot probleem. Plagiërende studenten zijn het niet
waard een wetenschappelijke titel te behalen, de mogelijkheden om daartegen
iets uit te richten zijn echter beperkt. De universiteiten zijn immers geen
auteursrechthebbenden en kunnen op grond van het auteursrecht dan ook weinig
aan het plagiëren doen. Het privaatrecht biedt via de onrechtmatige daad een
handvat om studenten aan te pakken, het grootste probleem daarbij is het
vaststellen en concretiseren van de geleden schade. Ook het strafrecht biedt
maar weinig houvast plagiaat effectief te bestrijden. Op grond van de Wet op
het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek kunnen de universiteiten
thans de betreffende studenten slechts een jaar studievertraging bezorgen,
strengere maatregelen biedt die wet vooralsnog niet.
Deze
problematiek is aanleiding geweest voor het onderhavige onderzoek. De rode
draad in dit onderzoek is geweest, de vraag of nieuwe copy-paste mogelijkheden
noodzaken tot het toevoegen van een internetplagiaat-bepaling aan de
Auteurswet, of dat van plagiaat-detectiemogelijkheden voldoende preventieve
werking uitgaat?
Technologische
ontwikkelingen hebben het studenten mogelijk en makkelijk gemaakt om via het
internet scripties te produceren. Vrij eenvoudig kan via via of uit een
speciale paper-mill een interessante scriptie worden betrokken, die vervolgens
na wat aanpassingen als eigen werk wordt gepresenteerd. Ook is het mogelijk met
geringe inspanningen via knip- en plaktechnieken uit teksten van anderen op het
internet een scriptie samen te stellen en deze vervolgens wederom als eigen
product presenteren. Via welke weg of methode dan ook, het is kinderspel om met
gebruikmaking van het internet een belangrijk en intensief studie-onderdeel te
reduceren tot wat knip- en plakwerk.
Echter, ieder
voordeel heeft een nadeel, en zo is het ook met de onbegrensde mogelijkheden
van het internet. Het internet leek even een walhalla voor luie of in tijdnood
verkerende studenten, echter dat blijkt een utopie. Het internet biedt namelijk
als geen ander medium auteursrechthebbenden en, voor het geval het om scripties
gaat ook docenten, de mogelijkheid eindelijk iets tegen plagiaat te kunnen
ondernemen.
Niet alleen is
het mogelijk auteursrechtelijk beschermde werken ook daadwerkelijk te
beschermen, door dergelijke teksten bijvoorbeeld te coderen of te voorzien van
digitale watermerken, geavanceerde plagiaat-detectiesoftware heeft het mogelijk
gemaakt plagiërende studenten eindelijk te ontmaskeren.
Afhankelijk van
de software die gebruikt wordt, kan een bepaalde scriptie worden vergeleken met
scripties van anderen in een scriptiedatabase -een interne controle als het
ware-, of met diverse bronnen op het internet -een externe controle-. Voor wat
betreft de interne controle, steekt de zoekmethode van de CODAS-software qua
functionaliteit en betrouwbaarheid met kop en schouders boven de andere
producten uit. Deze software baseert een eventueel vermoeden van plagiaat niet
alleen op het aantal woorden dat in een scriptie overeenstemt met andere
teksten, maar ook op de woordtypen die overeenstemmen. Zijn het bijvoorbeeld slechts
algemene woorden die overeenstemmen, of zijn het specifieke, weinig voorkomende
woorden die in meerdere teksten zijn gebruikt. De nauwkeurigheid waarmee
vervolgens een vermoeden van plagiaat wordt berekend, zal de plagiërende
studenten doen sidderen. Iedere vorm van plagiaat ten opzichte van andere
scripties -hoe ingenieus op het eerst gezicht ook- wordt met behulp van deze
software ontdekt.
Plagiaat vindt
echter op een breder terrein plaats, veel wordt door studenten ook gekopieerd
van het internet. Voor het vergelijken van scripties met bronnen op het
internet zijn diverse producten en diensten beschikbaar. Een aantal
organisaties verkoopt software waarmee instellingen zelf scripties aan een
controle kunnen onderwerpen, andere organisaties bieden geen software aan doch
een dienst om ingezonden scripties te vergelijken met o.a. bronnen op het
internet. De rapportage die uit de controle voortvloeit geeft aan met welke
bronnen overeenstemmingen zijn gevonden, veelal uitgedrukt in percentages.
De systematiek
van plagiaat-detectiesoftware staat feitelijk nog in de kinderschoenen en dient
nog verder te worden geperfectioneerd en uitgebouwd. Een onmiskenbaar voordeel
dat echter reeds met de huidige software is geboekt, is dat er een
afschrikkende, preventieve werking van uitgaat. De wetenschap dat een scriptie
wordt vergeleken met scripties van anderen, met teksten op het internet en met
auteursrechtelijk beschermde publicaties, weerhoudt de meeste studenten wel van
knip- en plakwerk.
Plagiaat kan op
diverse manieren bestreden worden, zeer effectief met behulp van de besproken
plagiaat-detectiesoftware, maar ik heb niet de ijdele hoop dat plagiaat ooit
volledig voorkomen danwel uitgebannen zal kunnen worden.
Plagiaat-detectiesoftware
is een hulpmiddel dat universiteiten kunnen inzetten in hun strijd tegen
plagiaat, het is echter geen wondermiddel. Ook de onderwijsmethodiek, met name
in de laatste fase van een studie, kan plagiaat voorkomen en kan tevens
bijdragen aan kwalitatief betere prestaties van studenten. Meer bewustwording
creëren bij studenten en meer begeleiding tijdens het schrijfproces zijn
daarbij van onmiskenbare betekenis. Als extra stok achter de deur is er altijd
nog de mogelijkheid strengere maatregelen te treffen indien er daadwerkelijk plagiaat
wordt gepleegd.
Zoals in de
inleiding al gesteld, en zoals ook uit het onderzoek volgt, het mes van de
ongekende mogelijkheden van het internet snijdt inderdaad van twee kanten. Door
technologische ontwikkelingen is het plegen van plagiaat toegenomen. Dezelfde
ontwikkelingen hebben er echter tevens voor gezorgd dat plagiaat eenvoudig is
te traceren. De wetenschap daarvan bij studenten heeft inmiddels al geleid tot
verbluffende resultaten.
De nieuwe
copy-paste mogelijkheden van het internet noodzaken dan ook zeker niet tot het
toevoegen van een internetplagiaat-bepaling aan de Auteurswet; van
plagiaat-detectiemogelijkheden gaat voldoende preventieve werking uit!
8. Literatuur
Alberdingk
Thijm 1998
Chr.A. Alberdingk
Thijm, 'Fair use: het auteursrechtelijk evenwicht hersteld', Informatierecht/AMI
1998, nr. 9, p. 145-154.
Alberdingk
Thijm 2001
Chr.A.
Alberdingk Thijm, Privacy vs. auteursrecht in een digitale omgeving,
ITeR-reeks nr. 49, Den Haag: Sdu Uitgevers 2001.
Algra &
Gokkel 2001
N.E. Algra
& H.R.W. Gokkel, Verwijzend en verklarend juridisch woordenboek,
Groningen: Martinus Nijhoff 2001.
Van Bruggen,
Van Dun & De Lange 1998
R.D. van
Bruggen, H.A.A.. van Dun & E. de Lange, Juridische aspecten van de informatievoorziening,
Schoonhoven: Academic Service 1998.
Brunt e.a. 1996
G. Brunt e.a., Intellectueel
eigendom in digitaal perspectief: vormt intellectueel eigendomsrecht een
voorwaarde of belemmering voor de digitale maatschappij?, Alphen aan den Rijn:
Samsom Bedrijfsinformatie 1996.
Carter 1996
M.E. Carter, Electronic
Highway Robbery. An artist's guide to copyrights in the digital era,
Berkeley (VS): Peachpit Press 1996.
Clark 1996
Charles Clark,
‘The answer to the Machine is in the Machine’, in: P.B. Hugenholtz, The
Future of Copyright in a Digital Environment, The Hague/London/Boston:
Kluwer Law International 1996, p. 139-145.
Combrink-Kuiters
e.a. 2000
C.J.M.
Combrink-Kuiters e.a., Computer-ondersteund nakijken van open vragen. Een
onderzoek naar de betrouwbaarheid en gebruiksvriendelijkheid van de CODAS
software., Meppel: Edu'Actief 2000.
Dijkhuis e.a.
1997
J.J. Dijkhuis
e.a., Leiden in last, De zaak-Diekstra nader bekeken, Rijswijk: Elmar
1997.
Dommering 1994
E.J. Dommering,
'Het auteursrecht spoelt weg door het elektronisch vergiet', Computerrecht
1994, nr. 3, p. 109-113.
Van Empel &
Geerts 2002
G. van Empel
& P.G.F.A. Geerts, Bescherming van de intellectuele eigendom,
Deventer: Kluwer 2002.
Geerts &
Heestermans 1984
G. Geerts &
H. Heestermans (red.), Van Dale Groot woordenboek der Nederlandse taal,
Utrecht: Van Dale Lexicografie 1984.
Gerbrandy 1992
S. Gerbrandy, Auteursrecht
in de steigers, Arnhem: Gouda Quint 1992.
Gielen &
Verkade 1998
Ch. Gielen
& D.W.F. Verkade (red.), Intellectuele eigendom, Tekst en commentaar,
Deventer: Kluwer 1998.
Gotzen 1996
F. Gotzen, Belgisch
auteursrecht van oud naar nieuw, Brussel: Bruylant 1996.
Hugenholtz 2000
P.B.
Hugenholtz, 'Internet is geen vrijplaats voor piraten', De Journalist,
nr. 17, 22 september 2000, p. 39-41.
Joosen 1985
A. Joosen, Het
plagiaat, Eindexamenscriptie Universiteit van Tilburg (CBM B 34574).
Klaver 2003
M. Klaver,
'Hooggeleerd plagiaat', NRC Handelsblad 23 juni 2003, p. 10.
Koelman 1998
K.J. Koelman, 'Wat
niet weet, wat niet deert: civielrechtelijke aansprakelijkheid van de
provider', Mediaforum 1998/4, p. 204-213.
Van
Kolfschooten 1993
F. van
Kolfschooten, Valse vooruitgang. Bedrog in de Nederlandse wetenschap,
Amsterdam: Uitgeverij L.J. Veen 1993.
Van Lingen 2002
N. van Lingen, Auteursrecht
in hoofdlijnen, Groningen: Martinus Nijhoff 2002.
De Roos,
Schuijt & Wissink 1996
T. de Roos, G.
Schuijt & L. Wissink 1996, Smaad, laster, discriminatie en porno op het
internet, ITeR-reeks nr. 2, Alphen aan den Rijn: Samsom Bedrijfsinformatie
1996.
Schellekens
1999
M. Schellekens,
Strafbare feiten op de elektronische snelweg, ITeR-reeks nr. 13,
Deventer: Kluwer 1999.
Senftleben 2003
M. Senftleben,
'Beperking à la carte: Waarom de Auteursrechtrichtlijn ruimte laat voor fair
use', Informatierecht/AMI 2003, nr.1, p. 10-14.
Spoor &
Verkade 1993
J.H. Spoor
& D.W.F. Verkade, Auteursrecht. Auteursrecht en naburige rechten,
Deventer: Kluwer 1993.
Van der Steur
2003
J.C. van der
Steur, Grenzen van rechtsobjecten. Een onderzoek naar de grenzen van
objecten van eigendomsrechten en intellectuele eigendomsrechten, Deventer:
Kluwer 2003.
Talsma 2003
H.J.J. Talsma,
'Strafbaar plagiaat', Ars Aequi 2003, p. 102-104.
Verkade 1990
D.W.F. Verkade,
Intellectuele eigendom, mededinging en informatievrijheid, Deventer:
Kluwer 1990.
Verkoren 2000
L. Verkoren, Juridische
aspecten in de communicatie, Alphen aan den Rijn: Samsom 2000.
Visser 1996
D.J.G. Visser,
'Op de provider rust geen vergewissingsplicht', Mediaforum 1996/4, p.
61-62.
Vriesendorp
2003
R.D.
Vriesendorp, 'Strafbaar plagiaat; een reactie', Ars Aequi 2003, p.
288-290.
Wichers Hoeth
2000
L. Wichers
Hoeth, Kort begrip van het intellectuele eigendomsrecht, Amsterdam:
NautaDutilh 2000.
9. On-line bronnen
M. Arts &
B. Geus, 'Plagiarism Software Evaluation for ELEUM'.
On-line:
<http://www.fdewb.unimaas.nl/eleum/plagiarism/plagiarism.htm>
(geraadpleegd 2 september 2003).
N. Bakker,
'Nooit meer een tentamen leren: antwoorden per sms, 13 mei 2001.
On-line:
<http://www.edusite.nl/edusite/nieuws/1485> (geraadpleegd 6 augustus
2003).
E. Bertens, 'Harry, Tanja, Porri en Horry', 8 Weekly
Webmagazine, 11 april 2003.
On-line:
<http://www.8weekly.nl/features/tanjagrotter.php> (geraadpleegd 2
september 2003).
TU Delft, '
Kopiëren kan je de kop kosten'.
On-line:
<http://www.library.tudelft.nl/delftspecial/kopieren_tbm.pdf>
(geraadpleegd 22 augustus 2003).
S. Eijffinger,
'Elite universiteit zorgt voor gemotiveerde studenten', 13 maart 2003.
On-line:
<http://www.kub.nl/univers/nieuws/0203/23/eijffinger.html> (geraadpleegd
3 september 2003).
J. van Engen,
'Trend: online portfolio's voor studenten', 22 februari 2002.
On-line:
<http://www.edusite.nl/edusite/nieuws/10118?batchnr=299&batchsize=12>
(geraadpleegd 3 september 2003).
Examenreglement
Bacheloropleiding Fiscaal Recht Universiteit Leiden.
On-line:
<http://www.law.leidenuniv.nl/index.php3?c=141> (geraadpleegd 2 september
2003).
Examenreglement
Masteropleiding Rechtsgeleerdheid Erasmus Universiteit Rotterdam.
On-line:
<http://www.frg.eur.nl/onderwijs/pdf/OERmasteropleidingRechtsgeleerdheid2003.pdf>
(geraadpleegd 2 september 2003).
Examenreglement
2003-2004 Faculteit Rechtsgeleerdheid Universiteit van Tilburg.
On-line:
<http://www.uvt.nl/faculteiten/frw/onderwijs/meerinfo/reglement0304.pdf>
(geraadpleegd 26 augustus 2003).
J. Folkert,
'Plagiaat kan beperkt worden door betere begeleiding', 1 oktober 2002.
On-line:
<http://www.edusite.nl/edutrip2002/verslagen_strategie/11051> (geraadpleegd
2 september 2003).
Groenboek 'Copyright and Related Rights in the Information Society', COM(95) 382
final, 19 juli 1995.
On-line:
<http://www.ivir.nl/dossier/auteursrechtrichtlijn/COM(95)382final.doc>
(geraadpleegd 8 september 2003).
M. de Haas,
'Gratis scripties downloaden van internet', 25 april 2002.
On-line:
<http://www.uvt.nl/univers/nieuws/0102/29/scriptie.html> (geraadpleegd 6
augustus 2003).
Harmonisatierichtlijn,
PbEG 22-6-2001, L 167/10.
On-line:
<http://www.ivir.nl/wetten/eu/auteursrecht-richtlijn.html> (geraadpleegd
27 augustus 2003).
P.B.
Hugenholtz, 'Instituut voor Informatierecht (IVIR) Auteursrecht 2002-2003,
Hoorcollege 1'.
On-line:
<http://www.ivir.nl/onderwijs/auteursrecht/slides/ANR2002-hoorcollege1.ppt>
(geraadpleegd 30 augustus 2003).
P.B.
Hugenholtz, 'Instituut voor Informatierecht (IVIR) Auteursrecht 2002-2003,
Hoorcollege 2'.
On-line:
<http://www.ivir.nl/onderwijs/auteursrecht/slides/ANR2002-hoorcollege2.ppt>
(geraadpleegd 30 augustus 2003).
P.B. Hugenholtz,
'Het internet: het auteursrecht voorbij?', Preadvies Nederlandse
Juristen-Vereniging 1998.
On-line:
<http://www.ivir.publicaties/hugenholtz/preadvies.doc> (geraadpleegd 23
augustus 2003).
J. Jansen,
'Plagiaat in de periode 1500-1700'.
On-line:
<http://cf.hum.uva.nl/nhl/Pagina20%Jansen.html> (geraadpleegd 4 augustus
2003).
Kamerstukken Tweede Kamer 1998-99, 26 538, nr. 1, (Brief Minister
van Justitie en de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen aan
de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal dd. 10 mei 1999).
On-line:
<http://www.ivir.nl/dossier/auteursrechtrichtlijn/MvJ-brief_AR-richtlijn.pdf>
(geraadpleegd 28 augustus 2003).
Kamerstukken
Tweede Kamer 2001-2002, 28 482, nr. 1 (Wetsvoorstel 28 482).
On-line:
<http://www.justitie.nl/Images/11_14498.pdf> (geraadpleegd 27 augustus
2003).
Landelijke
Vereniging van Studieadviseurs, 'RUG neemt plagiaatscanner op in
examenreglement', 18 juni 2003.
On-line:
<http://www.lvsa.nl/aktueel.html> (geraadpleegd 2 september 2003).
L. Meertens,
'Frauderende student verwijderen van universiteit', 31 oktober 2002.
On-line:
<http://www.uvt.nl/univers/nieuws/0203/09/fraude.html> (geraadpleegd 2
september 2003).
R.V. de Mulder
& C. van Noortwijk, 'Computer ondersteunend nakijken van open vragen'.
On-line:
<http://www.surf.nl/download/toetsbundel.pdf> (geraadpleegd 25 augustus
2003).
Nederlandse
Vereniging van Journalisten, 'Soorten auteursrecht en gerelateerde begrippen'.
On-line:
<http://www.villamedia.nl/auteursrecht/home.htm> (geraadpleegd 2
september 2003).
Reactie NLIP op vragen van Ministerie van Justitie inzake
de implementatie van de richtlijn auteursrecht in de informatiemaatschappij.
On-line: <http://www.justitie.nl/themas/wetgeving/dossiers/auteursrecht/integrale_reacties/
NLIP_Branchevereniging_van_Nederlandse_Internetproviders.asp?ComponentID=7308&SourcePageID=7396>
(geraadpleegd 5 september 2003).
NRC
Handelsblad, 'Boek over journalistiek uit de handel wegens plagiaat, 5 augustus
1997.
On-line:
<http://www.nrc.nl/W2/Nieuws/1997/08/05/Med.03.html> (geraadpleegd 8
augustus 2003).
T. Oudejans
& C. van Noortwijk, 'Portfolio's voor scripties en andere
zelfwerkzaamheidsprojecten in het Juridisch Onderwijs'.
On-line:
<http://www.frg.eur.nl/lia/icto/projecten/rechtenonline/portfolios.pdf>
(geraadpleegd 2 september 2003).
E. van Outeren,
'Studenten spieken met mobieltjes', 10 februari 2003.
On-line:
<http://www.edusite.nl/edusite/nieuws/11655> (geraadpleegd 6 augustus
2003).
Plagiaat,
Faculteit der Letteren Rijksuniversiteit Groningen.
On-line:
<http://odur.let.rug.nl/projects/asv/docenten/studentschrijvers_begeleiden/
plagiaatdoc.htm>
(geraadpleegd 3 september 2003).
Plagiaat,
Fakulteit Lettere en Wysbegeerte Universiteit Stellenbosch.
On-line:
<http://www.sun.ac.za/journalism/plagiaat.html> (geraadpleegd 3 september
2003).
R. Rot,
'Electronic Plagiarism: Prevention, Deterrence, and Detection', 17 oktober
2002.
On-line:<http://www.edusite.nl/edutrip2002/verslagen_innovatie/11227>
(geraadpleegd 31 augustus 2003).
P. Ruis, 'De
geheimen van dr. X', 4 juli 2002.
On-line:
<http://www.e-learning.surf.nl/e-learning/artikelen/774> (geraadpleegd 6
augustus 2003).
J. Schaap, 'Australisch
onderzoek brengt grootschalig internetplagiaat aan het licht', 22 november
2002.
On-line:
<http://www.edusite.nl/edusite/nieuws/11405> (geraadpleegd 3 september
2003).
J. Schaap,
'Fraude met studiepunten via e-learning', 19 oktober 2002.
On-line:
<http://www.edusite.nl/edusite/nieuws/11242> (geraadpleegd 6 augustus
2003).
J. Schaap,
'Leidse rechtenfaculteit schakelt computer in bij nakijken tentamens', 14 april
2003.
On-line:
<http://www.edusite.nl/edusite/nieuws/11906> (geraadpleegd 2 september
2003).
G.A.I. Schuijt,
'Journalistieke ethiek en recht'.
On-line:
<http://www.ivir.nl/publicaties/schuijt/ethiek.doc> (geraadpleegd 2
september 2003).
Scriptiebrochure
Faculteit Rechtsgeleerdheid Vrije Universiteit Brussel.
On-line:
<http://www.vub.ac.be/RG/REGLEMENTEN/SCRIPTIEBROCHURE%2002-03%20times.pdf>
(geraadpleegd 3 september 2003).
Scripties
Online, Universiteit van Twente, Erasmus
Universiteit Rotterdam, Rijksuniversiteit Groningen.
On-line: <http://www.surf.nl/projecten/index2.php?oid=124>
(geraadpleegd 31 augustus 2003).
A. Sommer,
'Toename fraude beperkt zich tot economie, 7 september 2000.
On-line:
<http://www.observant.unimaas.nl/jrg19/obs22/art14.htm> (geraadpleegd 2
september 2003).
V. Strookman,
'Amerikaans hoger onderwijs strijdt tegen plagiaat met speciale software', 7
september 2001.
On-line:
<http://www.edusite.nl/edusite/nieuws/9279> (geraadpleegd 3 september
2003).
V. Strookman,
'Groninger universiteit wil plagiaat strenger aanpakken', 19 juli 2002.
On-line: <http://www.edusite.nl/edusite/nieuws/10756>
(geraadpleegd 2 september 2003).
V. Strookman,
'Plagiaat via internet', 12 augustus 2002.
On-line:
<http://www.edusite.nl/specials/10759> (geraadpleegd 3 september 2003).
V. Strookman,
'Stichting Brein wil speuren naar softwarepiraterij op alle universitaire
netwerken', 26 februari 2002.
On-line:
<http://www.edusite.nl/edusite/nieuws/10126> (geraadpleegd 6 augustus
2003).
V. Strookman,
'Twentse softwareboefjes krijgen waarschuwing, 15 februari 2002.
On-line: <http://www.edusite.nl/edusite/nieuws/10075>
(geraadpleegd 6 augustus 2003).
U-blad,
Weekblad van de Universiteit Utrecht, 'Plagiaat'.
On-line:
<http://ublad.warande.uu.nl/ubladen/33/09/08Varia.html> (geraadpleegd 2
september 2003).
Univers,
Weekblad van de Universiteit van Tilburg, 'Internetfraude op KUB onderzocht',
11 april 2002.
On-line:
<http://www.uvt.nl/univers/nieuws/0102/27/fraude.html> (geraadpleegd 3
september 2003).
Univers,
Weekblad van de Universiteit van Tilburg, 'Plagiaat en spieken strafrechtelijk
vervolgen', 17 oktober 2002.
On-line:
<http://www.uvt.nl/univers/nieuws/0203/08/fraude.html> (geraadpleegd 3
september 2003).
WIPO
Copyright Treaty, 23 december 1996, CRNR/DC/94.
On-line: <http://www.wipo.org/eng/diplconf/distrib/94dc.htm>
(geraadpleegd 2 september 2003).
M. de Wit,
'Knip- en plakwerk op het spoor'.
On-line:
<http://www.observant.unimaas.nl/default.asp?page=/jrg23/obs3/art23.htm>
(geraadpleegd 31 augustus 2003).
10. Jurisprudentie
HR 25 januari
1952, NJ 1952, 95 (Leesportefeuille)
HR 23 mei 1952,
NJ 1952, 438 (Stemra/NRU)
HR 5 januari
1979, NJ 1979, 339 (Heertje/Hollebrand)
HR 9 maart
1979, NJ 1979, 341 (Willem Dreeshuis)
HR 11 december
1981, NJ 1982, 286 (Spaanse tegels)
HR 13 april
1984, NJ 1984, 524 (Suske en Wiske)
HR 20 november
1987, NJ 1988, 280 (STEMRA/Free Record Shop)
HR 24 november
1989, NJ 1992, 404 (Focus Veilig/Lincoln Electric)
HR 21 februari
1992, NJ 1993, 164 (Barbie)
HR 20 oktober
1995, NJ 1996, 682 (Dior/Evora)
Hof Amsterdam 6
augustus 1998, rolnummer 474/98, IER 1998/47 (Who's afraid of God)
Rechtbank
's-Gravenhage 9 juni 1999, rolnummer 96/1048 (Scientology Church/XS4all)
Bijlage I
Toelichting Intellectueel eigendomsrecht en Auteursrecht
1. Intellectueel eigendomsrecht
De term
'intellectuele eigendomsrechten' wordt sedert de oprichting van de World
Intellectual Property Organisation, een internationale organisatie waarbij ruim
175 landen zijn aangesloten, in 1976 gebruikt als overkoepelende term voor de
verzameling van diverse rechten;[190]
te weten het octrooirecht, merkenrecht, handelsnaamrecht, tekeningen- en
modellenrecht, kwekersrecht, chipsrecht, databankenrecht, auteursrecht en de
naburige rechten. Verwant is de term 'industriële eigendom', die alle
voorgaande rechten omvat, uitgezonderd het auteursrecht.[191]
Met
intellectuele eigendomsrechten worden bedoeld de uitsluitende rechten van de
mens op zijn geestelijke prestaties en creativiteit.[192]
De diverse rechtsgebieden beschermen ieder een ander 'object'; het octrooirecht
beschermt een uitvinding, het merkenrecht beschermt een merk(teken), het
handelsnaamrecht beschermt een handelsnaam, het tekeningen- en modellenrecht
beschermt het gebruik van een tekening (tweedimensionaal) of model
(driedimensionaal), etc., etc..[193]
Deze 'objecten' hebben met elkaar gemeen dat zij onstoffelijk zijn; het
betreffende recht beschermt derhalve niet de materiële drager (bijvoorbeeld de
schaar) maar de achterliggende gedachte cq. de 'ontdekking' daarachter (dat
twee scherpe (metalen) voorwerpen, die strak over elkaar heen schuiven,
resulteren in het doorknippen van voorwerpen).
De
intellectuele eigendomsrechten hebben verder met elkaar gemeen dat het absolute
rechten zijn die door derden dienen te worden gerespecteerd. Vanuit die optiek
zijn de intellectuele eigendomsrechten goed te vergelijken met het materiële
begrip eigendom; ook het materiële eigendom van iemand (bv. het eigendom van
een huis) dient door derden gerespecteerd te worden.[194]
Zo bezien zou je kunnen stellen dat het intellectuele eigendomsrecht het
eigendom betreft over je 'intellect'; zeggenschap over je verstandelijke
vermogen, dat dan uiteraard wel op enigerlei wijze geuit dient te zijn in de
vorm van een tekening, vinding, geschrift, of iets dergelijks. Slechts een idee
of gedachte is namelijk niet auteursrechtelijk beschermd.[195]
De
intellectuele eigendomsrechten hebben als dieperliggende betekenis dat
geoorloofde concurrentie moet worden gescheiden van ongeoorloofde concurrentie.
De hoofdbeginselen van de intellectuele eigendomsrechten zijn dan ook gelegen
in regels van betamelijkheid: het octrooirecht verbiedt het namaken van een
uitvinding van een derde, het merkenrecht verbiedt het nabootsen van het merk
van een derde, het handelsnaamrecht verbiedt het gebruik van de handelsnaam van
een derde, etc., etc..[196]
Concurrentie is
weliswaar een 'noodzakelijk kwaad' dat niet meer kan worden weggedacht uit onze
markteconomie, en de met veel moeite opgebouwde concurrentiepositie wordt niet
zonder meer beschermd, doch het recht trekt een grens daar waar de concurrentie
ongeoorloofd wordt. Het intellectuele eigendomsrecht kan niet los worden gezien
van deze begrenzing van geoorloofde cq. ongeoorloofde mededinging. De diverse
wetten (Octrooiwet, Merkenwet, Tekeningen- en Modellenwet, etc.) geven namelijk
precies aan wie rechthebbende is, wat het object is van bescherming, wat de
voorwaarden voor en omvang van de bescherming zijn en hoe deze bescherming te
handhaven is. Meer specifiek geven deze wetten aan welke handelingen door
derden wel en niet geoorloofd zijn. Van belang daarbij is immer een
belangenafweging; het exclusieve recht van de betreffende rechthebbende kan
vrijwel nooit zover reiken dat een derde in zijn normale handelen wordt
beperkt. De diverse wetten omvatten dan ook meerdere beperkingen, zijnde
handelingen door derden die geen inbreuk maken op het exclusieve recht van de
rechthebbende en waartegen deze dan ook niets kan ondernemen.
De wijze waarop
de diverse rechten worden verkregen is zeer uiteenlopend.[197]
Sommige rechten ontstaan automatisch (bijvoorbeeld het databankenrecht),
sommige rechten worden verleend na een onderzoek (bijvoorbeeld het
octrooirecht) en andere rechten worden verkregen door een depot (bijvoorbeeld
het merkenrecht). Zoals uit het voorgaande al is gebleken, hebben de diverse
regelingen gemeen dat aan de rechthebbende een monopolie toekomt op het
verrichten van bepaalde handelingen, waarbij de rechthebbende overigens immer
vrij is deze handelingen zelf uit te oefenen, de rechten daartoe over te dragen
of derden daarvoor toestemming te verlenen, gegoten in de vorm van licenties.
Kortom: de
intellectuele eigendomsrechten omvatten een omvangrijk stelsel van regels die
de uitsluitende rechten van rechthebbende definiëren alsmede de voorwaarden
waaronder door derden handelingen kunnen worden verricht die normaliter zijn
voorbehouden aan de rechthebbende.
Het
intellectueel eigendomsrecht is complex, niet alleen omdat het een zeer
uitgebreid rechtsgebied betreft, maar daarnaast in verregaande mate
internationaal wordt bepaald. Er zijn diverse Europese en mondiale verdragen,
richtlijnen en verordeningen die naast de nationale wetten hun gelding hebben.
Zo geeft het Unieverdrag van Parijs, waarbij zo'n 150 landen zijn aangesloten,
regels op het terrein van de industriële eigendom, waar het auteursrecht dus
buiten valt, terwijl de Berner Conventie, met ruim 120 deelnemende landen,
uitsluitend regels geeft met betrekking tot het auteursrecht. Het TRIPs-Verdrag
(een in 1994 in het kader van de Wereldhandelsorganisatie gesloten verdrag)
heeft ten doel de belemmering van de internationale handel te verminderen en
daarnaast een effectieve internationale bescherming van de intellectuele
eigendom te bevorderen.
2. Auteursrecht
Het Nederlandse
Auteursrecht vindt zijn verankering in de Auteurswet 1912 en behelst het aan
een maker toegekende monopolie op de exploitatie van zijn werken. Rechtsgronden
voor het auteursrecht zijn de billijkheid dat de maker zeggenschap heeft én
houdt over de door hem voortgebrachte werken, en dat hij in de gelegenheid
wordt gesteld er (financieel) voordeel uit te trekken.[198]
De Auteurswet
1912 is gebaseerd op de Berner Conventie van 1886. De Berner Conventie zorgt
ervoor, via het zogeheten assimilatiebeginsel, dat onderdanen uit de
aangesloten landen ook beschermd worden in andere aangesloten landen: gelijke
behandeling als eigen onderdanen.[199]
Een andere
mondiale regeling op auteursrechtelijk gebied is de Universele Auteursrecht
Conventie (verder: "UAC"), opgericht in 1952. In tegenstelling tot de
BC biedt de UAC haar onderdanen nauwelijks minimumrechten. Om deze reden en
vanwege de inwerkingtreding van het TRIPs-Verdrag neemt de betekenis van de UAC
in sterke mate af.
Kenmerkend voor
het auteursrecht is dat het ontstaat louter door het scheppen van een werk van
letterkunde, wetenschap op kunst. Er zijn geen formaliteiten vereist. Deze
wezenlijke bepaling is weliswaar niet expliciet terug te vinden in de
Auteurswet, doch is als zodanig afgeleid van artikel 5 lid 2 BC. Impliciet
vinden we deze bepaling terug in artikel 1 Aw, die het auteursrecht als volgt
verwoordt:
"Het
auteursrecht is het uitsluitend recht van den maker van een werk van
letterkunde, wetenschap of kunst, of van diens rechtverkrijgenden, om dit
openbaar te maken en te verveelvoudigen, behoudens de beperkingen, bij de wet
gesteld."
Uit deze
definitie zullen een aantal onderdelen in het hierna volgende nader worden
toegelicht, te weten het uitsluitend recht (2.1.), de maker (2.2.), een werk
(2.3.), het openbaar maken (2.4.) en verveelvoudigen (2.5.) en de beperkingen
(2.6).
2.1. Uitsluitend
recht
Het
auteursrecht is een uitsluitend recht, een absoluut verbodsrecht; wie een werk
wil openbaar maken of verveelvoudigen, moet op zoek naar de rechthebbende, die voor
de openbaarmaking zijn toestemming kan geven (en dan vaak een vergoeding zal
vragen) of die zijn toestemming kan weigeren.[200]
In sommige situaties kan het lastig zijn de maker(s) op te sporen danwel van
allen toestemming te verkrijgen, bijvoorbeeld indien een werk door meerdere
auteurs is vervaardigd en niet iedereen traceerbaar is danwel niet iedereen
zijn toestemming wenst te verlenen.
De Auteurswet
kent de maker van een werk twee uitsluitende exploitatierechten toe (art. 1
Aw): openbaar maken en verveelvoudigen. Deze zullen in respectievelijk 2.4. en
2.5. nader worden besproken.
Daarnaast kent
het auteursrecht de maker een persoonlijkheidsrecht toe. Het
persoonlijkheidsrecht van de maker ziet op de persoonlijke relatie die bestaat
tussen de maker en zijn werken. Het is de maker van een werk die bepaalt of hij
een werk openbaar maakt en zo ja, in welke vorm.[201]
Het persoonlijkheidsrecht biedt de maker van een werk onder andere bescherming
tegen het misvormen of aantasten van zijn werken, het weglaten van zijn naam en
het aanbrengen van wijzigingen in het werk.[202]
Het persoonlijkheidsrecht is onlosmakelijk verbonden met de maker en kan
derhalve nimmer worden overgedragen.
2.2. Maker
De maker cq.
rechthebbende van een werk is veelal degene die het werk daadwerkelijk heeft
geschapen, doch niet altijd. Zo kan het auteursrecht zijn overdragen aan een
derde (uiteraard vrijwel altijd middels verkoop van de rechten), of bij het
overlijden van de maker zijn nagelaten aan een derde en zelfs wordt soms, onder
voorwaarden, de opdrachtgever of werkgever van de maker als rechthebbende
aangemerkt. Echter indien van geen andere mogelijkheid blijkt, kan worden
aangenomen dat de schepper van het werk ook de maker cq. rechthebbende is.
Degene die echter stelt rechthebbende te zijn, dient zulks zo nodig wel te
kunnen bewijzen, hetgeen mogelijk is door een werk van een naam te voorzien of
het makerschap te laten registreren.[203]
2.3. Werk
In de
Auteurswet is in artikel 10 een niet-limitatieve opsomming opgenomen van
'werken' van letterkunde, wetenschap of kunst die auteursrechtelijke
bescherming genieten. Zo worden bijvoorbeeld beschermd: boeken, toneelwerken,
muziekwerken, beeldhouwwerken, aardrijkskundige kaarten, fotografische werken,
computerprogramma's, etc., etc.. Evenzo worden beschermd verveelvoudigingen in
gewijzigde vorm van voornoemde werken, zoals bijvoorbeeld vertalingen,
verfilmingen, verzamelingen van andere werken.
Vereisten die
aan een werk worden gesteld alvorens er van auteursrechtelijke bescherming
sprake is zijn dat het werk: [204],
·
oorspronkelijk moet zijn, en
·
direct of indirect waarneembaar.
Het
oorspronkelijkheidsvereiste impliceert dat het 'werk' het persoonlijk stempel
van de maker moet dragen; het moet een eigen of persoonlijk karakter bezitten. Het
moet -kort gezegd- origineel zijn. In Nederland is een lage originaliteitsgraad
al voldoende voor het verkrijgen van auteursrechtelijke bescherming.[205]
Het 'werk' moet
daarnaast waarneembaar zijn. Zoals onder 1. al werd opgemerkt, komt slechts een
gedachte of idee niet voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking.[206]
Er zal derhalve altijd een schets, ontwerp, model, tekeningen, of iets
dergelijks aanwezig moeten zijn alvorens het 'werk' voor auteursrechtelijke
bescherming in aanmerking komt.
Het voordeel
van het ontbreken van een gesloten definitie van 'werken' is dat het
auteursrecht daardoor makkelijker kan inspringen op nieuwe ontwikkelingen.[207]
Een groot nadeel is echter dat er geen duidelijke grenzen zijn, waardoor
interpretatieverschillen kunnen leiden tot discussies of een bepaald werk al
dan niet auteursrechtelijke bescherming toekomt.
2.4. Openbaar maken
Onder openbaar
maken (art. 12 Aw) wordt verstaan alle handelingen die het werk op de één of
andere manier ter beschikking van een publiek stellen.[208]
Het begrip openbaar maken is een zeer ruim en flexibel begrip. Zo zijn het
opvoeren van een toneelstuk, vertonen van een film, exposeren van een
schilderij, uitzenden van muziek via de radio, drukken van tijdschriften, te
koop aanbieden van boeken en voorlezen uit een boek in de bibliotheek, allemaal
vormen van openbaarmaking.
Bij de
exploitatie van werken door middel van dragers (=het stoffelijke exemplaar van
een werk; bijvoorbeeld een boek of cd) geldt een uitputtingsregel. Indien
exemplaren van een werk door of met toestemming van de maker in het verkeer
zijn gebracht, kan hij zich tegen de verdere verhandeling van die exemplaren
niet meer verzetten.[209]
De verdere beschikbaarstelling van die exemplaren aan derden kan niet als een
openbaarmakingshandeling worden aangemerkt. Wat wel als een aparte
openbaarmakingshandeling wordt aangemerkt, is bijvoorbeeld het in het openbaar
voorlezen van een boek. Daartegen kan de rechthebbende zich weer wel verzetten,
evenals tegen het in een café laten spelen van een radio.
Voornoemde
'uitputtingsleer' heeft de Hoge Raad in het leesportefeuille-arrest[210]
en in het STEMRA/Free Record Shop-arrest[211]
aanvaard. De uitputtingsleer houdt in dat boeken,
tijdschriften, cd’s, dvd's, kortom alle auteursrechtelijk beschermde werken die
men bezit, onbeperkt aan derden mogen worden uitgeleend. Evenzo mag men deze
werken aan derden weggeven of doorverkopen. De uitputtingsleer behelst
overigens slechts het verder verspreiden cq. verhandelen en niet het
verveelvoudigen van werken. Het verveelvoudigingsrecht is nooit uitgeput.
2.5. Verveelvoudigen
Bij
verveelvoudigen (artt. 13 en 14 Aw) kan worden gedacht aan handelingen die
beogen het origineel in (vrijwel) identieke vorm te reproduceren (bv. kopiëren,
overschrijven of vastleggen in een computer-geheugen), danwel handelingen die
een bewerking of nabootsing van het origineel beogen (bijvoorbeeld een
vertaling of verfilming).[212]
Beide soorten handelingen zijn voorbehouden aan de rechthebbende en zonder
toestemming van deze is het verveelvoudigen van werken niet toegestaan.
Bij een
bewerking of nabootsing dient immer beoordeeld te worden of deze op zichzelf
een nieuw, oorspronkelijk werk oplevert. Indien van een dergelijke bewerking
sprake is, rust op de bewerking een dubbel auteursrecht; niet alleen de
bewerker is auteursrechthebbende doch ook de maker van het originele werk.[213]
Zijn bij een bewerking of nabootsing geen auteursrechtelijk beschermde
elementen van het oorspronkelijke werk overgenomen, dan is er overigens geen
sprake van een verveelvoudiging.[214]
De precieze beschermingsomvang hangt dan ook samen met de oorspronkelijkheid
van het werk waarvan wordt overgenomen.[215]
Zoals in 2.4.
al opgemerkt, is het verveelvoudigingsrecht nooit uitgeput. De rechthebbende
kan zich er in principe altijd tegen verzetten dat er van zijn werken een
verveelvoudiging -in welke vorm dan ook- wordt gemaakt.
2.6. Beperkingen van het auteursrecht
Zoals in het
voorgaande al meermalen aan de orde is gekomen, behelst het auteursrecht het monopolie
van de maker van een werk om zijn werken openbaar te maken en te
verveelvoudigen. Artikel 1 van de Auteurswet eindigt echter met de woorden "behoudens
de beperkingen, bij de wet gesteld".
Het
auteursrecht kan onder omstandigheden beperkt worden. Een aantal van de
beperkingen is expliciet in de Auteurswet opgenomen, in de artikelen 15 tot en
met 25a, een aantal andere beperkingen van het auteursrecht ligt echter
besloten in de aard van het auteursrecht zelf.[216]
In 1995 heeft de Hoge Raad zelfs overwogen dat het wettelijk stelsel van de
Auteurswet niet uitsluit dat de grenzen van het auteursrecht nader kunnen
worden bepaald.[217]
Dat bekent dat ook andere dan in de wet genoemde beperkingen kunnen gelden.
De beperkingen
die wel wettelijk zijn vastgelegd betreffen onder andere:
· de duur van het
auteursrecht (art. 37-42 Aw). Het auteursrecht vervalt 70 jaar na de dood van
de maker, 70 jaar na de dood van de laatst overleden maker indien er meerdere
makers zijn of 70 jaar na de eerste openbaarmaking van een werk indien de maker
onbekend is of een rechtspersoon als maker heeft te gelden;
· het overnemen
door de pers uit de pers (art. 15 Aw);
· het citeren uit
werken (art. 15a Aw);
· het
verveelvoudigen ten behoeve van eigen oefening, studie of gebruik (art. 16b Aw)
· werken die door
of vanwege de openbare macht zijn gemaakt (art. 11, 15b).
Ter beoordeling
van de geoorloofdheid van beperkingen, en met voor wat betreft de
niet-wettelijke beperkingen, kan gebruik gemaakt worden van de driestapstoets,
die erop neerkomt dat een beperking (art. 9 lid 2 BC en 13 TRIPs-Verdrag):[218]
1. in bijzondere
gevallen is toegestaan, mits
2. die beperking
geen afbreuk doet aan de normale exploitatie van het voorwerp van het
auteursrecht, en
3. de wettige
belangen van de rechthebbende niet op ongerechtvaardigde wijze worden geschaad.
Bijlage II
Overzicht paper-mills
Nederlandstalige
sites:
http://www.studentsonly.nl/uittreksels/scripties.asp
http://www.scriptie.nl
http://www.werkstukken.nl
http://www.collegenet.nl
http://studenten.samenvattingen.nl
http://www.stjoost.nl/uitgeverij/data/nmalfabt.htm
http://www.jongerenonline.com/index.php?page=scriptie&style=0
http://www.uitreksels.nl
http://www.huiswerk.scholieren.com/uittreksels/
http://www.studieinfo.nl/scripties/
http://www.accountancyinfo.nl/index.php3?page=scripties
http://www.okidoki.com/nl/school/scripties.html
Engelstalige
sites:
http://www.freepapers.com
http://www.cyberessays.com
http://www.ezwrite.com
http://www.a1-termpaper.com
http://www.geniuspapers.com
http://www.cheater.com
http://www.paperstock.com
http://www.sparknotes.com
http://www.paperstore.com
http://www.edlibrary.com
http://www.schoolpaper.com
http://www.mightystudents.com
http://www.cheathouse.com
http://www.essaymill.com
http://www.screw-essays.com
http://www.academicpapers.com
http://www.allpapers.com
http://www.topessays.com
http://www.pinkmonkey.com
http://www.oppapers.com
http://www.essaysonfile.com
http://www.schoolsucks.com
[1] Zie voor een toelichting op
het begrip 'auteursrechtelijk beschermd werk' Bijlage I, paragraaf 2.3..
[2] Talsma 2003, p. 102; Spoor
& Verkade 1993, p. 151.
[3] Geerts & Heestermans
1984, p. 2182.
[4] Algra & Gokkel 2001, p.
369.
[5] Van Empel & Geerts 2002,
p. 65.
[6] Spoor & Verkade 1993, p.
151.
[7] Van Lingen 2002, p. 27.
[8] Van Lingen 2002, p. 193.
[9] Wichers Hoeth 2000.
[10] Algra & Gokkel 2001, p.
369.
[11] Dijkhuis e.a. 1997, p.
112-114.
[12] Spoor & Verkade 1993, p.
151.
[13] Zie bijvoorbeeld: Algra &
Gokkel 2001, p. 369; Nederlandse Vereniging van Journalisten, 'Soorten
auteursrecht en gerelateerde begrippen', <http://www.villamedia.nl/
auteursrecht/home.htm> (geraadpleegd 2 september 2003).
[14] Verkoren 2000, p. 71.
[15] Zie voor een toelichting op
de duur van het auteursrecht Bijlage I, paragraaf 2.6..
[16] Van Empel & Geerts 2002,
p. 64-65.
[17] HR 5 januari 1979, NJ 1979,
339 (Heertje/Hollebrand).
[18] HR 21 februari 1992, NJ 1993,
164 (Barbie).
[19] Spoor & Verkade 1993, p.
151.
[20] Hof Amsterdam 6 augustus 1998,
rolnummer 474/98, IER 1998/47 (Who's afraid of God).
[21] HR 13 april 1984, NJ
1984, 524 (Suske en Wiske).
[22] Van Lingen 2002, p. 67-68.
[23] A. Joosen 1985, p. 1.
[24] Schuijt, 'Journalistieke
ethiek en recht', <http://www.ivir.nl/publicaties/schuijt/
ethiek.doc> (geraadpleegd 2 september 2003).
[25] Van Lingen 2002, p. 63-66.
[26] Van Lingen 2002, p. 65.
[27] HR 5 januari 1979, NJ 1979,
339 (Heertje/Hollebrand).
[28] Van Lingen 2002, p. 63.
[29] Journalist Frank van
Kolfschooten heeft historisch onderzoek gedaan naar plagiaat en bedrog in de
Nederlandse wetenschap. Zijn onderzoek heeft geresulteerd in een interessant
boek met aangrijpende en zorgwekkende verhalen over o.a. plagiaatgevallen: Valse
vooruitgang. Bedrog in de Nederlandse wetenschap (1993).
[30] Alberdingk Thijm 2001, p.
13-15.
[31] Voor J. Jansen van de
Nederlandse organisatie voor Wetenschappelijk Onderwijs is dit aanleiding
geweest om in 2001 een onderzoek te starten naar plagiaat in de periode
1500-1700. Zie voor meer informatie over het onderzoek: <http://cf.hum.uva.nl/nhl/
Pagina20%Jansen.html> (geraadpleegd 4 augustus 2003).
[32] Bertens, 'Harry, Tanja, Porri
en Horry', <http://www.8weekly.nl/features/tanjagrotter.php>
(geraadpleegd 2 september 2003).
[33] Van der Steur 2003, p. 23.
[34] Hugenholtz, 'IVIR Auteursrecht
2002-2003, Hoorcollege 1, <http://www.ivir.nl/
onderwijs/auteursrecht/slides/ANR2002-hoorcollege1.ppt> (geraadpleegd 30
augustus 2003).
[35] Van der Steur 2003, p. 240.
[36] Brunt e.a. 1996, p. 18.
[37] Verkade 1990, p. 11.
[38] Hugenholtz 1998, 'Het internet:
het auteursrecht voorbij?', <http://www.ivir.publicaties/
hugenholtz/preadvies.doc> (geraadpleegd 23 augustus 2003).
[39] Alberdingk Thijm 2001, p. 10.
[40] Gielen & Verkade 1998, p.
1.
[41] Hugenholtz, 'IVIR
Auteursrecht 2002-2003, Hoorcollege 1, <http://www.ivir.nl/
onderwijs/auteursrecht/slides/ANR2002-hoorcollege1.ppt> (geraadpleegd 30
augustus 2003). In een peer-to-peer netwerk ontbreekt vaak een server. Alle
aangesloten computers kunnen zowel als server alsook als client fungeren,
waardoor rechtstreeks contact tussen alle aangesloten computers mogelijk is.
[42] Brunt e.a. 1996, p. 20-21.
[43] Van Bruggen, Van Dun & De
Lange 1998, p. 102.
[44] WIPO
Copyright Treaty, 23 december 1996, CRNR/DC/94,
<http://www.wipo.org/
eng/diplconf/distrib/94dc.htm> (geraadpleegd 2 september 2003).
[45] Van Bruggen, Van Dun & De
Lange 1998, p. 66-67.
[46] Van Bruggen, Van Dun & De
Lange 1998, p. 99-102.
[47] Hugenholtz 2000, p. 39-41.
[48] Dommering 1994, p. 109-113.
[49] Hugenholtz 1998, 'Het
internet: het auteursrecht voorbij?', <http://www.ivir.publicaties/
hugenholtz/preadvies.doc> (geraadpleegd 23 augustus 2003).
[50] Van Lingen 2002, p. 219.
[51] Harmonisatierichtlijn, PbEG
22-6-2001, L 167/10, <http://www.ivir.nl/wetten/eu/
auteursrecht-richtlijn.html> (geraadpleegd 27 augustus 2003).
[52] Hugenholtz 2000, p. 39-41.
[53] HR 23 mei 1952, NJ 1952, 438
(Stemra/NRU).
[54] HR 9 maart 1979, NJ 1979, 341
(Willem Dreeshuis).
[55] Schaap, 'Fraude met
studiepunten via e-learning', <http://www.edusite.nl/edusite/
nieuws/11242> (geraadpleegd 6 augustus 2003).
[56] Strookman, 'Stichting Brein
wil speuren naar softwarepiraterij op alle universitaire netwerken',
<http://www.edusite.nl/edusite/nieuws/10126> (geraadpleegd 6 augustus
2003); Strookman, 'Twentse softwareboefjes krijgen waarschuwing,
<http://www.edusite.nl/edusite/nieuws/10075> (geraadpleegd 6 augustus
2003).
[57] Bakker, 'Nooit meer een
tentamen leren: antwoorden per sms,
<http://www.edusite.nl/edusite/nieuws/1485> (geraadpleegd 6 augustus
2003); Van Outeren, 'Studenten spieken met mobieltjes', <http://www.edusite.nl/edusite/
nieuws/11655> (geraadpleegd 6 augustus 2003).
[58] De Haas, 'Gratis scripties
downloaden van internet', <http://www.uvt.nl/univers/nieuws/
0102/29/scriptie.htm> (geraadpleegd 6 augustus 2003).
[59] NRC Handelsblad, 'Boek over
journalistiek uit de handel wegens plagiaat, <http://www.
nrc.nl/W2/Nieuws/1997/08/05/Med.03.html> (geraadpleegd 8 augustus 2003).
[60] De websites waarop door
particulieren danwel door commerciële organisaties -al dan niet tegen betaling-
scripties en werkstukken worden aangeboden, worden in de VS 'paper-mills'
(papiermolens) genoemd.
[61] Zoals bijvoorbeeld door Jack
Corliss van de Loyola University Chicago wordt gestimuleerd, bron: Folkert,
'Plagiaat kan beperkt worden door betere begeleiding', <http://www.edusite.nl/edutrip2002/verslagen_strategie/11051>
(geraadpleegd 2 september 2003).
[62] Klaver 2003, p. 10.
[63] Zoals bijvoorbeeld de
Universiteit van Tilburg in samenwerking met de Erasmus Universiteit, bron:
Oudejans & Van Noortwijk, 'Portfolio's voor scripties en andere
zelfwerkzaamheids-projecten in het Juridisch Onderwijs',
<http://www.frg.eur.nl/
lia/icto/projecten/rechtenonline/portfolios.pdf> (geraadpleegd 2 september
2003), zie ook paragraaf 4.1.3..
[64] Zoals bijvoorbeeld de
Universiteit Utrecht in haar weekblad, bron: U-blad, <http://ublad.
warande.uu.nl/ubladen/33/09/08Varia.html> (geraadpleegd 2 september 2003).
[65] Dit is ook de maximale
sanctie die op grond van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk
onderzoek bij fraude kan worden opgelegd. Zie ook paragraaf 5.1.4..
[66] Examenreglement
Bacheloropleiding Fiscaal Recht Universiteit Leiden,
<http://www.law.leidenuniv.nl/index.php3?c=141> (geraadpleegd 2 september
2003).
[67] Examenreglement
Masteropleiding Rechtsgeleerdheid Erasmus Universiteit Rotterdam,
<http://www.frg.eur.nl/onderwijs/pdf/OERmasteropleidingRechtsgeleerdheid2003.pdf>
(geraadpleegd 2 september 2003).
[68] Sommer, 'Toename fraude
beperkt zich tot economie, <http://www.observant.
unimaas.nl/jrg19/obs22/art14.htm> (geraadpleegd 2 september 2003).
[69] Examenreglement 2003-2004
Faculteit Rechtsgeleerdheid Universiteit van Tilburg,
<http://www.uvt.nl/faculteiten/frw/onderwijs/meerinfo/reglement0304.pdf>
(geraadpleegd 26 augustus 2003).
[70] Meertens, 'Frauderende
student verwijderen van universiteit', <http://www.uvt.nl/
univers/nieuws/0203/09/fraude.html> (geraadpleegd 2 september 2003).
[71] Vriesendorp 2003, p. 288-290.
[72] De Mulder & Van
Noortwijk, 'Computer ondersteunend nakijken van open vragen', <http://www.surf.nl/download/toetsbundel.pdf>
(geraadpleegd 25 augustus 2003); <http://www.andromatics.nl>
(geraadpleegd 25 augustus 2003).
[73] Voor meer informatie over de
Nakijkcentrale wordt verwezen naar de site van Edu'Actief
<http://www.edu-actief.nl/nakijkcentrale/content/PDF/3.pdf> (geraadpleegd
25 augustus 2003).
[74] Schaap, 'Leidse
rechtenfaculteit schakelt computer in bij nakijken tentamens',
<http://www.edusite.nl/edusite/nieuws/11906> (geraadpleegd 2 september
2003).
[75] Strookman, 'Groninger universiteit
wil plagiaat strenger aanpakken',
<http://www.edusite.nl/edusite/nieuws/10756> (geraadpleegd 2 september
2003).
[76] Landelijke Vereniging van
Studieadviseurs, 'RUG neemt plagiaatscanner op in examenreglement',
<http://www.lvsa.nl/aktueel.html> (geraadpleegd 2 september 2003).
[77] Arts & Geus, 'Plagiarism
Software Evaluation for ELEUM', <http://www.fdewb.
unimaas.nl/eleum/plagiarism/plagiarism.htm> (geraadpleegd 2 september 2003).
[78] Oudejans & Van Noortwijk,
'Portfolio's voor scripties en andere zelfwerkzaamheids-projecten in het
juridisch onderwijs, <http://www.frg.eur.nl/lia/icto/projecten/
rechtenonline/portfolios.pdf> (geraadpleegd 2 september 2003).
[79] Scripties Online, Universiteit
Twente, Erasmus Universiteit Rotterdam, Rijksuniversiteit Groningen, <http://www.surf.nl/projecten/index2.php?oid=124> (geraadpleegd 31
augustus 2003).
[80] Ruis, 'De geheimen van dr.
X', <http://www.e-learning.surf.nl/e-learning/artikelen/774>
(geraadpleegd 6 augustus 2003).
[81] The plagiarism resource site,
University of Virginia, <http://plagiarism.phys.
virginia.edu/> (geraadpleegd 3 september 2003).
[82] Schaap, 'Australisch
onderzoek brengt grootschalig internetplagiaat aan het licht',
<http://www.edusite.nl/edusite/nieuws/11405> (geraadpleegd 3 september
2003).
[83] Een zoekopdracht naar
'plagiarism' binnen de site van de Berkeley University of California levert
maar liefst 904 resultaten op, plagiaat heeft daar alle aandacht,
<http://www.cs.berkeley.edu/> (geraadpleegd 3 september 2003).
[84] Rot, 'Electronic plagiarism: Prevention,
Deterrence and Detection', <http://www.
edusite.nl/edutrip2002/verslagen_innovatie/11227> (geraadpleegd 31 augustus
2003).
[85] Homepage Plagiarism.org,
<http://www.plagiarism.org/plagiarism_stats.html> (geraadpleegd 3
september 2003).
[86] Strookman, 'Plagiaat via
internet', <http://www.edusite.nl/edusite/specials/10759> (geraadpleegd 3
september 2003).
[87] Eijffinger, 'Elite
universiteit zorgt voor gemotiveerde studenten', <http://www.kub.nl/
univers/nieuws/0203/23/eijffinger.html> (geraadpleegd 3 september 2003).
[88] Plagiaat, Fakulteit Lettere
en Wysbegeerte Universiteit Stellenbosch,
<http://www.sun.ac.za/journalism/plagiaat.html> (geraadpleegd 3 september
2003).
[89] Scriptiebrochure Faculteit
Rechtsgeleerdheid Vrije Universiteit Brussel, <http://www.vub.ac.be/RG/REGLEMENTEN/SCRIPTIEBROCHURE%2002-03%20times.pdf>
(geraadpleegd 3 september 2003).
[90] Strookman, 'Amerikaans hoger
onderwijs strijdt tegen plagiaat met speciale software',
<http://www.edusite.nl/edusite/nieuws/9279> (geraadpleegd 3 september
2003).
[91] JISC Plagiarism Advisory
Service Northumbria University, <http://online.northumbria.
ac.uk/faculties/art/information_studies/Imri/JISCPAS/site/jiscpas.asp>
(geraadpleegd 3 september 2003).
[92] Van Engen, 'Trend: online
portfolio's voor studenten', <http://www.edusite.nl/edusite/
nieuws/10118?batchnr=299&batchsize=12> (geraadpleegd 3 september 2003).
[93] Een aantal universiteiten
besteedt hier bewust aandacht aan, zoals bijvoorbeeld de Rijksuniversiteit
Groningen <http://odur.let.rug.nl/projects/asv/docenten/
studentschrijvers_begeleiden/plagiaatdoc.htm> (geraadpleegd 3 september
2003). Ook de TU Delft voerde onder het motto "Kopiëren kan je de kop
kosten" strijd tegen plagiaat
<http://www.library.tudelft.nl/delftspecial/kopieren_tbm.pdf> (geraadpleegd
22 augustus 2003).
[94] Rot, 'Electronic Plagiarism:
Prevention, Deterrence, and Detection, <http://www.edusite.
nl/edutrip2002/verslagen_innovatie/11227> (geraadpleegd 31 augustus 2003).
[95] Holtkamp, in Univers:
'Internetfraude op KUB onderzocht', <http://www.uvt.nl/univers/
nieuws/0102/27/fraude.html> (geraadpleegd 3 september 2003).
[96] Siebers, in Univers:
'Internetfraude op KUB onderzocht', <http://www.uvt.nl/univers/
nieuws/0102/27/fraude.html> (geraadpleegd 3 september 2003).
[97] Folkert, 'Plagiaat kan
beperkt worden door betere begeleiding', <http://www.edusite.nl/
edutrip2002/verslagen_strategie/11051> (geraadpleegd 2 september 2003).
[98] Folkert, 'Plagiaat kan
beperkt worden door betere begeleiding', <http://www.edusite.nl/
edutrip2002/verslagen_strategie/11051> (geraadpleegd 2 september 2003).
[99] De Haas, 'Gratis scripties
downloaden van internet', <http://www.uvt.nl/univers/nieuws/
0102/29/scriptie.htm> (geraadpleegd 6 augustus 2003).
[100] Alberdingk Thijm 2001, p.
10-11.
[101] Van der Steur 2003, p. 239.
[102] Voor een nadere uitleg omtrent
'uitputting' wordt verwezen naar Bijlage I, paragraaf 2.4..
[103] De verbodsactie komt de
auteursrechthebbende toe op grond van artikel 1 Aw; het auteursrecht is een
'uitsluitend recht'. Voor een nadere uitleg omtrent het 'uitsluitend recht' van
de auteursrechthebbende wordt verwezen naar Bijlage I, paragraaf 2.1..
[104] Bron:
<http://www.auteursrecht.nl> (geraadpleegd 1 september 2003).
[105] Visser 1996, p. 61-62.
[106] Rechtbank 's-Gravenhage 9 juni
1999, rolnummer 96/1048 (Scientology Church/XS4all).
[107] Van Bruggen, Van Dun & De
Lange 1998, p. 101-102.
[108] Hugenholtz, 'Het internet: het
auteursrecht voorbij?', <http://www.ivir.publicaties/
hugenholtz/preadvies.doc> (geraadpleegd 23 augustus 2003).
[109] Zie ook de voorbeelden die
Alberdingk Thijm vermeldt in zijn artikel 'Fair use: het auteursrechtelijk
evenwicht hersteld', p. 146.
[110] Zie in dat kader: D.J.G.
Visser, 'Naar een multimedia-bestendig auteursrecht', ITeR-reeks nr. 10, Alphen
aan den Rijn: Samsom Bedrijfsinformatie 1998.
[111] HR 20 oktober 1995, NJ 1996,
682 (Dior/Evora).
[112] Alberdingk Thijm 1998, p. 147.
[113] Brunt e.a. 1996, p. 40-42.
[114] Dijkhuis e.a. 1997, p. 114-119.
[115] Zo gebeurde ook met René Diekstra
in 1996, een Leidse hoogleraar psychologie wiens boek 'Je verdriet voorbij' een
letterlijke kopie zou zijn van het Engelstalige manuscript 'A teenage guide to
suicide' van de Amerikaanse psycholoog Gary McEnery.
[116] Bron:
<http://www.auteursrecht.nl> (geraadpleegd 1 september 2003).
[117] Wichers Hoeth 2000, p. 376-378.
[118] Van Lingen 2002, p. 194.
[119] Bron:
<http://www.auteursrecht.nl> (geraadpleegd 1 september 2003).
[120] Schellekens 1999, p. 24-38. Het
voordeel bij internetplagiaat door een student is bijvoorbeeld gelegen in het
feit dat de student zonder inspanningen van waarde een scriptie kan produceren.
[121] Talsma 2003, p. 102-104.
[122] Vriesendorp 2003, p. 288-290.
[123] Van Kolfschooten, p. 25
[124] Talsma 2003, p. 102-104;
Vriesendorp 2003, p. 288-290.
[125] De Roos, Schuijt & Wissink
1996, p. 83-84.
[126] Bron:
<http://wettenbank.sdu.nl/cgi-bin/showlaw/vkey=W0888CCC1/flags=-/pos=3/
session=anonymous@3A2400252160/type=plane/query=2/action=frame/checksum=23e4346fe956a397c62bec4b668be7c8>
(geraadpleegd 24 augustus 2003).
[127] Zie bijvoorbeeld artikel 8 lid
8 het examenreglement 2003-2004 van de faculteit rechtsgeleerdheid van de
Universiteit van Tilburg, <http://www.uvt.nl/faculteiten/frw/
onderwijs/meerinfo/reglement0304.pdf> (geraadpleegd 26 augustus 2003).
[128] Prof.mr. R.D. Vriesendorp is
hoogleraar privaatrecht en voorzitter van de examencommissie van de faculteit
der rechtsgeleerdheid van de Universiteit van Tilburg
[129] Vriesendorp 2003, p. 288-290.
[130] Vriesendorp, in: 'Plagiaat en
spieken strafrechtelijk vervolgen', <http://www.uvt.nl/
univers/nieuws/0203/08/fraude.html> (geraadpleegd 3 september 2003).
[131] Hugenholtz, ' Instituut voor
Informatierecht (IVIR) Auteursrecht 2002-2003, Hoorcollege 2',
<http://www.ivir.nl/onderwijs/auteursrecht/slides/ANR2002-hoorcollege2.ppt>
(geraadpleegd 30 augustus 2003).
[132] Gotzen 1996, p. 69, 103-108
[133] In de Nederlandse Auteurswet is
het persoonlijkheidsrecht neergelegd in artikel 25.
[134] 'Fair use' is vastgelegd in de
Amerikaanse Auteurswet in 17 US Code section 107.
[135] Voor meer informatie omtrent de
internationale conventies wordt verwezen naar Bijlage I, paragraaf 2.
[136] Van Lingen 2002, p. 205-206.
[137] Harmonisatierichtlijn, PbEG
22-6-2001, L 167/10, <http://www.ivir.nl/wetten/eu/
auteursrecht-richtlijn.html> (geraadpleegd 27 augustus 2003).
[138] HR 20 oktober 1995, NJ 1996,
682 (Dior/Evora).
[139] Zie paragraaf 5.1.1..
[140] Alberdingk Thijm 1998, p. 147.
[141] Kamerstukken Tweede Kamer
2001-2002, 28 482, nr. 1, <http://www.justitie.nl/
Images/11_14498.pdf> (geraadpleegd 27 augustus 2003).
[142] Brunt e.a. 1996, p. 86.
[143] Artikel 2 Wetboek van
Burgerlijke Rechtsvordering.
[144] In 1968 werd tussen de
EG-lidstaten het EEX-Verdrag gesloten over de rechterlijke bevoegdheid in
burgerlijke en handelszaken. Sinds 1 maart 2002 is het EEX-Verdrag omgezet in
de EEX-Verordening waarmee deze rechtstreeks toepasselijk is geworden in alle
lidstaten.
[145] Brunt e.a. 1996, p. 96-97.
[146] Zie voor de vervolging op grond
van een onrechtmatige daad in Nederland hetgeen daaromtrent in paragraaf 5.1.2.
is opgenomen.
[147] Een Groenboek is een met
regelmaat te verschijnen publicatie van de Europese Commissie, waarin zij haar
visie op de toekomst van het auteursrecht geeft. Het Groenboek 'Copyright and Related Rights in the Information Society', COM(95) 382 final, dateert van 19 juli 1995 <http://www.ivir.nl/dossier/auteursrechtrichtlijn/
COM(95)382final.doc> (geraadpleegd 8 september 2003). Op 20 november 1996 is
hierop nog een aanvulling gepubliceerd,
<http://europa.eu.int/ISPO/infosoc/legreg/
docs/com96586.doc> (geraadpleegd 8 september 2003).
[148] HR 24 november 1989, NJ 1992,
404 (Focus Veilig/Lincoln Electric).
[149] Van Bruggen, Van Dun & De
Lange 1998, p. 101-102.
[150] Koelman 1998, p. 204-213.
[151] Reactie NLIP op vragen van Ministerie van Justitie inzake de implementatie
van de richtlijn auteursrecht in de informatiemaatschappij,
<http://www.justitie.nl/themas/
wetgeving/dossiers/auteursrecht/integrale_reacties/NLIP_Branchevereniging_van_
Nederlandse_Internetproviders.asp?ComponentID=7308&SourcePageID=7396> (geraadpleegd
5 september 2003).
[152] Carter 1996, p. 39-49.
[153] Alberdingk Thijm 1998, p. 148.
[154] Alberdingk Thijm 1998, p. 149.
[155] Alberdingk Thijm 1998, p. 146.
[156] Zie bijvoorbeeld de opmerkingen
daaromtrent in de artikelen van Senftleben (Senftleben 2003, p. 10-14) en
Alberdingk Thijm (Alberdingk Thijm 1998, p. 145-154).
[157] Kamerstukken Tweede Kamer
1998-99, 26 538, nr. 1, <http://www.ivir.nl/dossier/
auteursrechtrichtlijn/MvJ-brief_AR-richtlijn.pdf> (geraadpleegd 28 augustus
2003).
[158] Kamerstukken Tweede Kamer
2001-2002, 28 482, nr. 1, <http://www.justitie.nl/
Images/11_14498.pdf> (geraadpleegd 27 augustus 2003).
[159] Carter 1996, p. 111-115.
[160] Gerbrandy 1992, p. 13.
[161] De Roos, Schuijt & Wissink 1996,
p. 116-117.
[162] Clark 1996, p. 139-145.
[163] Brunt e.a. 1996, p. 91. Zie ook
het Groenboek 'Copyright and Related Rights in the
Information Society' van de Europese Commissie waarin diverse ontwikkelingen op
dit gebied worden besproken (Part Three Section IX 'Technical
systems of protection and identification', p. 79-82),
<http://www.ivir/nl/dossier/auteursrechtrichtlijn/
COM(95)382final.doc> (geraadpleegd 8 september 2003).
[164] Hugenholtz beschrijft een
aantal van deze maatregelen in zijn preadvies, 'Het internet: het auteursrecht
voorbij?', <http://www.ivir.nl/publicaties/hugenholtz/preadvies.doc>
(geraadpleegd 23 augustus 2003).
[165] Dommering 1994, p. 109-113.
[166] Bijvoorbeeld: Buma/Stemra voor
muziek, Se/NA voor naburige rechten, Burafo voor foto-auteursrechten, Stichting
Beeldrecht voor beeldende kunst, Stichting Lira voor literaire werken.
[167] Bron:
<http://www.buma.nl/contract.html> (geraadpleegd 28 augustus 2003).
[168] Spoor & Verkade 1993, p.
393.
[169] Softwareprogramma's die
dergelijke functies vervullen worden ook wel 'packet sniffers' genoemd. Bron:
<http://www.packet-sniffer.co.uk/> (geraadpleegd 24 augustus 2003).
[170] Het Amerikaanse bedrijf
Copyright.net heeft een programma ontwikkeld, Copyright Agent, dat bijvoorbeeld
het peer-to-peer netwerk van Napster onderwerpt aan controle op inbreuken op
auteursrechtelijk beschermde werken. Bron: Alberdingk Thijm 2001, p. 24-25.
[171] Kamerstukken Tweede Kamer
2001-2002, 28 482, nr. 1, <http://www.justitie.nl/
Images/11_14498.pdf> (geraadpleegd 27 augustus 2003).
[172] Harmonisatierichtlijn, PbEG
22-6-2001, L 167/10, <http://www.ivir.nl/wetten/eu/
auteursrecht-richtlijn.html> (geraadpleegd 27 augustus 2003).
[173] Een aantal van de bedrijven die
in deze opsomming wordt genoemd, levert ook andere
-het onderwijs ondersteunende- software. Deze blijft echter in het kader van
dit onderzoek onvermeld.
[174] Bron:
<http://www.canexus.com/eve/index.shtml> (geraadpleegd 31 augustus 2003).
[175] Bron:
<http://www.urkund.com/UK/Index.asp> (geraadpleegd 31 augustus 2003).
[176] Bron: <http://plagiarism.phys.virginia.edu/Wsoftware.html>
(geraadpleegd 31 augustus 2003).
[177] Bron:
<http://www.edutie.com> (geraadpleegd 1 september 2003).
[178] Bron:
<http://www.plagiserve.com> (geraadpleegd 1 september 2003).
[179] Bron:
<http://www.turnitin.com>; <http://www.plagiarism.org>
(geraadpleegd 1 september 2003).
[180] Bron:
<http://www.plagiarism.tk> (geraadpleegd 1 september 2003).
[181] Bron:
<http://cgi.tue.nl/htdig/tuesearch.html> (geraadpleegd 1 september 2003).
[182] Bron:
<http://www.cs.berkeley.edu/~aiken/moss.html> (geraadpleegd 3 september
2003).
[183] Bron:
<http://www.herts.ac.uk/tli/fund/01-02-barrett.html> (geraadpleegd 1
september 2003).
[184] Bron:
<http://www.andromatics.com> (geraadpleegd 1 september 2003).
[185] Een uitgebreid onderzoek naar
de CODAS-programmatuur heeft aangetoond dat beide modules tot zeer betrouwbare
resultaten leiden, de tijdsbesparing bij grote aantallen opdrachten aanzienlijk
is en dat de software in breed verband inzetbaar is. Bron: Combrink-Kuiters
e.a. 2000, p. 55-58.
[186] Een uitgebreide vergelijking
van plagiaat-detectiesoftware kan bijvoorbeeld worden ingezien op
<http://www.fdewb.unimaas.nl/eleum/plagiarism/plagiarism.htm>
(geraadpleegd 1 september 2003).
[187] Combrink-Kuiters e.a. 2000, p.
55-58.
[188] Statistieken van de Leidse
Rechtenfaculteit, die werkt met de Codas-software, hebben aangetoond dat het
aantal fraudegevallen daardoor sterk is gedaald. Bron:
<http://www.leidenuniv.nl/mare/2003/27/0901.html> (geraadpleegd 31
augustus 2003).
[189] Voor meer informatie over de CODAS-software
wordt verwezen naar het onderzoek van Combrink-Kuiters e.a. 2000 en de website
van de makers van de CODAS-software, <http://www.andromatics.com>
(geraadpleegd 1 september 2003).
[190] Wichers Hoeth, p. 1.
[191] Van Empel & Geerts, p. 1.
[192] Van Bruggen, Van Dun & De
Lange, p. 60.
[193] Van Empel & Geerts, p. 1-2.
[194] Van Bruggen, Van Dun & De
Lange, p. 61.
[195] Van Lingen, p. 50.
[196] Wichers Hoeth, p. 2.
[197] Van Empel & Geerts, p.
8-12.
[198] Van Empel & Geerts, p. 53.
[199] Gielen & Verkade, p. 1.
[200] Verkoren, p. 13-14.
[201] Van Lingen, p. 103-105.
[202] Van Empel & Geerts, p.
41-42.
[203] Van Lingen, p. 26-27.
[204] Van Lingen, p. 48-51.
[205] Van Bruggen, Van Dun & De
Lange, p. 63.
[206] Van Lingen, p. 50.
[207] Van der Steur, p. 253-254.
[208] Van Empel & Geerts, p. 66.
[209] Van Empel & Geerts, p. 68.
[210] HR 25 januari 1952, NJ 1952, 95
(Leesportefeuille).
[211] HR 20 november 1987, NJ 1988,
280 (STEMRA/Free Record Shop).
[212] Wichers Hoeth, p. 331-332.
[213] Gielen & Verkade, p. 20-21.
[214] HR 11 december 1981, NJ 1982,
286 (Spaanse tegels).
[215] HR 5 januari 1979, NJ 1979, 339
(Heertje/Hollebrand).
[216] Van Lingen, p. 117.
[217] HR 20 oktober 1995, NJ 1996,
682 (Dior/Evora).
[218] Wichers Hoeth, p. 3.