Scriptie

 

Zoals op de homepage al aangegeven, ben ik in september 2003 afgestudeerd aan de UvT, faculteit Rechtsgeleerdheid, afstudeerrichting Recht en Informatisering.

 

Het onderwerp van mijn scriptie was plagiaat bij scripties in het wetenschappelijk onderwijs, de titel: "No time to waste? Copy-paste!"

 

Waarom een scriptie over plagiaat (bij scripties), zullen jullie je misschien afvragen? Waarom niet?! Een scriptie is de allerlaatste fase in je studie. Na je studie (in ieder geval na een rechtenstudie) kom je in de wetenschap terecht, in het bedrijfsleven, of misschien in de advocatuur of bij de rechterlijke macht. Daar is geen plaats voor rommelaars of luilakken, mensen die op slinkse wijze hun werk 'produceren'. Plagiaat hoort daar zeker niet thuis, en om diezelfde reden hoort plagiaat niet thuis in het wetenschappelijk onderwijs. Je bul en je titel moet je verdienen, je moet er iets voor doen!

 

Omtrent plagiaat bestaat veel onduidelijkheid, het doel van mijn scriptie was enige helderheid te scheppen. Zoals na bestudering van onderstaande tekst zal blijken zijn er diverse methoden en systemen ontwikkeld die plagiaat kunnen detecteren. Mijn verwachting is dat daarvan een preventieve werking zal uitgaan. Ik hoop bovendien dat ook van deze scriptie enige preventieve werking zal uitgaan. Jullie zijn immers gewaarschuwd.

 

Veel leesplezier!

 

Sandra van Nieuwkerk

 

 

 

No time to waste? Copy-paste!

Plagiaat bij scripties in het wetenschappelijk onderwijs.

 

 

 

1.           Inleiding

 

"Studenten zijn luie mensen!?"

 

De laatste loodjes wegen het zwaarst. Dat geldt voor veel situaties en zeker ook voor wetenschappelijke studies. Het is dan ook niet verwonderlijk dat een enkele student, die al dan niet in tijdnood verkeert, zijn toevlucht zoekt tot het ouderwetse knip- en plakwerk.

 

Beperkte het knip- en plakwerk zich vroeger nog veelal tot het doorworstelen van vele boeken en tijdschriften in de bibliotheek en het vervolgens klakkeloos overschrijven van bepaalde stukken tekst, dankzij de komst en de mogelijkheden van het internet is het knip- en plakwerk uitgegroeid tot een onbegrensde industrie. De student kan tegenwoordig vanuit zijn luie stoel op het internet naar hartelust grasduinen in het enorme aanbod van zelfs kant en klare werkstukken en scripties. Even knippen en plakken, en klaar is de scriptie. Inbreuken op intellectuele eigendomsrechten hebben zich in de loop der tijd verplaatst van de copy-shop naar het internet. Een groot voordeel voor de student is dat niet alle informatie onbeperkt op het internet beschikbaar is en dus voor docenten niet altijd meer te achterhalen is waar de student zijn informatie vandaan heeft gehaald.

 

Dat een scriptie niet bedoeld is als eindresultaat van vaardigheden die men op de kleuterschool krijgt aangeleerd, is evident. Desondanks proberen ieder jaar weer diverse studenten op deze manier hun wetenschappelijke titel in de wacht te slepen. Steeds meer universiteiten hebben naar aanleiding van deze praktijken het onderwerp plagiaat hoog op de agenda gezet.

 

Onderwerp van onderhavige scriptie is het vooromschreven plagiaat; het resultaat van wat knip- en plakwerk presenteren als zijnde het rapport van een gedegen onderzoek of studie. Is knip- en plakwerk toegestaan, of niet? Onder welke voorwaarden mag het eventueel wel, en wanneer niet? Duidelijkheid en regels omtrent plagiaat ontbreken; er is weinig literatuur voorhanden, maar een beperkt aantal artikelen, jurisprudentie is zeer dun bezaaid en e.e.a. is zeker niet zodanig dat daar een eenduidige regel uit te distilleren valt.

 

De uitdaging van deze scriptie is dan ook duidelijkheid te scheppen; wanneer spreek je over plagiaat in het kader van scripties, hoe is de huidige situatie, kan plagiaat worden bestreden, hoe wordt plagiaat vastgesteld, kan plagiaat worden voorkomen, en is het noodzakelijk dat de Auteurswet met het oog op 'internetplagiaat' wordt aangepast?

 

Er valt niet aan te ontkomen dat deze scriptie aanvangt met tekst en uitleg terzake begrippen die de basis vormen voor het onderwerp van de scriptie. E.e.a. schept het kader waarbinnen het onderzoek naar plagiaat bij scripties in het wetenschappelijk onderwijs zich heeft afgespeeld.

 

Bij het onderzoek zijn de pijlen met name gericht geweest op de situatie bij de diverse universiteiten in ons land, maar er is tevens een vergelijking gemaakt met de internationale situatie. De wijze waarop plagiaat thans rechtens kan worden aangepakt ontbreekt daarbij vanzelfsprekend niet.

 

Bijzondere aandacht krijgen de mogelijkheden om plagiaat te plegen, te ontdekken en tegen te gaan, alsmede de vraag of het in het licht van deze (on)mogelijkheden noodzakelijk is om de Auteurswet aan te passen.

 

De stelling en daaruit voortvloeiende onderzoeksvraag die in deze scriptie centraal staan, zijn:

 

De ongekende mogelijkheden van het internet; het mes snijdt van twee kanten.

 

Noodzaken nieuwe copy-paste mogelijkheden tot het toevoegen van een internetplagiaat-bepaling aan de Auteurswet, of gaat van plagiaat-detectiemogelijkheden voldoende preventieve werking uit?

 

Zoals uit de inleidende hoofdstukken zal blijken, kan plagiaat worden geschaard onder het auteursrecht, terwijl het auteursrecht op haar beurt weer onder het intellectuele eigendomsrecht kan worden geschaard. Deze scriptie is specifiek gericht op plagiaat. Wie geïnteresseerd is in de achterliggende rechtsgebieden, het intellectuele eigendomsrecht en het auteursrecht, wordt verwezen naar Bijlage I.

 

Uiteraard is getracht in deze scriptie alle bronnen zo nauwkeurig mogelijk te benoemen teneinde te voorkomen dat juist deze scriptie als plagiaat zou kunnen worden aangemerkt.

 

 

 

2.         Plagiaat

 

"Beter goed gejat dan slecht bedacht!?"

 

Plagiaat is -zo zal blijken- vreemd genoeg een term die noch in het Nederlandse recht noch in de veelheid aan Nederlandse wetten voorkomt, maar die desondanks onlosmakelijk met het recht verbonden is. De 'kerstboom' van het Nederlandse recht is er een met wijd verbreide takken en aan één van die takken hoort plagiaat thuis. Zoals in de inleiding al aangegeven, is plagiaat onder te brengen bij het auteursrecht, terwijl het auteursrecht op haar beurt bij het intellectuele eigendomsrecht is onder te brengen. Een korte toelichting op deze rechtsgebieden is opgenomen als Bijlage I.

 

Iedereen komt vroeg of laat een keer in aanmerking met plagiaat, ofwel omdat men zelf plagiaat pleegt ofwel omdat men op enigerlei wijze geconfronteerd wordt met geplagieerd werk. Vraag echter 100 mensen plagiaat te omschrijven, en je krijgt 100 verschillende antwoorden. Alvorens het onderzoek naar plagiaat in het wetenschappelijk onderwijs daadwerkelijk aan te vangen, is het noodzakelijk een duidelijk kader te creëren. In dit hoofdstuk zal worden omschreven wat in het kader van dit onderzoek onder plagiaat wordt begrepen.

 

2.1.           Begripsbepaling

 

Plagiaat is feitelijk niks anders dan nadoen, of toch wel?

 

Nadoen, imiteren en kopiëren komt in allerlei vormen voor. In veel gevallen worden imitaties ook als leuk en positief ervaren. Denk bijvoorbeeld aan de gewezen populaire tv-serie 'Spitting image', waarin bekende personen werden geïmiteerd. Echter, nadoen wordt in sommige gevallen juist als ongewenst en negatief ervaren, bijvoorbeeld indien een zanger de tophit van een andere zanger vertolkt, of indien een schilderij wordt nagemaakt.

 

Plagiaat is een vorm van nadoen met negatieve bedoelingen, het 'gebruiken' (feitelijk zelfs misbruiken) van andermans werk om daar op enigerlei wijze voordeel uit trekken.

 

Aangezien plagiaat inhoudt dat andermans werk wordt gebruikt, kan de term met het auteursrecht in verband kunnen worden gebracht, daar waar gebruik gemaakt wordt van auteursrechtelijk beschermd werk.[1] Plagiaat heeft bijvoorbeeld te maken met artikel 13 van de Auteurswet 1912 (verder: "Aw"), het verveelvoudigen van auteursrechtelijk beschermde werken; de term plagiaat is daarin echter niet terug te vinden. Evenzo houdt plagiaat verband met artikel 25 lid 1 sub b Aw. De maker van een werk heeft namelijk het recht zich te verzetten tegen de openbaarmaking van het werk onder een andere naam dan de zijne. Ook in dit artikel wordt de term plagiaat echter niet gebruikt.

 

De term plagiaat blijkt na veel speurwerk in het geheel niet in de Auteurswet te vinden. Sterker nog, het is niet eens een wettelijke term.[2] Voor een omschrijving van het begrip moet dus buiten de wet worden gezocht. Daarbij blijkt al snel dat een eenduidige omschrijving niet gevonden kan worden; iedere auteur heeft zijn eigen interpretatie van hetgeen plagiaat inhoudt.

 

Plagiaat wordt door Van Dale omschreven als 'letterdieverij', oftewel het overnemen van (stukken van) teksten, gedachten of redeneringen van derden en deze laten doorgaan voor eigen werk.[3] Plagiaat wordt daarnaast door Algra & Gokkel omschreven als het onrechtmatig toe-eigenen van andermans geestesproduct.[4] Zij spreken in dat kader zelfs van een onrechtmatige daad. De omschrijving van Van Empel & Geerts sluit hier redelijk op aan; zij omschrijven plagiaat als het roven van andermans geesteskinderen om ze als eigen kinderen voor het voetlicht te brengen.[5] Spoor & Verkade omschrijven plagiaat als 'datgene wat wordt gepresenteerd als iets oorspronkelijks, terwijl het in feite geheel of ten dele een nabootsing is'.[6]

 

Van Lingen waagt zich in 'Auteursrecht in hoofdlijnen' niet eens aan een omschrijving van plagiaat; het ene moment trekt hij plagiaat gelijk met nabootsing[7], in een andere context stelt hij plagiaat op één lijn met auteursrechtinbreuk.[8] Wichers Hoeth waagt zich eveneens niet aan een omschrijving, hij gebruikt de term in zijn geheel niet in zijn 'Kort begrip van het intellectuele eigendomsrecht'.[9]

 

Algra & Gokkel menen tenslotte dat, om van plagiaat te kunnen spreken, vereist is dat een bronvermelding ontbreekt danwel een aanzienlijk groter stuk tekst uit de oorspronkelijke tekst is overgenomen dan de bronvermelding aangeeft.[10] Uit deze omschrijving volgt direct dat het overnemen van stukken tekst onder voorwaarden dus is toegestaan en geen plagiaat oplevert, een uitzondering die de vorige omschrijvingen in ieder geval niet bevatten.

 

Wat veel definities van plagiaat gemeen hebben, is dat een drietal elementen steeds terugkeert:[11]

1.     er is sprake van het -al dan niet letterlijk- overnemen van teksten;

2.     de overgenomen teksten zijn van derden én oorspronkelijk;

3.     de overgenomen teksten worden gepresenteerd als zijnde eigen werk.

 

Dit laatste element impliceert altijd kwade trouw; de plagiator weet dat de door hem gebruikte tekst(en) niet van hem afkomstig is (zijn).[12] Plagiaat impliceert dan ook altijd een vorm van misleiding van de lezer. Plagiaat wordt dan ook wel als een onrechtmatige daad beschouwd.[13]

 

Ondanks deze terugkerende elementen, is de literatuur omtrent het wezen van plagiaat verre van eensgezind. De omschrijvingen en definities van plagiaat lopen ver uiteen en derhalve zal in het kader van dit onderzoek een eigen omschrijving worden gehanteerd.

 

Plagiaat wordt in deze begrepen als het zonder aanmerkelijke aanpassingen en zonder bronvermelding overnemen van (delen van) teksten van derden en de aldus verkregen 'nieuwe' tekst presenteren als zijnde eigen werk.

 

2.2.           Misverstanden

 

De Auteurswet kent een aantal uitzonderingen teneinde te voorkomen dat ieder gebruik van auteursrechtelijk beschermde werken door een derde als inbreuk zou gelden en de wet aldus als een soort keurslijf zou aanvoelen. Zo is het overnemen van berichten over actuele onderwerpen zonder toestemming van de auteur toegestaan, evenals het citeren of overnemen van stukken tekst ten behoeve van het onderwijs.[14]

 

Een groot misverstand ten aanzien van plagiaat is, dat het een vorm van auteursrechtinbreuk is. Plagiaat is namelijk niet altijd in strijd met het auteursrecht. Als iemand een boek van X opnieuw uitgeeft onder zijn eigen naam terwijl X al meer dan 70 jaar geleden is overleden, is er geen sprake van inbreuk op het auteursrecht, echter wel van plagiaat.[15] Ook levert het overnemen van stijlelementen uit het werk van een ander plagiaat op, maar is niet als auteursrechtinbreuk te kwalificeren.

 

Plagiaat en auteursrechtinbreuk kúnnen samengaan, maar zoals hiervoor geschetst, is dat niet zonder meer altijd het geval. Van inbreuk op auteursrechten is eerst sprake indien beschermde elementen van het originele werk zijn overgenomen[16] of indien gedeelten uit het originele werk zijn overgenomen zonder bronvermelding.[17]

 

Een ander misverstand is dat plagiaat gelijk te stellen is met ontlening, nabootsing of een parodie, waarbij -evenals bij plagiaat- sprake is van het overnemen van elementen uit werken van anderen.

 

Van ontlening kan sprake zijn indien een later werk opvallende overeenkomsten vertoont met een reeds bestaand werk. Indien de gelijkenis tussen de twee werken op toeval berust, is er geen sprake van auteursrechtinbreuk. Indien ontlening kan worden aangetoond, is er wel sprake van auteursrechtinbreuk.[18] Een belangrijk verschil met plagiaat is dat een tekst die ontleend is aan een andere tekst, in bepaalde opzichten lijkt op de oorspronkelijke tekst, terwijl bij geplagieerd werk sprake is van (nagenoeg) dezelfde tekst.

 

Hoewel Spoor & Verkade menen dat plagiaat 'datgene is wat wordt gepresenteerd als iets oorspronkelijks, terwijl het in feit geheel of ten dele een nabootsing is',[19] ben ik van mening dat plagiaat en nabootsing twee afzonderlijke begrippen zijn. Van een nabootsing is mijns inziens sprake indien een oorspronkelijk werk is bewerkt en in een nieuwe vorm wordt gepresenteerd, waarbij die nieuwe vorm niet zelf auteursrechtelijk beschermd is.[20] Een verschil met plagiaat is dat bij een nabootsing sprake is van bijvoorbeeld een bewerkte tekst, terwijl bij plagiaat de oorspronkelijke tekst (nagenoeg) onaangeroerd blijft.

 

Een parodie is tenslotte een ironische nabootsing van een werk, waarbij het verschil tussen de twee werken overheerst en niet de overeenstemming. Er mag slechts zoveel worden overgenomen als noodzakelijk is voor de herkenning als zijnde een parodie op een bestaand werk.[21] Bij plagiaat is er geen danwel nauwelijks verschil tussen het oorspronkelijke werk en het geplagieerde werk. Plagiaat kan om die reden zeker niet in één adem met een parodie worden genoemd.

 

Ook dient plagiaat onderscheiden te worden van navolging. Van navolging is sprake indien slechts het voorbeeld van een ander wordt gevolgd, maar diens werk verder niet wordt aangeroerd. Navolging is dan ook veelal toegestaan. De maatschappij is er immers bij gebaat als er wordt voortgeborduurd op bestaande kennis en ideeën. Navolging is eerst ongeoorloofd indien het, zonder de deugdelijkheid van het product aan te tasten, mogelijk was geweest om verschillen aan te brengen zodat het oorspronkelijke werk en het nagevolgde werk niet met elkaar verward zouden kunnen worden.[22] Is van een dergelijke situatie sprake, dan spreekt men ook wel van slaafse nabootsing, hetwelk als onrechtmatige daad kan worden aangemerkt.

 

Een laatste misverstand is dat een citaat en plagiaat verwant zijn. Citeren is als 'ingeburgerde' beperking van de Auteurswet zelfs als specifieke regeling (het citaatrecht) in de Auteurswet opgenomen (art. 15a Aw). Citeren is het zonder toestemming van de auteur overnemen van beperkte stukken tekst uit werken van derden die in de eigen tekst worden ingelast en verschilt van plagiaat daar waar bij een geplagieerde tekst geen of nauwelijks eigen tekst is toegevoegd. Ook bij citaten geldt overigens dat daarbij de bron en naam van de schrijver vermeld dienen te staan.

 

Plagiaat is, zoals in paragraaf 2.1. al werd geconstateerd, geen afgebakend begrip en om die reden is dan ook voor een eigen formulering gekozen. Wat echter immer goed in ogenschouw gehouden moet worden, is dat plagiaat niet altijd slaafs, te kwader trouw of bewust gebeurt. Er dient dan ook een duidelijk onderscheid gemaakt te worden tussen onbewuste en bewuste plagiaat.[23]

 

In de vorige paragraaf werd weliswaar aangegeven dat, indien overgenomen teksten worden gepresenteerd als zijnde eigen werk, er altijd sprake is van kwade trouw omdat de plagiator weet dat de door hem gebruikte tekst niet van hem afkomstig is, doch het kan zo zijn dat de plagiator eenvoudigweg de oorspronkelijke auteur niet kent en denkt 'vrije' informatie te gebruiken. Het ontbreken van deze wetenschap resulteert erin dat er geen sprake is van bewuste maar van onbewuste plagiaat. Het feit dat plagiaat onbewust gepleegd is, impliceert overigens niet dat dat zonder meer is toegestaan, zoals in hoofdstuk 5, dat handelt over rechtshandhaving, duidelijk zal worden.

 

2.3.           Juridisch kader

 

Hoewel plagiaat geen wettelijke term is, zal desalniettemin het juridisch kader worden aangegeven waarbinnen plagiaat beoordeeld dient te worden. De enige officiële regeling waarin de term 'plagiaat' overigens wel is gevonden, is de Code van Bordeaux, een regeling waarin ethische regels voor journalisten zijn opgenomen.[24]

 

Plagiaatprocedures spelen zich, zoals uit het voorgaande wel moge blijken, binnen het auteursrecht af op het grensgebied tussen reproduceren en bewerken.

Van reproduceren is sprake indien het originele werk in bijna identieke vorm wordt verveelvoudigd; auteursrechtelijk heeft de inbreng van degene die verveelvoudigt geen betekenis, hij vervaardigt immers niets. Van bewerken is sprake indien men aan het originele werk een eigen inbreng toevoegt, welke inbreng eventueel zodanig origineel is, dat deze auteursrechtelijk is beschermd (art. 10 lid 2 Aw).[25] Voor bewerkingen is de beperking van artikel 13 Aw van belang: een bewerking is geen verveelvoudiging als het eindproduct als een nieuw, oorspronkelijk werk kan worden beschouwd. In de rechtspraak wordt voor deze beoordeling een lakmoesproef gehanteerd: als de inbreng van de bewerker wordt weggedacht, verschijnt dan het origineel weer?[26] De Hoge Raad benadrukte in het arrest Heertje/Hollebrand dat bij een beoordeling omtrent het (on)geoorloofde karakter van een verveelvoudiging daarnaast tevens meeweegt in hoeverre het 'originele' werk daadwerkelijk origineel is; hoe minder origineel het bewerkte werk, hoe minder snel er gesproken wordt van inbreuk. [27]

 

Van plagiaat is dus geen sprake indien het 'nieuwe' werk zelf als een auteursrechtelijk beschermd werk kan worden beschouwd. Hiervan is sprake indien er veel eigen creatieve inbreng is geleverd. Een aanvullende voorwaarde om van plagiaat te kunnen spreken is derhalve dat de plagiator weinig eigen inbreng heeft geleverd.

 

Van plagiaat is overigens evenmin sprake indien het 'nieuwe' werk een exacte kopie is van het originele werk. Men spreekt dan niet van plagiaat, maar van slaafse nabootsing/verveelvoudiging. De plagiator dient dus uiteindelijk wel enige eigen inbreng te leveren.

 

Noodzakelijk voor plagiaat is tenslotte dat het 'nieuwe' werk wordt voorzien van de naam van de plagiator. Een plagiator verschilt namelijk van een piraat, daar waar de plagiator aan het 'nieuwe' werk zijn eigen naam toekent, terwijl de piraat juist zijn eigen naam onthoudt en het werk pas als geslaagd ziet wanneer het publiek zijn werk niet van het origineel kan onderscheiden.[28]

 

Kortom, juridisch gezien kan van plagiaat worden gesproken indien werken van een ander zijn overgenomen cq. gebruikt, waarbij de plagiator enige eigen inbreng heeft gehad in het eindproduct, echter niet in die mate dat van een nieuw oorspronkelijk werk kan worden gesproken, en de plagiator desalniettemin zijn eigen naam toekent aan het nieuwe werk.

 

2.4.           Afbakening domein

 

In het onderhavig onderzoek staat plagiaat bij scripties centraal, oftewel
-populair gezegd- 'ordinair jatwerk door studenten'. Dergelijk plagiaat kent drie dimensies, ofwel men laat een ander een scriptie voor jou produceren, ofwel men gebruikt een scriptie van een ander, ofwel men heeft teksten van derden verwerkt tot een scriptie.

 

In dat kader is allereerst interessant om te bezien of een scriptie auteursrechtelijke bescherming geniet. Een scriptie kan, in schriftelijke vorm, worden aangemerkt als een 'geschrift' en valt als zodanig onder artikel 10 lid 1 sub 1 Aw, dat luidt als volgt:

"1.  Onder werken van letterkunde, wetenschap of kunst verstaat deze wet:

      1°.  boeken, brochures, nieuwsbladen, tijdschriften en alle andere geschriften; …"

 

Geschriften met een oorspronkelijk karakter vallen onder de werking van voornoemd artikel. Met 'boeken, brochures, nieuwsbladen, tijdschriften' worden niet slechts die verschijningsvormen van geschriften bedoeld, doch hiermee is gemeend enkele voorbeelden te geven van vormen waarin oorspronkelijke werken publiceerbaar zijn. Onder deze oorspronkelijke werken valt ook een scriptie, waarvan immers mag worden aangenomen dat deze oorspronkelijk is en het persoonlijk stempel van de maker draagt. Een scriptie geniet dan ook auteursrechtelijke bescherming en tegen inbreuken door derden kan zonder meer worden opgetreden. Indien derhalve een scriptie van X -eventueel na bewerking- wordt gepresenteerd als zijnde een scriptie van Y, is er sprake van plagiaat. Wat overigens geldt voor alle geschriften, en uiteraard ook voor scripties, is dat zij zelf geen inbreuk op andermans auteursrechten mogen inhouden. Dat dat helaas vaak wel gebeurt, zal blijken uit de volgende hoofdstukken.

 

Daarnaast kan een scriptie bestaan uit het samenraapsel van (delen uit) andere werken, dat zonder bronvermelding en na summiere inspanningen van de bewerker als diens scriptie wordt gepresenteerd. Ook in die gevallen is er sprake van plagiaat.

 

De redenen waarom er blijkbaar op grote schaal plagiaat bij scripties wordt gepleegd, zijn divers. Zo ontbreekt het veel studenten op het laatste moment aan tijd, er is sprake van gemakzucht, de student is creatief onbekwaam of diens pogingen ontberen iedere oorspronkelijkheid.

Het plagiaat dat onderwerp is van onderhavig onderzoek zijn alle vooromschreven opties, zolang het plagiaat wordt gepleegd door studenten en het geplagieerde werk als scriptie wordt betiteld. Op welke wijze zij dit werk hebben 'geproduceerd', maakt voor het onderzoek geen verschil.

 

 

 

3.         Ontwikkeling van plagiaat

 

"Criminaliteit is van alle tijd!?"

 

Plagiaat is van alle tijden.[29] Of plagiaat ooit tot volle wasdom zal komen, of zich altijd zal blijven ontwikkelen als gevolg van nieuwe technieken, is een vraag waarop waarschijnlijk eenieder het antwoord schuldig moet blijven.

 

3.1.           Analoge versus digitale omgeving

 

De uitvinding van de drukpers halverwege de 15e eeuw wordt wel gezien als het startpunt van het auteursrecht. Dankzij de drukpers werd het immers mogelijk op relatief eenvoudige wijze boeken te reproduceren. Aangezien de kosten van een drukpers enorm waren, verkregen de drukkers van de overheid een privilege om gedurende een bepaalde tijd bepaalde werken te reproduceren. Dit privilege -dat de drukker beschermde en niet de auteur- had het karakter van een mededingingsbepaling. Bijkomend voordeel voor de overheid was dat zij op deze wijze een middel tot censuur in handen had.[30] Met de komst van de drukpers was onlosmakelijk de komst van plagiaat verbonden. Er werd ook in de beginjaren van de drukpers al volop gekopieerd;[31] de 'imitatio' was een beginsel dat in de Renaissance het kopiëren van andermans werk zelfs goedpraatte.[32]

 

Hoewel, zoals hiervoor gememoreerd, de uitvinding van de drukpers werd gezien als startpunt van het auteursrecht, pas in het begin van de 17e eeuw begon men een op het eigendomsrecht gelijkende bescherming te verlangen voor geestelijke scheppingen.[33] Pas in 1710 deed de eerste Auteurswet zijn intrede, de Engelse Statute of Queen Anne. Bescherming kwam vanaf dat moment toe aan de auteur en niet langer aan de drukker. In Frankrijk komt de auteur pas tijdens de Franse Revolutie centraal te staan en wordt het zogeheten 'droit d'auteur' geïntroduceerd. In Nederland werd het drukkersprivilege pas in 1817 verdrongen door rechten voor de auteur.[34] In 1886 krijgt het auteursrecht tenslotte een mondiaal karakter door het sluiten van de Berner Conventie. De Nederlandse Auteurswet van 1912 is een codificatie van dit verdrag.

 

Plagiaat 'ontwikkelde' zich vanaf de 15e eeuw van het aanvankelijk overschrijven van teksten, tot het herdrukken van teksten, het overtypen van teksten (de typemachine werd in 1868 uitgevonden) en later tot het kopiëren van teksten met behulp van kopieerapparatuur (de kopieermachine werd in 1906 uitgevonden). Vanzelfsprekend namen met de ontwikkeling van de techniek, niet alleen de mogelijkheden om plagiaat te plegen toe, maar uiteraard ook het aantal plagiaatgevallen. Het werd immers steeds eenvoudiger en minder tijdrovend en kostbaar om teksten van anderen over te nemen. De omgeving en het tijdperk waarin deze ontwikkelingen hebben plaatsgevonden, wordt ook wel de 'analoge omgeving' genoemd.

 

Door de uitvinding van computers, en later ook het internet, zijn nieuwe objecten voor het auteursrecht geboren: software, cd-rom's, multimedia, databanken, domeinnamen en dergelijke.[35] E.e.a. speelt zich af in wat men de 'digitale omgeving' noemt; informatie is in de digitale omgeving omgezet tot 0'en en 1'en om zodoende door een computer gelezen en/of verwerkt te kunnen worden.

 

Vooromschreven (technische) ontwikkelingen hebben steeds spanningen teweeggebracht rond de toepasselijkheid van het auteursrecht. Het auteursrecht kon in de analoge omgeving nog prima worden gehandhaafd toen het op eenvoudige en goedkope wijze mogelijk werd kopieën te maken (d.m.v. kopieerapparatuur), maar het kon niet meer worden gehandhaafd toen de computersoftware zijn intrede deed. De bescherming daarvan is via de rechtspraak en later via regelgeving, artikel 10 lid 1 sub 12 Aw, onder het auteursrecht gebracht.[36]

 

Ten aanzien van voornoemde nieuwe objecten heeft een uitbreiding van het intellectueel eigendomsrecht plaatsgevonden; de grenzen van bestaande intellectuele eigendomsrechten zijn deels verruimd en deels zijn er nieuwe intellectuele eigendomsrechten ontstaan (bv. chipsrecht, databankenrecht). Een gevolg van deze ontwikkelingen is geweest dat de beschermingsomvang en de inhoud van de bescherming uitgebreider is geworden.[37]

 

Met behulp van digitale reproductietechnieken (bv. een scanner) en een internetaansluiting is iedere consument inmiddels producent en uitgever van auteursrechtelijk beschermd materiaal geworden. Iedere consument is daarmee ook een potentiële piraat. Hugenholtz omschrijft in dit kader het internet wel als een 'wereldomspannend kopieerapparaat bediend door een miljoenenleger van gevaarlijke en anonieme piraten'.[38] De controle die rechthebbenden voorheen hadden over het verveelvoudigen en verspreiden van hun werk is verdwenen. Was vroeger nog een heel netwerk van distributeurs en winkels vereist, tegenwoordig is een druk op de knop voldoende om een bepaald werk de wereld rond te laten gaan.[39]

 

De digitalisering van informatie heeft geleid tot een oneindige kopieerbaarheid (ook geen kwaliteitsverliezen meer!) en manipuleerbaarheid, en heeft daarmee het auteursrecht voor nieuwe uitdagingen gesteld.[40] Het internet, als overtreffende trap, heeft gezorgd voor het wegvallen van territoriale grenzen, ultieme anonimiteit en een toename van piraterij, e.e.a. zeker ook als gevolg van peer-to-peer technieken.[41] Deze laatste ontwikkeling heeft ervoor gezorgd dat niet alleen op 'openbare' sites kan worden gezocht naar informatie, maar tevens binnen computers van aangesloten privé-personen.

 

Digitale technieken hebben tot gevolg dat een waarneembaar gemaakt exemplaar van een digitaal werk exact gelijk is aan het oorspronkelijke werk dat werd gedigitaliseerd; het oorspronkelijke werk is omgezet in 0'en en 1'en en dat geheel is door een computer weer waarneembaar gemaakt door de 0'en en 1'en te 'vertalen' in een waarneembare vorm. Je zou dus kunnen zeggen dat het feitelijk meer gaat om het klonen van een werk dan om het kopiëren.[42] Maar, digitalisering van een auteursrechtelijk beschermd werk is een verveelvoudiging, je zet een analoog werk om in 0'en en 1'en, en daarvoor is dus zonder meer toestemming van de auteur vereist.

 

Zoals duidelijk moge zijn, heeft plagiaat met de komst van de computer en het internet pas echt een vlucht kunnen nemen. Niet alleen werd het mogelijk om werken te digitaliseren, en zodoende makkelijker te kopiëren en verspreiden, ook konden op eenvoudige wijze teksten worden geknipt, gekopieerd en samengevoegd tot een nieuw geheel. De toegang tot informatie werd door het internet kinderlijk eenvoudig; met behulp van een zoekmachine is de benodigde tekst of het gezochte onderwerp snel gevonden. Het plegen van plagiaat is in de digitale omgeving niet alleen kinderlijk eenvoudig geworden, het is bovendien kosteloos en vergt nauwelijks inspanningen.

 

3.2.           De rol van ICT

 

Zoals in de voorgaande paragraaf al werd gesteld, is de toegankelijkheid van informatie, als gevolg van de opkomst van het gebruik van ICT-middelen, en met name ook het internet, aanzienlijk toegenomen, en daarmee ook de mogelijkheden om plagiaat te plegen. Er wordt wel gesteld dat als gevolg van de doorbraak van het internet een tijdperk is ontstaan waarin de 'traditionele' auteursrechten vervagen.[43] Deze ontwikkeling heeft ertoe geleid dat in 1997 het Auteursrechtverdrag van de World Intellectual Property Organisation (verder: "WIPO") tot stand is gekomen, waarin is vastgelegd dat de beschikbaarstelling van werken via internet het exclusieve recht is van de auteursrechthebbende.[44]

 

Hoewel het beschikbaar stellen van werken via het internet is voorbehouden aan de respectievelijke auteursrechthebbenden, wordt door het internet het auteursrecht an sich impliciet uitgehold. Providers zijn namelijk gerechtigd ten behoeve van een efficiënter internetverkeer (tijdelijke) kopieën te maken en voorzieningen te creëren ten behoeve van caching. Gebruikers op hun beurt zijn gerechtigd om te 'browsen', hetgeen eveneens een noodzakelijke vorm van kopiëren bij internetgebruik impliceert. Het voorgaande maakt duidelijk dat met het beschikbaar stellen van zijn werk op het internet, de auteursrechthebbende impliciet derden toestemming geeft kopieën te maken van zijn werk. De controle die de auteursrechthebbende in een analoge omgeving nog heeft over zijn werk, is na beschikbaarstelling van zijn werk op het internet drastisch afgenomen. Hoever de kopieerbevoegdheid op het internet precies gaat, is helaas nog niet uitgekristalliseerd. Duidelijk is wel dat ten behoeve van vooromschreven vormen van kopiëren wettelijke uitzonderingen dienen te worden gemaakt teneinde onduidelijkheden te voorkomen.

 

Voor software is een dergelijke uitzondering ook gemaakt; verveel-voudigingen, vervaardigd door de rechtmatige verkrijger van een exemplaar van de software (licentie), die noodzakelijk zijn voor het beoogde gebruik van de software, leveren geen inbreuk op het auteursrecht op.[45] Om die reden is het een softwaregebruiker ook toegestaan een kopie te maken ten behoeve van back-updoeleinden.

 

De moeilijkheid van ICT, en met name het internet, is dat er geen (wereldwijde) organisatie is die over het internet kan beslissen. Toegang van internetgebruikers en internetaanbieders is in principe vrij, er is geen controlemechanisme of toegangsregistratie. Het gebruik van internet is evenmin gebonden aan bepaalde gedragsregels. Overheidscontrole op het internet is zeer gering, het overtreden van bepaalde normen is dan ook zeer moeilijk te bestrijden. De snelheid en vluchtigheid van informatietechnologie maakt het oplossen van onduidelijkheden en problemen des te groter. Bovendien is het internet internationaal; de nationale rechtsordes bieden dan ook onvoldoende steun. Van belang is daarom dat er internationale regelgeving komt, echter de snelheid waarmee (de mogelijkheden van) het internet zich ontwikkelt ligt vele malen hoger dan de snelheid waarmee regelgeving, en zeker internationale bepalingen, kan worden gerealiseerd.[46]

 

De spanningen die met name het internet voor het auteursrecht teweeg heeft gebracht, zijn enorm. Hugenholtz memoreerde dat het, volgens deskundigen, tussen het internet en het auteursrecht waarschijnlijk nooit meer goed komt.[47] Dommering vreesde zelfs in 1994 al dat 'het auteursrecht door het elektronisch vergiet zou wegspoelen'.[48] Met Hugenholtz ben ik van mening dat de grondslagen van het auteursrecht als gevolg van het internet opnieuw ter discussie komen te staan.[49] Denk maar eens aan het wegvallen van grenzen; het internet is een grenzeloos, wereldwijd netwerk, door welk recht wordt dit geregeld? Denk daarnaast aan de ongekende mogelijkheden van het internet; voldoet het huidige stelsel van beperkingen nog of dienen er aanpassingen plaats te vinden?

 

De huidige auteurswetten hebben allemaal een nationaal karakter. De komst van de Berner Conventie (verder: "BC") heeft daar helaas niets aan veranderd. De BC garandeert slechts dat men in een 'vreemd' land niet minder rechten heeft dan de ingezetenen van dat land. Dat is echter iets heel anders dan een mondiaal recht. Ook het WIPO-Auteursrechtverdrag maakt nog geen einde aan deze situatie; het verdrag is met name bedoeld om het auteursrecht beter af te stemmen op nieuwe digitale technologieën[50], en heeft niet ten doel een internationaal auteursrecht te bewerkstelligen. De meest recente 'poging' om tot een mondiaal auteursrecht te komen, de Harmonisatierichtlijn[51], heeft eveneens als nadeel dat de bepalingen in nationale wetten moeten worden omgezet cq. geïmplementeerd. Tot een eenduidige internationale Auteurswet zal het voorlopig dan ook nog niet komen, dit terwijl de ontwikkelingen van met name het internet daar wel toe uitnodigen.

 

3.3.           De scriptie

 

In navolging van de analyse die Hugenholtz maakte van het downloaden van muziek via Napster[52], om daarmee vast te stellen of downloaden van muziek inbreuk maakt op auteursrechten, zal in deze paragraaf worden bezien op welke wijze een plagiaat-scriptie inbreuk maakt op auteursrechten van derden.

 

Wat gebeurt er feitelijk indien er bij het samenstellen van een scriptie plagiaat wordt gepleegd? Er wordt een kopie gemaakt van (een deel van) een tekst, die vervolgens zonder vermelding van de bron weer wordt gepresenteerd. Voor wat betreft het maken van de kopie, is dat geoorloofd? Ja, op grond van artikel 16b Aw is het toegestaan voor eigen gebruik of studie een kopie te maken. Tot dusverre geen probleem, de scriptie is immers onderdeel van de studie. Aan een aantal voorwaarden dient echter te worden voldaan. Op grond van artikel 16b lid 2 Aw moet het verveelvoudigen van een boek, tijdschrift of ander geschrift (bv. een andere scriptie) beperkt blijven tot 'een klein gedeelte van het werk'. Kortom: geen verveelvoudiging van complete werken. Echter, deze beperking geldt niet voor wat betreft 'werken waarvan redelijkerwijs mag worden aangenomen dat er geen nieuwe exemplaren tegen betaling, in welke vorm ook, aan derden ter beschikking worden gesteld' (art. 16b lid 2 sub a Aw). Deze laatste exceptie zou dus kunnen gelden voor scripties van derden. Die worden normaliter niet tegen betaling aan derden ter beschikking gesteld. Het zou op grond van die exceptie dus toegestaan zijn om een scriptie van een ander volledig over te nemen.

 

Er geldt nog een tweede exceptie; de beperking geldt ook niet voor in dag-, nieuws- of weekblad of tijdschrift verschenen korte artikelen, berichten of andere stukken (art. 16b lid 2 sub b Aw). Op grond van deze exceptie is het dus tevens toegestaan volledige artikelen over te nemen ten behoeve van de eigen scriptie. Voor wat betreft het verveelvoudigen tot dusverre geen problemen; de student kan ten behoeve van zijn scriptie probleemloos delen van boeken kopiëren, complete scripties van derden en/of complete artikelen uit bijvoorbeeld een tijdschrift overnemen.

 

Maar, nog afgezien van het mogelijke probleem ten aanzien van het weglaten van de bronvermelding en het toevoegen van de eigen naam, is het op grond van artikel 16b lid 5 Aw niet toegestaan verveelvoudigingen, die als hiervoor omschreven hebben plaatsgevonden, aan derden ter beschikking te stellen. Het is de student dus niet toegestaan zijn 'knip- en plakwerk' aan derden, de examencommissie incluis, af te geven. Enkel al op grond van deze bepaling kan een via knip- en plaktechnieken samengesteld werk niet worden afgeleverd als scriptie.

 

Bovendien is het op grond van een arrest uit 1952 niet toegestaan de aldus vervaardigde verveelvoudigingen buiten de besloten kring openbaar te maken.[53] Onder de besloten kring wordt verstaan- dit is uitgemaakt in het Willem Dreeshuis-arrest[54]- de familie- of vriendenkring of 'een groep van personen tussen wie andere, nauwelijks minder hechte, banden van persoonlijke aard bestaan'. De examencommissie, aan wie de student zijn scriptie dient te overhandigen, behoort uiteraard niet tot deze categorie personen.

 

Kortom, welke wijze van plagiaat de student ook hanteert, op grond van de Auteurswet is het hem in ieder geval niet toegestaan zijn plagiaat-scriptie aan de examencommissie ter hand te stellen.

 

3.4.           Conclusie

 

Plagiaat is inderdaad van alle tijden. Het is begonnen in de 15e eeuw met het overschrijven van teksten en vindt thans nog steeds plaats in de vorm van het 'knippen en plakken' op internet. Met de diverse ontwikkelingen, zoals de uitvinding van de kopieerapparaten en de pc, zijn de mogelijkheden om plagiaat te plegen ongekend gegroeid. Aangenomen wordt dat het aantal plagiaatgevallen daardoor fors is toegenomen. Deels komt dat uiteraard door de toegenomen mogelijkheden, maar met name ook door de snelheid en het gemak waarmee plagiaat tegenwoordig via internet gepleegd kan worden én het ontbreken van kosten. Zoals in de inleiding al aangehaald, en zoals ook in het volgende hoofdstuk zal blijken, heeft het plagiaat zich door het internet kunnen ontwikkelen tot een bloeiende industrie.

 

De rol die ICT in deze ontwikkelingen heeft gespeeld is evident; zonder ICT was het met plagiaat zover niet gekomen. De specifieke structuur van het internet heeft met name in het voordeel van de eindgebruikers gewerkt en heeft een aantal 'problemen' voor auteursrechthebbenden opgeworpen. Zo zijn providers gerechtigd ten behoeve van sneller internetverkeer (tijdelijke) kopieën te maken en zijn internetgebruikers gerechtigd om te 'browsen', hetgeen automatisch ook kopiëren impliceert. De zeggenschap die de auteursrechthebbenden in de analoge omgeving nog hadden over hun werken, is door publicatie op het internet sterk afgenomen.

 

Een ander 'probleem' dat het internet met zich brengt, is dat er geen wereldwijde organisatie is met zeggenschap op het internet. Het internet is internationaal, gebruikers zijn soms anoniem, kortom een voedingsbodem voor onduidelijkheden. Deze onduidelijkheid kan het beste worden aangepakt door internationale wet- en regelgeving. Alle pogingen die echter op dat terrein zijn ondernomen, zijn gestrand in nog meer richtlijnen en regels die iedere verdragsstaat in eigen nationale wetten moet implementeren. Een eenduidige internationale Auteurswet is voorlopig dan ook nog niet in zicht.

 

Gezien de mogelijkheden van het internet, is het niet verwonderlijk dat het knip- en plakwerk van auteursrechtelijk beschermde werken bij scripties de laatste jaren sterk is toegenomen. Vastgesteld is dat het knip- en plakwerk in bepaalde situaties is toegestaan, bijvoorbeeld in het kader van een studie, mits aan bepaalde stringente voorwaarden wordt voldaan. De schoen wringt echter nog niet zozeer bij het samenstellen van de scriptie, er zijn wat beperkingen in de Auteurswet die knippen en plakken soms toestaan, het probleem ontstaat pas bij het aan de examencommissie overhandigen van de scriptie. Het is namelijk op grond van de Auteurswet niet toegestaan voor de studie gekopieerde teksten te verveelvoudigen om vervolgens aan derden ter beschikking te stellen, noch is het geoorloofd de gemaakte verveelvoudigingen buiten de familie- of vriendenkring ter beschikking te stellen. Dus al zou een scriptie met overgenomen teksten van anderen strikt genomen geoorloofd zijn conform de beperkingen van de Auteurswet, de student mag deze scriptie feitelijk niet verveelvoudigen en aan de examencommissie overhandigen!

 

 

 

4.         Universiteiten

 

"Op de campus krioelt het van de boefjes!?"

 

De (inter)nationale campus lijkt een broedplaats van fraudeurs, piraten en plagiatoren te zijn. Mede dankzij de diverse technologische ontwikkelingen van de afgelopen decennia zijn studenten steeds creatiever geworden in het op eenvoudige wijze verwerven van studiepunten en zelfs hun bul en titels, danwel in het drijven van lucratieve illegale handeltjes. Een willekeurige greep uit het 'assortiment': betalen voor het toekennen van studiepunten[55], handel in illegale software, muziek en films via het universiteitsnetwerk[56], antwoorden op tentamens via sms verwerven[57] en het downloaden van een scriptie van een ander.[58]

 

Zoals in de inleiding al aangegeven, handelt deze scriptie uitsluitend over plagiaat; vorenstaande opsomming is dan ook slechts bedoeld om aan te geven dat de 'boefjes' waar deze scriptie om draait, zich vaak niet slechts beperken tot plagiaat.

 

Studenten hebben, zoals in het kort in paragraaf 2.4. al aangegeven, verschillende manieren ontdekt waarop bij het afleveren van een scriptie plagiaat kan worden gepleegd:

·       iemand anders in opdracht een scriptie laten schrijven (andere student, een deskundige/bekende, danwel een commerciële organisatie) en als jouw werk inleveren;

·       een scriptie van een ander kopiëren, misschien deels aanpassen cq. uitbreiden, en inleveren als jouw werk;

·       een scriptie maken door allerlei materiaal van derden te kopiëren en samen te voegen en e.e.a. presenteren als jouw werk.

 

In dit hoofdstuk zal aandacht worden besteed aan de huidige situatie op universiteiten met betrekking tot plagiaat, de eventuele regelingen die universiteiten daaromtrent hanteren, alsmede de projecten die op dit gebied reeds zijn uitgevoerd cq. opgestart. Teneinde een vergelijking te kunnen maken, wordt zowel de nationale situatie alsook de internationale situatie belicht, waarbij voor wat betreft de internationale situatie de ogen vooral zijn gericht op de situatie in de Verenigde Staten.

 

4.1.           Nationaal

 

Hoewel we dat natuurlijk graag anders zouden zien, is plagiaat geen kwaad dat zich slechts buiten onze grenzen afspeelt. Ook in Nederland zijn diverse plagiaatgevallen bekend, en gezien de aandacht die de Nederlandse universiteiten momenteel aan dit onderwerp besteden en de snelheid waarmee plagiaatprojecten worden opgestart, mag worden geconcludeerd dat de maat voor veel faculteiten vol is. Studenten worden ook steeds creatiever; ze blijken hun scripties niet langer slechts te betrekken van andere studenten, er zijn zelfs sites waar je op onderwerp scripties kunt selecteren uit een enorm aanbod.

 

Louter illustratief is een plagiaatgeval uit 1997: Het boek 'Journalistieke Genres' van M. Kimmel -een exacte kopie van haar scriptie voor de Rijksuniversiteit Leiden!- werd wegens plagiaat uit de handel genomen.[59] Er waren in het boek en de scriptie namelijk te veel passages veelal letterlijk uit twee reeds verschenen handboeken overgenomen. Achteraf bezien zou de scriptie dus ook als plagiaat aangemerkt dienen te worden; mevrouw Kimmel was inmiddels echter -gelukkig voor haar- al afgestudeerd.

 

4.1.1.   Huidige situatie

 

Aangenomen mag worden dat van analoog plagiaat vrijwel geen sprake meer zal zijn; welke student schrijft of typt immers tegenwoordig zijn scriptie nog uit? Als er dan al wordt geplagieerd, dan dus digitaal, meestal via het internet.

 

Zoals hiervoor al aangegeven, zijn er drie manieren waarop de moderne student zijn plagiaat-scriptie kan doen ontstaan. Veelal zal daarbij gebruik gemaakt worden van het internet. Niet alleen algemene informatie kan op het internet snel worden opgezocht, ook staan er de student diverse sites ter beschikking waarvan kant en klare scripties gedownload kunnen worden.[60] Een greep uit het aanbod van dergelijke Nederlandstalige sites is ter illustratie opgenomen als Bijlage II.

 

Na bestudering van deze sites blijkt de kwaliteit van de aangeboden scripties niet overweldigend te zijn; waarschijnlijk zullen slechts weinig studenten op deze wijze een kant en klare scriptie bemachtigen. Uiteraard kan een dergelijke scriptie wel altijd als basis cq. uitgangspunt worden gebruikt om op het onderwerp voort te borduren, daarbij wederom gebruik makend van het internet.

 

Aannemelijk is dat het meeste plagiaat nog wordt gepleegd door scripties van anderen, al dan niet na wijzigingen en/of toevoegingen, van de eigen naam te voorzien en als 'eigen' scriptie te overhandigen aan de scriptie-begeleider. Dat is ook de reden waarom vanuit verschillende kanten wordt aangespoord om studenten beter te gaan begeleiden tijdens het schrijven van hun scriptie[61], om op die wijze tussentijdse resultaten op te kunnen vragen en bij twijfel studenten alsnog in een andere richting te dwingen, danwel aanvullend onderzoek te laten uitvoeren.

 

Dat plagiaat een groot probleem is voor universiteiten moge duidelijk zijn, vrijwel iedere universiteit besteedt op enigerlei wijze aandacht aan het onderwerp plagiaat.[62] De ene universiteit is inmiddels druk doende maatregelen te treffen[63], andere universiteiten hebben nog geen concrete projecten opgestart en maken er vooralsnog slechts zijdelings melding van in universiteitsbladen.[64]

 

4.1.2.   Regelingen

 

Het merendeel van de Nederlandse rechtenfaculteiten kent ten aanzien van plagiaat cq. fraude een gelijksoortige regel; het betreffende tentamen cq. werkstuk kan ongeldig worden verklaard, en de student kan gedurende maximaal één jaar worden uitgesloten van verdere deelname aan de betreffende cursus.[65]

 

De Universiteit Leiden kent bijvoorbeeld zo'n regeling; een geplagieerde scriptie kan ongeldig worden verklaard en de student kan worden uitgesloten van deelname aan de betreffende cursus gedurende één jaar.[66]

 

Ook de Erasmus Universiteit Rotterdam sanctioneert een frauderende student met uitsluiting van het betreffende examenonderdeel gedurende de periode van maximaal één jaar.[67]

 

Ook de rechtenfaculteit van de Universiteit Maastricht hanteert een soortgelijke regel; op fraude staat maximaal een jaar uitsluiting van het betreffende examenonderdeel. Bovendien behoort een "dringend advies de studie aan deze faculteit te staken" tevens tot de mogelijkheden.[68]

 

Ook de regeling bij de Universiteit van Tilburg ten aanzien van frauderende cq. plagiërende studenten is dat zij gedurende maximaal één jaar uitgesloten kunnen worden van deelname aan een bepaalde cursus.[69] Het merendeel van de voorzitters van de examencommissies van de diverse Tilburgse faculteiten pleit echter voor zwaardere straffen voor zogenaamde 'recidivisten', studenten die in herhaling vallen, en voor studenten die fraude of plagiaat plegen bij hun scriptie. Men pleit in die gevallen voor het verwijderen van de student van de universiteit.[70] Strafrechtelijke vervolging van de betreffende studenten gaat de meeste voorzitters vooralsnog te ver. Vriesendorp, voorzitter van de examencommissie van de rechtenfaculteit, meent echter dat het strafrecht als ultimum remedium niet mag ontbreken.[71]

 

4.1.3.   Projecten

 

In Nederland zijn in de afgelopen jaren meerdere projecten opgestart cq. uitgevoerd waarbij het opsporen van fraude en/of plagiaat het centrale thema is geweest.

 

Sinds begin jaren '90 wordt op de Erasmus Universiteit Rotterdam gewerkt met het aldaar ontwikkelde CODAS-programma (Computer Ondersteunend Document Analyse Systeem).[72] Het systeem is aanvankelijk ontwikkeld als hulpmiddel bij het nakijken van open-vraag opdrachten van studenten; doel was tijdsbesparing voor docenten. Momenteel kent het programma twee functionaliteiten: het nakijken van opdrachten en het controleren op fraude. Op de specifieke werking van het programma wordt in hoofdstuk 6 nader ingegaan.

 

Het CODAS-programma wordt inmiddels in den lande door meerdere organisaties ingezet; Edu'Actief maakt sinds ± 1995 van de CODAS-programmatuur gebruik voor haar systeem, de Nationale Nakijkcentrale, een systeem dat inmiddels bij diverse onderwijsinstellingen sinds jaren wordt gebruikt.[73]

 

Ook de tentamens van bijvoorbeeld de Leidse strafrechtstudenten zijn het afgelopen jaar nagekeken met behulp van het CODAS-programma, met als doel fraude- en plagiaatgevallen te detecteren.[74] De software maakt niet alleen duidelijk dat er gefraudeerd is, maar geeft zelfs aan welke studenten daarbij hebben samengewerkt. Bij de eerste ronde van ongeveer 650 tentamens werden nog 79 fraudegevallen ontdekt, bij de tweede ronde waren dat er slechts nog 19.

 

Ook de Rijksuniversiteit Groningen is de strijd tegen plagiaat begonnen. Zo pleit de faculteit Letteren, naar aanleiding van een recent plagiaatincident met twee uitwisselingsstudenten, voor invoering van een gedragscode die studenten bij aanvang van de studie dienen te ondertekenen.[75]

 

De faculteit economie van de Rijksuniversiteit Groningen gebruikt het computersysteem EVE2, en heeft het gebruik daarvan zelfs vastgelegd in het examenreglement.[76] Het systeem is een zogeheten plagiaatscanner; het controleert of een aangeleverde scriptie niet teveel overeenkomsten vertoont met bronnen op het internet. Indien overeenkomsten worden geconstateerd, geeft het systeem aan uit welke bronnen de overgenomen teksten afkomstig zijn. Een nadeel van dit systeem is dat het slechts controleert aan de hand van internetbronnen en niet aan de hand van bijvoorbeeld scripties van andere studenten van de eigen faculteit danwel van andere faculteiten. Het systeem ontdekt daarmee slechts overeenkomsten indien die scripties on-line staan.

 

De Universiteit Maastricht, in het bijzonder de faculteit Economische Wetenschappen en Bedrijfskunde, heeft onder de noemer ELEUM-project (electronic learning environment Universiteit Maastricht) een onderzoek uitgevoerd naar de verschillende plagiaatdetectie-systemen die momenteel verkrijgbaar zijn.[77] De resultaten van dit onderzoek zijn vooralsnog geen aanleiding geweest om dergelijke software structureel in te zetten in de strijd tegen plagiaat in het onderwijs. In hoofdstuk 6 zal aan dergelijke systemen overigens uitgebreid aandacht worden besteed.

 

Portfolio's voor scripties en andere zelfwerkzaamheidsprojecten in het juridisch onderwijs, is een project van de Universiteit van Tilburg in samenwerking met de Erasmus Universiteit Rotterdam. Beoogd is een systeem te ontwikkelen waarbij: docenten en studenten ondersteund worden bij het administratieve proces rondom o.a. scripties, documenten tussen beiden op elektronische wijze worden uitgewisseld, de student een portfolio kan opbouwen, een fraude-check om fraude en plagiaat op te sporen en te voorkomen wordt uitgevoerd en waarbij definitieve scripties in een database met uitgebreide zoekmogelijkheden worden ondergebracht.[78] Met name de controle van scripties op plagiaat en fraude, alsmede het vooruitzicht dat scripties openbaar gemaakt worden, moet een positief effect op de kwaliteit van scripties hebben.

 

Het project 'Scripties Online', een gezamenlijk project van de Universiteit van Twente (UT), Erasmus Universiteit Rotterdam (EUR) en Rijksuniversiteit Groningen (RUG), beoogt eveneens het opzetten van een nationale database van afstudeerscripties, ingedeeld naar wetenschappelijke discipline en voorzien van een zoekfaciliteit.[79] Daarnaast zal een demo ontwikkeld worden van een geïntegreerde faciliteit voor het vergelijken van scripties. Het project heeft als eindresultaat een database van afstudeerscripties op het gebied van de bestuurskunde en de bedrijfskunde, gevoed door de EUR, RUG en UT.

 

Vermeldenswaardig is ook het project van een docent van de Leidse faculteit der Sociale Wetenschappen; deze denkt het ei van Columbus te hebben uitgevonden om plagiaat te voorkomen én op te sporen.[80] Om plagiaat te voorkomen bakent hij zijn opdrachten inhoudelijk zeer precies af en wijzigt dat ieder jaar slecht gedeeltelijk, hij laat studenten deelessays inleveren en de door hem gegeven feedback dient verwerkt te worden in de volgende versie. Daarnaast waarschuwt hij zijn studenten vooraf voor plagiaat en verzoekt hen te zorgen voor een zorgvuldige bronvermelding.

 

Het opsporen van plagiaat is voor hem door zijn wijze van werken vrij eenvoudig. Niet alleen de opdracht wijzigt ieder jaar iets, maar ook de wijze waarop men de opdracht dient te presenteren; de verplichte lay-out wijzigt ieder jaar, de wijze van nummering (het ene jaar nummers, het andere jaar cijfers, etc.), de volgorde waarin opdrachten dienen te worden ingeleverd, hij gebruikt in zijn opdrachten ieder jaar andere synoniemen (senaat/eerste kamer, integratie/samensmelting, etc.) en bovendien wijzigt hij de te hanteren literatuurlijst op details ('&' in een titel vervangen door 'en', etc.).

 

Door zijn systeem kan hij plagiaat veelal feilloos opsporen én aantonen. Aan de hand van de gebruikte lay-out, nummering, woorden e.d. kan hij zelfs aantonen uit welk jaar de 'bron' afkomstig is. Voor de examencommissie van de Leidse universiteit is deze methode voldoende overtuigend; betrapte studenten worden veroordeeld wegens fraude.

 

Kortom, op allerlei fronten en op allerlei manieren wordt de strijd tegen plagiaat in het onderwijs vorm gegeven. Zoals uit de volgende paragrafen zal blijken, staat Nederland daarin niet alleen.

 

4.2.           Internationaal

 

Dat studenten wereldwijd het internet niet alleen als handige en snelle informatiebron zien, maar tevens als 'toeleverancier' van complete scripties, blijkt wel uit een aantal onderzoeken. De University of Virginia heeft een computersysteem ontwikkeld waarbij scripties onderling gecontroleerd kunnen worden op plagiaat. Van de 1500 gecontroleerde scripties bleek in 122 gevallen plagiaat te zijn gepleegd (ruim 8%), voor de universiteit aanleiding om een website speciaal aan het onderwerp plagiaat te wijden.[81] Uit een omvangrijk Australisch onderzoek blijkt dat maar liefst ruim 14% van de studenten plagiaat pleegt.[82] Een onderzoek op de Berkeley University of California wees uit dat zelfs na een waarschuwing dat hun werk door een computer onderzocht zou worden, nog ruim 15% van de studenten plagiaat pleegde.[83] Plagiaat is dus zeker geen probleem waar alleen de Nederlandse universiteiten mee te kampen hebben, het is een wereldwijd probleem.

 

4.2.1.   Huidige situatie

 

Uit uitgebreide onderzoeken blijkt dat ongeveer 80% van de studenten ooit fraudeert, waarbij de wijze van het bedrog uiteenloopt van spieken tot het plegen van plagiaat.[84] Het daadwerkelijk plegen van plagiaat schijnt door maar liefst 36% minstens eenmaal gedurende de studietijd te gebeuren.[85]

 

Met name in de Verenigde Staten blijkt plagiaat een levendige industrie geworden, de zogeheten 'paper-mills', draaien daar op volle toeren. Is het aanbod en de kwaliteit van dergelijke Nederlandstalige sites wat mager, de Engelstalige sites omvatten een ruimer en kwalitatief beter aanbod. Een aantal Engelstalige sites is ter illustratie in Bijlage II opgenomen.

 

Dergelijke websites moedigen vaak studenten aan hun scripties beschikbaar te stellen voor andere studenten. Geloof me, over ieder willekeurig onderwerp waarover je een scriptie wilt schrijven, is er al ooit een geschreven, en die is met één druk op de knop te kopiëren! Er zijn zelfs sites/organisatie waar je -tegen betaling- een scriptie over een door jou gekozen onderwerp kunt laten maken.

 

4.2.2.   Regelingen

 

Na onderzoek blijkt dat met name in de VS een groot aantal universiteiten een 'honor code' heeft opgesteld, die studenten veelal bij aanvang van de studie dienen te ondertekenen. In deze 'honor code' zijn de regels vastgelegd omtrent plagiaat; wat wordt door die universiteit onder plagiaat verstaan, hoe vindt controle plaats, welke sancties kunnen volgen na ontdekking, etc., etc..[86] Veelal volgt na vaststelling van plagiaat -zonder excuus- verwijdering van de universiteit.

 

Eijffinger, hoogleraar aan de Universiteit van Tilburg, die recent een half jaar gastcolleges heeft gegeven aan de Harvard University in Cambridge Massachussetts, komt ook tot deze conclusie; plagiaat leidt op de Amerikaanse topuniversiteiten zonder discussie tot verwijdering van de universiteit.[87]

 

Even hard wordt de plagiërende student van de Universiteit Stellenbosch (Zuid-Afrika) gestraft. Plagiaat leidt ertoe dat je voor dat betreffende vak nooit meer een herkansing krijgt, hetgeen automatisch betekent dat je de opleiding niet kunt afronden.[88]

 

Iets milder is de Vrije Universiteit Brussel; deze acht plagiaat weliswaar volstrekt ontoelaatbaar doch plagiaat leidt 'slechts' tot afwijzing van de scriptie, de student slaagt niet, maar heeft wel recht op een tweede kans.[89]

 

De algemene indruk is dat men in Nederland redelijk 'mild' omgaat met plagiërende studenten, deze worden normaliter een tweede kans geboden om alsnog het betreffende vak correct af te ronden, waardoor men de mogelijkheid blijft behouden de opleiding te beëindigen.

 

4.2.3.   Projecten

 

Uiteraard worden ook door universiteiten in het buitenland activiteiten ontplooid om plagiaat tegen te gaan. Vanwege het overweldigende aantal afgeronde cq. lopende projecten voert het in dit kader te ver om alle projecten te bespreken en wordt slechts een tweetal projecten kort belicht.

 

Eén van de meest belangrijke projecten op dit gebied is geweest een onderzoek van het Center for Academic Integrity in de VS. Men constateerde dat bijna 80% van de studenten fraudeert. Bij een naar aanleiding hiervan uitgevoerd vervolgonderzoek op de Berkeley University of California bleek dat daar ruim 30% van de studenten ooit plagiaat pleegde gedurende de studie. Barrie, een van de docenten van Berkeley University, ontwikkelde vervolgens Turnitin.com, een softwareprogramma dat papers/scripties vergelijkt met werken op het internet en met werken in een eigen database van eerder gecontroleerde scripties.[90] Deze databank wordt inmiddels door ruim 20.000 onderwijsinstellingen uit de VS, Canada, Nieuw-Zeeland en Engeland gevoed. Barrie heeft met deze 'uitvinding' baanbrekend werk verricht in de strijd tegen plagiaat in het onderwijs.

 

De Universiteit van Northumbria (UK) biedt sinds september 2002 Engelse universiteiten de mogelijkheid om werkstukken/scripties ter controle aan te bieden aan de Plagiarism Advisory Service van de universiteit.[91] Aangeboden scripties worden vergeleken met teksten op het internet en met scripties van andere studenten, zowel van de eigen universiteit alsook van andere instellingen, voor zover deze hun werken on-line aanbieden. Voor de uit te voeren controles wordt gebruikt gemaakt van een detectiesysteem dat gebaseerd is op Turnitin.com, het hiervoor reeds aangehaalde softwareprogramma, waaraan in hoofdstuk 6 overigens uitgebreider aandacht zal worden besteed.

 

4.3.           Conclusie

De algemene mening van docenten en universiteiten blijkt te zijn, zowel nationaal als internationaal, dat het voorkomen van plagiaat nog steeds beter is dan het sanctioneren ervan.

 

In dat kader blijkt een internationale trend in ieder geval te zijn om elektronische portfolio's van studenten aan te leggen[92], zodat studenten derden inzicht kunnen geven in hun werk gedurende hun studietijd, bijvoorbeeld in het kader van sollicitaties. Bovendien kunnen instellingen deze portfolio's gebruiken als vergelijkingsmateriaal bij de inzet van fraudecontrole-systemen. Die 'dreiging' dat hun werk openbaar wordt gemaakt en dat er een fraudecontrole plaatsvindt, blijkt vaak al veel studenten aan te zetten tot eigen inspanningen. Men ziet dan liever af van knip- en plakwerk.

 

Het voorkomen van plagiaat kent mijns inziens twee dimensies. Enerzijds kan de student trachten te voorkomen dat zijn werk als plagiaat wordt gezien, door consequent en nauwkeurig zijn bronnen te vermelden of, indien wordt aangesloten bij het gedachtengoed van een bepaalde bron of studie, door een bepaalde bron als algemene referentie aan te geven.

 

Anderzijds kan de universiteit proberen plagiaat te voorkomen, door de onderwijsmethode aan te passen.[93] Zo kan plagiaat wellicht worden voorkomen danwel worden teruggedrongen door:

·       meer aandacht aan het proces van schrijven van de scriptie te besteden dan aan het uiteindelijke eindproduct;[94]

·       studenten meer te begeleiden tijdens het schrijven van hun scriptie om zodoende de vorderingen van de student te kunnen controleren en tussentijds bij te kunnen sturen;[95]

·       meer bekendheid te geven aan plagiaat.[96] Veel studenten plegen onbewust uit onwetendheid, slordigheid of vergeetachtigheid plagiaat;

·       studenten te leren hoe plagiaat voorkomen kan worden. Leer studenten goed te verwijzen naar bronnen;[97]

·       studenten actuele onderwerpen in hun scriptie te laten behandelen, dat voorkomt dat er 'tweedehands' materiaal wordt gebruikt;

·       studenten in hun scriptie een specifieke vraag te laten behandelen.[98] De kans is klein dat precies dezelfde vraag ooit eerder onderwerp van een ander onderzoek is geweest. Indien de student in 'zijn' scriptie afwijkt van de eigenlijke vraagstelling, moeten er bij de docent al wat lichtjes gaan branden;

·       studenten (een deel van) hun scriptie in een presentatie te laten toelichten, en eventueel inhoudelijke vragen te stellen. Dat voorkomt dat men zich er met wat knip- en plakwerk vanaf maakt, ofwel men valt door de mand doordat blijkt dat de 'kennis' slechts op papier staat, maar de student in feite van het onderwerp weinig of niets afweet.

 

Een groot 'voordeel' in de strijd tegen plagiaat is voor de Nederlandse universiteiten dat zij van haar studenten kan verlangen de scriptie in de Nederlandse taal af te leveren. Zolang dat nog het geval zal zijn, zal in ieder geval de dreiging van alle internationale, Engelstalige paper-mills meevallen. Welke student neemt immers de moeite om een compleet Engels werk te (laten) vertalen?

 

Uiteraard zal plagiaat, ondanks een uitgebreid pakket aan maatregelen ter voorkoming, nimmer volledig uit te bannen zijn. Gelukkig bieden ICT-mogelijkheden, die er aanvankelijk toe hebben bijgedragen dat studenten meer plagiaat zijn gaan plegen, universiteiten steeds meer mogelijkheden plagiaat vast te stellen. De pakkans is daardoor aanmerkelijk toegenomen.[99] Wellicht dat ook die wetenschap studenten ervan zal weerhouden zich te laten verleiden tot knip- en plakwerk.

 

Mocht ook die dreiging onvoldoende blijken te zijn, dan dient men in Nederland wellicht het voorbeeld te volgen van vele Amerikaanse universiteiten: plagiaat leidt direct tot verwijdering van de student van de universiteit!

 

 

 

5.         Rechtshandhaving

"Misdaad loont!?"

 

Nu in de voorgaande hoofdstukken duidelijk is geworden wat onder plagiaat wordt verstaan en hoe dat zich in de afgelopen jaren -met name in relatie tot het onderwijs- heeft ontwikkeld, is doel van dit hoofdstuk vast te stellen of het auteursrecht nog toereikend is in het licht van de ontwikkelingen die het internet ten aanzien van plagiaat met zich heeft gebracht. Kunnen auteursrechtelijke inbreuken op of door het internet -in het bijzonder plagiaat- afdoende worden bestreden of moet er wellicht een specifieke internetplagiaat-bepaling in het leven worden geroepen?

 

Deze problematiek zal nationaal, en vanwege het grensoverschrijdende karakter van het internet ook internationaal, worden belicht, waarbij naast het auteursrecht ook de mogelijke aansluiting bij het privaat- en strafrecht onder de loep zal worden genomen. Uiteraard zal in dat kader eveneens aan het Amerikaanse 'antwoord' op de plagiaatproblematiek, de zogeheten 'fair use'-bepaling, aandacht worden geschonken.

 

5.1.           Nationaal

 

Zoals in paragraaf 2.1. al aangegeven, is plagiaat geen wettelijke term. Je kunt in Nederland dan ook niet rechtstreeks aangeklaagd worden 'wegens plagiaat', maar dat betekent niet dat de plagiator zonder meer vrijuit gaat. Op grond van de Auteurswet mag zonder toestemming van de maker een werk van letterkunde, wetenschap of kunst niet worden verveelvoudigd of openbaar gemaakt worden, in welke vorm dan ook (art. 1 Aw). Gebeurt dat toch, dan is dat wel degelijk strafbaar, ondanks het ontbreken van bijvoorbeeld een specifieke wettelijke plagiaatbepaling.

 

Zolang plagiaat nog loont, is het niet eenvoudig uit te roeien. De wetgeving schiet op dat punt duidelijk tekort; plagiaatslachtoffers kunnen pas in actie komen als het kwaad al is geschied, en zelfs dan is het nog een probleem aan te tonen dat er van plagiaat sprake is. Wanneer is immers een nabootsing nog rechtmatig, en wanneer is er sprake van plagiaat, en is het nabootsen dus omgeslagen in imiteren? Een duidelijk wettelijk kader ontbreekt.

 

Met het toenemende gebruik van het internet zal de noodzaak om inbreukmakers van auteursrechten, en wellicht ook andere intellectuele eigendomsrechten, op te sporen en aansprakelijk te stellen, alleen nog maar toenemen. Er rijzen daarbij een aantal vragen; onderscheiden inbreukmakende handelingen via het internet zich van inbreukmakende handelingen in de analoge omgeving, welk recht is van toepassing (inbreuk via het internet heeft vaak een internationaal karakter) en bovendien: welk rechtsstelsel biedt aanknopingspunten voor 'internetplagiaat'?

 

De handhaving van auteursrechten kan in Nederland zowel civielrechtelijk, via het auteursrecht danwel het privaatrecht, als strafrechtelijk geschieden. Op deze drie mogelijkheden zal in de komende paragrafen worden ingegaan.

 

Kenmerkend voor civielrechtelijke handhaving van rechten, bijvoorbeeld via het auteursrecht, is dat de rechthebbende hiervoor zelf is aangewezen. De rechthebbende dient zelf te controleren of er inbreuken op zijn rechten plaatsvinden. De controle die in de analoge situatie in de openbaarheid kon plaatsvinden (bv. in de boekhandel kijken of er plagiaat-werk beschikbaar is), dient in de digitale omgeving (het internet) plaats te vinden in de privé sfeer van de gebruikers. Het inbreukmakende werk ligt immers niet meer -met naam van de inbreukmaker- in de boekhandel, maar staat op de computer van een (anonieme?) internetgebruiker. In dat kader dient derhalve bij controles altijd speciaal aandacht te worden besteed aan de mate waarin de privacy van de betreffende internetgebruikers gewaarborgd kan blijven.[100]

 

5.1.1.   Auteursrecht

 

Aanvankelijk werd het auteursrecht ingezet als middel tot bescherming van personen en hun geestelijke prestaties, maar steeds meer zijn bedrijven het auteursrecht in de strijd gaan werpen om hun prestaties te beschermen. Het auteursrecht wordt in de praktijk dan ook in veel gevallen louter ter bescherming van commerciële belangen ingezet. Feitelijk is het gebruik waartegen een auteursrechthebbende zich op grond van de Auteurswet kan verzetten, in beginsel ook beperkt tot vormen van commercieel gebruik. De auteursrechthebbende kan zich namelijk verzetten tegen het openbaar maken en verveelvoudigen van zijn werk.[101] De auteursrechthebbende kan zich bijvoorbeeld niet verzetten tegen hergebruik van zijn werk. Als een boek rechtmatig is verkregen, mag het daarna onbeperkt worden gelezen door een onbeperkt aantal mensen, het boek mag ook worden doorverkocht. De auteursrechthebbende heeft daar niets meer over te zeggen, zijn recht is immers uitgeput.[102]

 

Op grond van de Auteurswet komen aan de auteursrechthebbende een aantal rechten toe indien hij een inbreuk op zijn rechten constateert. Zo kan bijvoorbeeld op grond van artikel 27 Aw een schadevergoedingsactie worden ingesteld, of met een beroep op artikel 27a Aw winstafdracht worden gevorderd. Daarnaast kan op grond van artikel 28 Aw beslag worden gelegd op inbreukmakende voorwerpen (bv. drukpers waarmee plagiaat-werk wordt gemaakt) en kunnen deze voorwerpen, evenals de inbreukmakende producten zelf, worden opgeëist. Indien inbreukmakende producten reeds bij het publiek/eindgebruikers zijn beland, kan hierop evenwel geen beslag meer worden gelegd, de eindgebruiker wordt in dat opzicht beschermd.

 

De belangrijkste vordering die een rechthebbende -veelal in kort geding vanwege het spoedeisend belang; het doel is immers de inbreukmakende activiteiten of uitingen zo snel mogelijk te laten stoppen- kan instellen, is uiteraard het stopzetten cq. verbieden van de inbreukmakende praktijken.[103] Een dergelijk verbod zal meestal onder verbeurte van een dwangsom worden opgelegd.

 

De handhaving van auteursrechten in de digitale omgeving is feitelijk niet anders dan in de analoge omgeving: in de on-line situatie gelden dezelfde rechten en regels als in de off-line situatie. De huidige Auteurswet blijft ook in de digitale omgeving onverkort van toepassing.[104] Vanwege specifieke situaties op en rond het internet, is het echter de vraag of de Auteurswet in de huidige vorm in de digitale omgeving nog wel toereikend is.

 

Een groot probleem bij plagiaat via het internet is bijvoorbeeld het vinden van de bron. Pas als je de bron hebt gevonden kan de omvang van het plagiaat goed worden vastgesteld en kunnen stappen worden ondernomen. Er zijn aanvankelijk -vanwege de problematiek van de onvindbare cq. anonieme inbreukmaker- daarom ook stemmen opgegaan om de internetproviders aansprakelijk te houden voor inbreukmakende handelingen. Die visie stuitte snel op verzet van de zijde van providers. Hoe kunnen deze aansprakelijk worden gehouden voor inbreukmakende verveelvoudigingen? Moet de provider controleren of er geen geplagieerd werk door hem wordt verspreid of beschikbaar wordt gesteld, of op zijn systeem ge-upload is? Het bleek onwenselijk de providers hiervoor aansprakelijk te houden, de omvang van informatie op het internet is te groot en de informatie wijzigt te vaak om alles te kunnen controleren. Op de provider rust dan ook geen vergewissingsplicht.[105] Deze stelling is inmiddels ook in de rechtspraak overgenomen, in de Scientology Church/XS4all-kwestie.[106] Een provider kan zich echter nimmer achter de anonimiteit van het internet verschuilen indien hij zelf ook informatie aanbiedt of indien hij geen actie onderneemt indien hij op de hoogte is, of behoort te zijn, van inbreukmakende handelingen. Indien er, anders gezegd, sprake is van wetenschap aan de zijde van de provider, is deze wel degelijk aan te spreken.[107]

 

Inmiddels is duidelijk geworden dat, als de Auteurswet niet wordt uitgebreid worden met specifieke internetbepalingen, in ieder geval het stelsel van beperkingen opnieuw moet worden bezien, wil 'internetplagiaat' kunnen worden aangepakt. Veel beperkingen zijn namelijk in media-specifieke termen gedefinieerd.[108] Een voorbeeld ter verduidelijking (art. 16a Aw):

"Als inbreuk op het auteursrecht op een werk van letterkunde, wetenschap of kunst wordt niet beschouwd een korte opname, weergave en mededeling ervan in het openbaar in een foto-, film-, radio- of televisiereportage voor zover zulks voor het behoorlijk weergeven van de actuele gebeurtenis welke het onderwerp der reportage uitmaakt, noodzakelijk is".

 

Letterlijk genomen wordt momenteel dus wel als inbreuk beschouwd een mededeling op het internet, want dat valt niet onder een 'foto-, film-, radio- of televisiereportage'. Vanuit die optiek is het wenselijk dat dergelijke bepalingen worden aangepast[109], in die zin dat ook het internet als medium wordt benoemd, danwel dat deze beperkingen techniek-onafhankelijk worden gedefinieerd.[110]

 

Het auteursrecht zal in zijn algemeenheid met het oog op nieuwe technieken in de digitale omgeving een zekere impuls moeten krijgen. Met het Dior/Evora-arrest lijkt de Hoge Raad al een bres te hebben geslagen in het tot dan toe geldende gesloten systeem van wettelijke beperkingen.[111] In dit arrest wordt namelijk gesignaleerd dat het auteursrecht zich ontwikkelt tot een middel ter bescherming van met name commerciële belangen en dat met het oog daarop de toepassing van het auteursrecht soms (buitenwettelijk) beperkt moet worden. De Hoge Raad stelt dat:

"de uitdrukkelijke beperkingen van de Auteurswet niet uitsluiten dat de grenzen van het auteursrecht in andere gevallen aan de hand van een vergelijkbare afweging nader moeten worden bepaald, in het bijzonder wanneer de behoefte aan de desbetreffende begrenzing door de wetgever niet is onderkend".

 

E.e.a. impliceert dat het mogelijk wordt bij auteursrechtinbreuken, die feitelijk niet onder een specifieke wettelijke beperking zijn onder te brengen, aan de hand van een afweging van belangen van de auteursrechthebbenden en maatschappelijke of economische belangen van anderen, de grenzen van het auteursrecht nader te bepalen.[112] Wanneer het auteursrecht op deze wijze wordt toegepast, zal het haar diensten ook in de digitale omgeving kunnen blijven bewijzen.[113] Deze benadering komt ook overeen met de strekking van de Berner Conventie. Deze stelt in artikel 9.1 namelijk dat aan auteurs exclusieve verveelvuldigingsrechten toekomen "in welke vorm of wat voor wijze dan ook", derhalve dus ook technische verveelvoudigingen in de digitale omgeving.

 

Nog afgezien van deze mogelijke wijzigingen van het auteursrecht cq. de Auteurswet, de universiteiten staan ten opzichte van plagiërende studenten in principe altijd met lege handen. De universiteiten zijn simpelweg geen auteursrechthebbende en kunnen dan ook op grond van de Auteurswet niet zelfstandig optreden tegen plagiatoren; die mogelijkheid staat slechts voor auteursrechthebbenden zelf open. Dus ook al zou de Auteurswet zodanig worden aangescherpt dat internetplagiaat in een specifieke wetsbepaling wordt ondergebracht, dan nog biedt dat universiteiten geen autonome vervolgingsbevoegdheid.

 

Wat rest, is dat universiteiten na het vaststellen van plagiaat de betreffende auteursrechthebbenden zouden kunnen attenderen op het door studenten gepleegde plagiaat. Universiteiten zullen dergelijke praktijken echter niet graag naar buiten brengen, uit angst voor gezichtsverlies. Daarnaast is het de vraag wat de respectievelijke auteursrechthebbenden met die wetenschap zullen doen; welke 'last' hebben zij van het feit dat een student in een scriptie inbreuk op hun auteursrechten heeft gemaakt? Scripties worden veelal niet gepubliceerd maar dienen slechts ter verkrijging van de bul, van commercieel gewin is geen sprake, activiteiten van de auteursrechthebbenden zelf worden er niet door verstoord, oftewel: het belang van auteursrechthebbenden is in dit opzicht vrijwel nihil. Voor auteursrechthebbenden zijn dergelijke inbreuken misschien als onwenselijk aan te merken, maar het is niet aannemelijk dat zij rechtsmaatregelen zullen treffen tegen deze vorm van auteursrechtinbreuk.

 

Dat dergelijke auteursrechtinbreuken vanuit universiteiten als onwenselijk worden ervaren is evident, het auteursrecht biedt hen echter geen directe mogelijkheden daar tegen op te treden. Of het privaatrecht die mogelijkheden wel biedt, zal in de volgende paragraaf worden besproken.

 

Vermeldenswaardig is op dit punt nog het verschil dat Marten Hofstede in 'Leiden in last' maakte tussen wetenschappelijk plagiaat en inbreuk op auteursrechten.[114] Hij stelt dat wetenschappers niet zozeer met een publiek communiceren, als wel met elkaar en in die communicatie moet men elkaar over en weer wel kunnen vertrouwen, anders loopt de wetenschap gevaar. Inbreuk op een auteursrecht is normaliter een zaak tussen de auteursrechthebbende en de inbreukmaker, wetenschappelijk plagiaat is daarentegen meer een zaak tussen de plagiator en de wetenschappelijke gemeenschap; wie wetenschappelijk plagiaat pleegt, wordt buiten de gemeenschap gesteld.[115] Vanuit deze visie zou je een parallel kunnen trekken met een scriptie. Die zou -als er tenminste geen plagiaat wordt gepleegd- ook een wetenschappelijk karakter moeten hebben. Het is waarschijnlijk vanuit deze optiek dat universiteiten zo gekant zijn tegen plagiaat bij scripties, dergelijke 'wetenschappers' horen in de wetenschap niet thuis.

 

5.1.2.   Privaatrecht

 

Zoals in paragraaf 2.2. al is aangegeven, behelst plagiaat niet automatisch ook een inbreuk op een auteursrecht. Plagiaat is dan ook niet altijd strafbaar.[116] Voor wat betreft de civielrechtelijke handhaving van plagiaat dient dan ook onderscheid te worden gemaakt tussen twee situaties: de situatie waarbij plagiaat en inbreuk op een auteursrecht samengaan en de situatie waarbij wel sprake is van plagiaat doch niet van een auteursrechtinbreuk.

 

In het eerste geval, het samengaan, is er sprake van een onrechtmatige daad waartegen middels artikel 6:162 BW kan worden opgetreden.[117] Voorwaarde voor inbreuk, en dus ook voor kwalificatie als onrechtmatige daad, is uiteraard wel dat er van een auteursrechtelijk beschermd werk sprake is. Bovendien moet worden aangetoond dat het oorspronkelijke werk eerder gemaakt is dan het geplagieerde product.

 

Gesteld dat inbreuk op auteursrechten door een plagiërende student zou kunnen worden vastgesteld, dan dient vervolgens de 'hobbel' van de onrechtmatige daad te worden genomen.

 

Kortweg dient voor aansprakelijkheid op grond van een onrechtmatige daad, op grond van artikel 6:162 BW, te worden voldaan aan de volgende vereisten:

1.     Is de daad onrechtmatig? Voor onrechtmatigheid dient sprake te zijn van:

a.      inbreuk op een recht;

b.      doen of nalaten in strijd met wettelijke plicht;

c.      doen of nalaten in strijd met maatschappelijke zorgvuldigheid.

2.     Kan de daad worden toegerekend aan de dader? Van toerekening is sprake indien de daad:

a.      is te wijten aan zijn schuld, in de zin van verwijtbaarheid

b.      is te wijten aan een oorzaak die krachtens de wet voor zijn rekening komt

c.      is te wijten aan een oorzaak die krachtens verkeersopvatting voor rekening van de dader komt (die in zijn risicosfeer valt)

3.     Is er schade? (letsel-, zaak- of zuivere vermogensschade)

4.     Is er een causaal verband tussen de onrechtmatige daad en de schade?

 

De plagiërende student pleegt mogelijkerwijs inbreuk op een recht, namelijk het auteursrecht van een derde. Echter, het auteursrecht beschermt de auteursrechthebbende en niet de universiteit. Misschien zou gesteld kunnen worden dat het plegen van plagiaat jegens de universiteit in kwestie in strijd is met de maatschappelijke zorgvuldigheid, maar deze optie is wat ver gezocht. In de jurisprudentie kom je dergelijke creatieve oplossingen om plagiaat onrechtmatig te doen zijn dan ook (nog) niet tegen. Vermoedelijk zal een rechter, indien deze over een dergelijke situatie zou moeten oordelen, aan de hand van een belangenafweging tot het oordeel komen dat de belangen van de universiteit zwaarder wegen dan de belangen van de student, zeker gezien de schade die een universiteit als gevolg van plagiaat bij scripties kan leiden.

 

Dat de daad, het plegen van plagiaat, aan de plagiërende student kan worden toegerekend behoeft geen nadere toelichting. De grootste hobbel komt bij voorwaarde 3, de schade. Welke schade heeft de universiteit geleden indien de student plagiaat heeft gepleegd?

 

Indien een universiteit al zover zou gaan om een plagiërende student op grond van een onrechtmatige daad voor een rechter te brengen, dan zou een dergelijke procedure kunnen stranden op het punt van de schade. Het vertrouwen van een universiteit in de plagiërende student zal zijn beschaamd, maar het aantonen dat als gevolg daarvan schade is geleden, lijkt mij een niet te overwinnen hobbel. Het is ook nooit de bedoeling van de wetgever geweest om beschaamd vertrouwen als onrechtmatige daad aan te merken; de Memorie van Toelichting zwijgt daarover en ook de rechtspraak geeft op dat punt niet thuis.

 

Schade als gevolg van plagiërende studenten die een universiteit eventueel wel zou kunnen aantonen is gezichtsverlies in relatie tot enerzijds potentiële studenten, er zullen wellicht minder studenten voor die betreffende universiteit kiezen, en anderzijds het bedrijfsleven, de vraag naar studenten van die betreffende universiteit zal mogelijkerwijs afnemen. Een dalend aantal studenten leidt sowieso tot dalende inkomsten.

 

Bovendien kan het aanzien van een universiteit in de maatschappij als gevolg van de wetenschap dat studenten al plagiërend hun bul kunnen behalen, een deuk oplopen, hetgeen zal leiden tot (immateriële) schade. Zo zal het bedrijfsleven minder snel geneigd zijn mee te werken cq. bij te dragen aan projecten, zal de (inter)nationale waardering afnemen, etc., etc..

 

Het is moeilijk (in cijfers) aan te geven welke schade plagiaat in het onderwijs exact aanricht, duidelijk is wel dat universiteiten plagiaat liever zullen voorkomen dan bestrijden, omdat het kwaad dan feitelijk al is aangericht.

 

Om ook in de tweede situatie, plagiaat zonder auteursrechtinbreuk, te kunnen spreken van een onrechtmatige daad, dient eveneens vastgesteld te worden of er sprake is van inbreuk op een recht (een ander recht dan het auteursrecht), handelen in strijd met een wettelijke plicht danwel handelen in strijd met de maatschappelijke zorgvuldigheid. De rechtspraak blijkt echter zeer terughoudend om prestaties cq. werken -buiten het terrein van de intellectuele eigendomsrechten- alsnog via artikel 6:162 BW bescherming te verlenen.[118] Het zoeken naar dergelijke uitspraken is dan ook als het zoeken naar de spreekwoordelijke speld in een hooiberg.

 

5.1.3.   Strafrecht

 

Of eventueel ook het strafrecht universiteiten een mogelijkheid biedt om plagiërende studenten aan te pakken, staat centraal in deze paragraaf.

 

Tegen inbreuken op het auteursrecht kan namelijk niet alleen civielrechtelijk worden opgetreden, bij opzettelijke inbreuken op auteursrechten heeft het Openbaar Ministerie de mogelijkheid tot strafrechtelijke vervolging over te gaan (art. 30b t/m 36b Aw). Enkele vormen van auteursrechtinbreuk worden zelfs als misdrijf betiteld (bv. art. 31 Aw) en aan plegers van dergelijke inbreuken kan naast een geldboete, die kan oplopen tot € 45.378,00, een gevangenisstraf van maximaal 4 jaar worden opgelegd. Auteursrechthebbenden kunnen jegens deze strafrechtelijk vervolgde inbreukmakers een civielrechtelijke schadeclaim indienen.[119]

 

Hierbij dient opgemerkt te worden dat voornoemde artikelen vrijwel nimmer zullen worden ingeroepen tegen de eenmalige inbreukmaker, zij zijn in het leven geroepen om de georganiseerde piraterij te kunnen bestrijden. Indien er daadwerkelijk een vermoeden bestaat van grootschalige, professionele auteursrechtinbreuken -denk daarbij in de sfeer van georganiseerde criminaliteit-, verleent de Auteurswet de opsporingsambtenaren zelfs bevoegdheid tot huiszoeking en inzage in gegevens. In Nederland is het opsporen van dergelijke auteursrechtinbreuken voorbehouden aan de FIOD/ECD. De inspanningen en investeringen die met een onderzoek door de FIOD/ECD gepaard gaan, maken het onverantwoord eenmalige inbreukmakers op te sporen. Het vervolgen van de plagiërende student op grond van deze wettelijke bepalingen is, zoals uit het voorgaande wel blijkt, dan ook geen optie.

 

Voor delicten die via het internet geschieden, zoals plagiaat, kan wellicht aansluiting worden gezocht bij 225 WvSr (valsheid in geschrifte) of 326/b WvSr (oplichting/bedrog). Het gaat bij deze handelingen om het via een misleidende (digitale) voorstelling van zaken wederrechtelijk behalen van een voordeel.[120] Met name via het internet is het eenvoudig dergelijke 'delicten' te plegen; er is geen direct persoonlijk contact, e.e.a. gebeurt in de anonimiteit van het internet, de herkomst van berichten is soms moeilijk te traceren, etc., etc..

 

Artikel 225 lid 1 WvSr, valsheid in geschrifte, luidt als volgt:

"Hij die een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk opmaakt of vervalst, met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, wordt als schuldig aan valsheid in geschrift gestraft, met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie."

 

Met Talsma ben ik van mening dat een scriptie een geschrift is, bedoeld om tot bewijs te dienen, namelijk het bewijs dat de betreffende student beschikt over bepaalde kennis en dat hij deze weet toe te passen.[121] Talsma meent echter dat bij het plagiëren van een scriptie niet kan worden gezegd dat de student deze valselijk heeft opgemaakt of heeft vervalst. Met deze zienswijze ben ik het, evenals Vriesendorp[122], pertinent niet eens. Mijns inziens zou het zetten van je naam onder een stuk dat niet door jou is geschreven, wel degelijk aangemerkt kunnen worden als valsheid in geschrifte.

 

Dat het zetten van een valse naam (of handtekening) onder een stuk is aan te merken als valsheid in geschrifte, staat buiten kijf. Wat is het wezen van een dergelijke handeling? Met het zetten van een valse naam of handtekening onder een stuk dat je zelf hebt geschreven, dicht je jouw handelingen aan een ander toe (aan degene wiens naam onder het stuk wordt gezet). Wat is het verschil met het zetten van je eigen naam onder een stuk dat je niet zelf hebt geschreven? Je wilt het doen voorkomen alsof jij degene bent die dat stuk heeft geschreven; je dicht dus andermans handelingen aan jezelf toe. In beide gevallen doe je je als iemand anders voor; er komt een naam onder een bepaald stuk te staan die niet overeenkomt met degene van wie het stuk afkomstig is. Evenals Vriesendorp ben ook ik niet thuis in de finesses van het strafrechtelijk begrip 'valsheid in geschrift', maar linksom (andermans naam onder eigen werk) wel valsheid in geschrifte en rechtsom (eigen naam onder andermans werk) niet, roept toch in ieder geval vraagtekens op. De ruimte om ook een plagiërende student aan te pakken zou er mijns inziens in de bepaling van 225 WvSr wel moeten zitten. De naam is immers vals in relatie tot de inhoud van het stuk, dat zou toch de vraag moeten zijn?

 

Interessant is in dat kader ook artikel 227a WvSr:

"Hij die, anders dan door valsheid in geschrift, opzettelijk niet naar waarheid gegevens verstrekt …".

 

Weliswaar ziet dat artikel op het verstrekken van onware gegevens in het kader van het vaststellen van een recht op een verstrekking of vergoeding, doch een analoge interpretatie zou er toch toe kunnen leiden dat ook het zetten van een naam onder een stuk dat niet van jou is, strafbaar wordt geoordeeld.

 

Een andere mogelijkheid die het Wetboek van Strafrecht biedt om internetdelicten aan te pakken, is de bepaling van artikel 326(b)Sr: oplichting en bedrog.[123] Voor wat betreft het scriptieplagiaat biedt artikel 326 WvSr geen soelaas. Er wordt immers geen 'valse naam' aangenomen. Discutabel is wellicht of er geen 'valse hoedanigheid' wordt aangenomen; de student wil door zijn naam onder de scriptie te plaatsen het immers doen voorkomen als hij de auteur is.

 

In reactie op de artikelen van Talsma en Vriesendorp[124] zijn de pijlen in dit onderzoek echter gericht op artikel 326b WvSr: bedrog. Talsma meent dat artikel 326b WvSr niet van toepassing kan zijn aangezien dat artikel "uitdrukkelijk in het teken van de commercie staat". Deze stelling is er kennelijk met de haren bijgesleept. Van enige commerciële achtergrond blijkt immers niets uit het relevante eerste lid van dat artikel:

"Met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of een geldboete van de vijfde categorie wordt gestraft:

1°: hij die op of in een werk van letterkunde, wetenschap, kunst of nijverheid valselijk enige naam of enig teken plaatst, of de echte naam of het echte teken vervalst, met het oogmerk om daardoor aannemelijk te maken, dat dat werk zou zijn van de hand van degene wiens naam of teken hij daarop of daarin aanbracht;".

 

Talsma leest kennelijk meer in dit eerste lid, dan ik. Zijn stelling, dat het scharen van scriptieplagiaat onder dit artikel een onaanvaardbare oprekking van artikel 326b Sr zou betekenen, verdient mijns inziens enige heroverweging. Het oprekken van een bepaling zonder commerciële tint tot een bepaling met uitdrukkelijke commerciële inslag, neigt mijns inziens in ieder geval naar oprekking.

 

Wellicht is het ook mogelijk voor strafrechtelijke vervolging van internetplagiaat aansluiting te zoeken bij andere 'internetmisdrijven', zoals bijvoorbeeld het verspreiden van kinderporno via het internet of het publiceren en/of verspreiden van discriminerende teksten. De Roos, Schuijt & Wissink noemen dergelijke internetmisdrijven vormen van zogeheten 'uitingsdelicten', waartoe ook belediging en opruiing worden gerekend, evenals alle overige uitingen die vanwege hun inhoud strafbaar zijn.[125] Internetplagiaat bij scripties kan mijns inziens echter niet tot deze categorie delicten worden gerekend, de inhoud van de scriptie is immers niet strafbaar, althans daar wordt in het kader van dit onderzoek niet van uitgegaan.

 

Naast uitingsdelicten op het internet onderscheiden De Roos, Schuijt & Wissink ook nog zogeheten 'informatiedelicten' op het internet. Daartoe rekenen zij handelingen met betrekking tot het openbaren, opslaan, bewerken, raadplegen, gebruiken en transporteren van informatie, die strafbaar zijn gesteld, ongeacht de inhoud. Als voorbeeld van een informatiedelict noemen zij schending van auteursrechten. Deze insteek, aansluiting bij internetmisdrijven, brengt derhalve geen nieuwe inzichten. De (on)mogelijkheden van vervolging op grond van het auteursrecht is reeds beschreven in paragraaf 5.1.1..

 

5.1.4.   Overig

 

Na een eerste inventarisatie lijken het auteurs-, privaat- en strafrecht de universiteiten weinig houvast te bieden plagiërende studenten te vervolgen. Een laatste 'redmiddel' is misschien de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.[126]

 

Artikel 7.12 lid 4 van die wet luidt als volgt:

"De examencommissie stelt regels vast met betrekking tot de goede gang van zaken tijdens de tentamens en met betrekking tot de in dat verband te nemen maatregelen. Die maatregelen kunnen inhouden dat in het geval van fraude door een student door de examencommissie, gedurende een door de examencommissie te bepalen termijn van ten hoogste één jaar, aan die student het recht wordt ontnomen een of meer daarbij aan te wijzen tentamens of examens aan de instelling af te leggen. De examencommissie kan aan de examinatoren richtlijnen en aanwijzingen geven met betrekking tot de beoordeling van degene die het tentamen aflegt en met betrekking tot de vaststelling van de uitslag van het tentamen".

 

De meest vergaande maatregel die universiteiten op grond van deze bepaling kunnen treffen is het aan een frauderende student -daaronder wordt ook plagiaat gerekend- ontnemen van het recht om gedurende maximaal één jaar één of meer tentamens of examens af te leggen. Deze maatregel is door de meeste universiteiten overgenomen in hun examen- en onderwijsreglement.[127]

 

Vriesendorp[128] meent dat deze straf te beperkt is en zou graag zien dat het strafrecht -als ultimum remedium- kan worden betrokken bij het bestrijden van plagiaat in het onderwijs.[129] Ook zou hij graag zien dat de universiteit de bevoegdheid heeft een student, die bij herhaling wordt betrapt op plagiaat of fraude, van de universiteit kan worden verwijderd.[130] Voorlopig hoeven studenten die maatregel nog niet te vrezen, het ontbreekt de universiteiten aan wettelijke mogelijkheden daartoe.

 

5.2.           Internationaal

 

Zien we op nationaal niveau met name dat de wet- en regelgeving nog niet aan het internet is aangepast, op internationaal niveau is daarentegen al wel ingespeeld op de ontwikkelingen rondom het internet. Zo beoogt het door de WIPO geïnitieerde Auteursrechtverdrag dat in 1997 werd gesloten, de rechten van auteursrechthebbenden, en auteurs voor zover deze geen rechthebbende zouden zijn, op het internet zoveel mogelijk te beschermen.

 

De volgende 2 paragrafen staan in het teken van het auteursrecht en privaatrecht in internationaal opzicht, in 5.2.3. wordt op de fair use- bepaling ingegaan. De bedoeling van deze paragrafen is slechts in het kader van het onderzoek een eerste indruk te geven van de ontwikkelingen op internationaal rechtsgebied. Met e.e.a. wordt dan ook zeker niet gepretendeerd een volledige opgave van het toepasselijke internationaal recht te doen.

 

5.2.1.   Auteursrecht

 

Voor wat betreft een internationale beschouwing van het auteursrecht, haak ik aan bij het onderscheid dat Hugenholtz maakt in twee 'auteursrechtfamilies'.[131]

 

De ene 'familie' haakt als het ware aan bij het 'droit d'auteur', in Frankrijk en België ook wel 'droit moral de l'auteur' genoemd. Met name de Fransen en Belgen zien het auteursrecht voornamelijk als een 'moreel' recht; de maker van het werk dient te kunnen (blijven) beschikken en beslissen over het gebruik van zijn werken.[132] Deze auteursrechtfamilie, waarbij naast Frankrijk en België, onder andere ook Duitsland, Spanje, Italië en Nederland aansluiting vinden, leggen het accent duidelijk op de maker van het werk. De rechtsstelsels van deze landen kennen ook allen een onvervreemdbaar persoonlijkheidsrecht; ongeacht of bepaalde rechten worden overgedragen, de oorspronkelijke maker van het werk blijft bepaalde rechten immer behouden.[133] De rechtvaardigheid ten opzichte van de maker van een werk staat bij deze rechtsstelsels voorop. Vanuit die optiek wordt ook gewerkt met een gesloten stelsel van beperkingen.

 

De andere auteursrechtfamilie wordt gevormd door rechtsstelsels die het auteursrecht meer pragmatisch benaderen. Zij zijn dan ook niet gefocust op de maker van een werk, maar op de rechthebbende van een werk. Het is dan ook niet de rechtvaardigheid die in deze stelsels voorop staat, maar de economische doelmatigheid. Dergelijke stelsels ziet men bijvoorbeeld in Engeland, Canada, Australië en de Verenigde Staten. De auteursrechten berusten op grond van deze stelsels bij degene die aantoont eigenaar te zijn, ongeacht of deze een creatieve rol heeft gespeeld bij de totstandkoming van het werk. Het grootste verschil ten opzichte van de andere rechtsstelsels is wel dat er wordt gewerkt met een ruim stelsel van beperkingen. In de Verenigde Staten wordt het stelsel van beperkingen samengevat onder de noemer 'fair use'.[134] Aan het fair use-beginsel wordt in paragraaf 5.2.3. uitgebreid aandacht geschonken.

 

Op een auteursrechtinbreuk met een internationaal karakter, waarvan bij inbreuken via het internet veelal sprake zal zijn, is artikel 47 Aw van toepassing, welk artikel bepaalt dat de (Nederlandse) Auteurswet van toepassing is op alle werken die zijn uitgegeven in Nederland en daarnaast op alle werken van Nederlandse auteurs. Tevens zijn de Berner Conventie en de Universele Auteursrecht Conventie van toepassing.[135] Zij voorzien in het beschermen van buitenlandse werken van buitenlandse auteurs. In principe komt op grond van deze bepalingen bescherming toe middels het nationale recht van het land van oorsprong. Auteurs krijgen dus als het ware een bundel nationale auteursrechten, bestaande uit evenveel rechten als er landen zijn aangesloten bij de betreffende conventie.[136] Dat dit soms tot onduidelijke situaties kan leiden, doordat de nationale wetten onderling nogal verschillen, is er de reden voor geweest dat de Europese Gemeenschap dit probleem in ieder geval voor de Europese situatie tracht te verminderen door het uitvaardigen van de Richtlijn harmonisatie auteursrecht in de informatiemaatschappij, kortweg: Harmonisatierichtlijn.[137]

 

De ontwikkeling van de (digitale) informatiemaatschappij heeft namelijk nieuwe vragen doen rijzen omtrent de productie, beschikbaarheid en toegankelijkheid van informatie. De Richtlijn beoogt -ter uitvoering van het WIPO Auteursrechtverdrag- het auteursrecht aan die ontwikkeling aan te passen, waardoor het ook in een digitale omgeving evenwichtige oplossingen kan bieden.

 

Het belangrijkste doel van de Harmonisatierichtlijn is het opheffen van auteursrechtelijke drempels voor de totstandkoming van een interne markt door middel van harmonisatie van bepaalde aspecten van materieel auteursrecht in de nationale auteurswetten. De belangrijkste onderwerpen zijn de definitie van de uitsluitende rechten (reproductierecht, recht van mededeling aan het publiek en distributierecht), het uitputtingsbeginsel, de toegelaten beperkingen en de bescherming van technische voorzieningen. Opvallend is dat artikel 5 van de Harmonisatierichtlijn voorziet in een limitatieve lijst van beperkingen op het auteursrecht. De bres die de Hoge Raad met het Dior/Evora-arrest[138] in het gesloten systeem van wettelijke beperkingen geslagen had[139], lijkt daarmee weer te zijn hersteld.[140]

 

De Harmonisatierichtlijn zal al met al waarschijnlijk geen fundamentele wijziging van de Nederlandse Auteurswet tot gevolg hebben. Het thans voorliggende wetsvoorstel[141] behelst in ieder geval wél een verschuiving van de balans tussen belangen en rechten van auteursrechthebbenden en die van gebruikers van hun werken, in het voordeel van de auteursrechthebbenden.

 

De problematiek ten aanzien van het internetplagiaat door studenten zal echter ook door deze ontwikkelingen nog niet de kop in kunnen worden gedrukt, de universiteiten zijn immers geen auteursrechthebbenden en hebben dus ook in internationaal opzicht weinig mogelijkheden om het internetplagiaat bij scripties te vervolgen.

 

5.2.2.   Privaatrecht

 

Zoals in de vorige paragraaf al is besproken, spelen handelingen op het internet zich, vanwege de structuur van het internet, vaak af in een internationale context. Het internationaal privaatrecht zal dan ook bij specifieke problemen omtrent het internet een rol spelen.

 

Als bijvoorbeeld een Nederlandse student voor zijn scriptie een werk kopieert van een Engelse schrijver, welk werk op een Italiaanse website stond gepubliceerd, rijzen direct een aantal vragen in het kader van het internationaal privaatrecht:[142]

1.     Welke rechter is bevoegd?

2.     Welk recht moet de rechter toepassen?

3.     Welke maatregelen kan de rechter treffen?

 

Indien de inbreukmaker in Nederland woont of zijn verblijfplaats heeft, is de Nederlandse rechter bevoegd.[143]

 

Op grond van de EEX-Verordening[144] is, indien de woonplaats van de inbreukmaker niet bekend is, de rechter bevoegd van de staat waar de internetprovider gevestigd is, of de rechter van de staat waar de inbreukmakende informatie op het internet is geplaatst of de rechter van de staat waar de inbreukmakende informatie op het internet verspreid cq. beschikbaar is.[145]

 

Vooreerst zal dan middels de in paragraaf 5.2.1. besproken conventies bescherming worden gezocht. Kan op grond van deze internationale auteursrechtconventies geen toepasselijk recht worden bepaald, dan zijn de algemene bepalingen van het internationaal privaatrecht van toepassing. Een inbreuk op een intellectueel eigendomsrecht is conform het internationaal privaatrecht te beschouwen als een onrechtmatige daad. Vervolgens komt men dan terecht bij het conflictenrecht van de betreffende staten. In Nederland geldt het zogeheten lex loci delicti-beginsel, dat inhoudt dat het recht van toepassing is van het land waar de onrechtmatige daad plaatsvindt (waar de inbreukmakende informatie dus op het internet is geplaatst cq. op de server staat).[146] Indien echter de gevolgen van dergelijke handelingen enkel en alleen in een ander land hun uitwerking hebben, geldt het recht van dat betreffende land. Een probleem waar men vooral bij het internet tegenaan loopt, is dat inbreukmakende handelingen via het internet veelal in veel verschillende landen hun uitwerking hebben.

 

Voor deze problematiek is nog geen oplossing gevonden. In haar zogeheten Groenboek 'Copyright and Related Rights in the Information Society'[147] heeft de Europese Commissie voorgesteld om het recht van het land waar de informatie zijn oorsprong vindt, van toepassing te verklaren.

 

Maar wat als op enig moment niet is vast te stellen waar de oorsprong zit, of als de provider niet kan worden gevonden? Kortom: het internationaal privaatrecht zit voor wat betreft auteursrechtinbreuken via het internet, nog vol gaten.

 

Voor wat betreft de tenuitvoerlegging van een Nederlands vonnis lijkt de internetproblematiek wel goed afgedekt. Een vonnis met extraterritoriale werking zorgt ervoor dat een Nederlands vonnis in het buitenland ten uitvoer kan worden gelegd, zodat niet in ieder afzonderlijk land een aparte procedure dient te worden gevoerd.[148] Echter, inbreukmakende handelingen in het ene land hoeven niet automatisch ook in een ander land als inbreukmakend te worden gekwalificeerd. Daarmee zal bij de tenuitvoerlegging van een vonnis rekening gehouden dienen te worden, omdat anders inbreukmakende informatie van het internet wordt verwijderd zonder geldige rechtsgrond.

 

In het hypothetische geval dat de inbreukmaker niet gevonden kan worden, omdat hij diens werk anoniem op het internet publiceert, zullen rechthebbenden hun pijlen vaak richten op de internetprovider. Die kan immers veel gemakkelijker gevonden worden. Bijkomend voordeel voor de rechthebbende is dat de internetprovider waarschijnlijk meer verhaal zal bieden dan de daadwerkelijke inbreukmaker. Voor wat betreft de aansprakelijkheid van de internetprovider op grond van het Nederlandse recht, wordt verwezen naar paragraaf 5.1.1., waar de Scientology Church/XS4all-kwestie reeds is besproken.

 

Van belang om de aansprakelijkheid van de provider vast te stellen, is de mate waarin hij bemoeienis heeft gehad met, cq. wetenschap heeft gehad van, het inbreukmakende materiaal dat door zijn gebruiker op het internet wordt verspreid. Indien de provider weet of moet vermoeden dat er sprake is van auteursrechtinbreuken, en hij nalaat daartegen maatregelen te treffen, is de provider wel degelijk aansprakelijk.[149] Indien echter een provider niet wist en ook niet behoorde te weten van de inbreukmakende handelingen, gaat deze vrijuit.[150] Waar voor gewaakt moet worden, is de providers op de stoel van de rechter te plaatsen door providers zelf te laten beslissen of bepaalde uitingen op het internet inbreukmakend zijn, en zo ja, hen deze informatie van het internet te laten verwijderen. Een provider komt hierdoor tussen haar afnemers te staan, die verlangen dat bepaalde informatie via de provider op het internet wordt aangeboden, en derden die menen dat bepaalde informatie inbreukmakend is. De branchevereniging van Nederlandse internetproviders heeft er bij de overheid dan ook op aangedrongen -met het oog op rechtszekerheid- hierin een sturende rol te gaan spelen.[151]

Ook het internationaal privaatrecht biedt de universiteiten weinig soelaas. Indien in een internationale plagiaatsituatie zou komen vast te staan dat de Nederlandse rechter bevoegd is en het Nederlandse recht dient te worden toegepast, dan komt men uit bij het Nederlandse conflictenrecht, meer specifiek bij de onrechtmatige daad. De problematiek voor universiteiten voor vervolging van de plagiërende student op grond van een onrechtmatige daad is in paragraaf 5.1.2. uitvoerig behandeld.

 

5.2.3.   Fair use

 

Ook in de Verenigde Staten (verder: "VS") kent men het systeem dat auteursrechten automatisch ontstaan. Registratie van auteursrechten is niet vereist, maar wordt zeker wel aanbevolen. In de VS zijn twee soorten omstandigheden denkbaar waarin het kopiëren cq. gebruiken van (auteursrechtelijk beschermde) werken zonder meer is toegestaan.[152]

 

Enerzijds zijn dat een aantal algemene uitzonderingen, zoals werken uit het publiek domein (bv. wetten. In Nederland geldt die exceptie overigens ook, deze is neergelegd in art. 11 Aw.), ideeën, feiten en/of het overnemen van zeer kleine delen van auteursrechtelijk beschermde werken.

 

Anderzijds kent men in de VS het zogeheten 'fair use'-beginsel. Indien er sprake is van 'fair use' van auteursrechtelijk beschermde werken, is er geen sprake van inbreuk. Fair use is een beginsel dat reeds sinds lange tijd gebezigd wordt (de eerste uitspraak dateert uit 1841) en dan ook stevig verankerd is in de Amerikaanse rechtspraak.[153] Het beginsel is onafhankelijk van techniek, medium en werk gedefinieerd, waarmee het dus altijd direct bruikbaar is in relatie tot nieuwe ontwikkelingen.

 

Voor de beoordeling van 'fair use' zijn een viertal elementen van belang:

1.     Heeft het gebruik een commercieel of non-profit doel; wordt het overgenomen werk commercieel ingezet of bijvoorbeeld voor het onderwijs gebruikt? Hoe commerciëler het doel, hoe minder 'fair' het gebruik.

2.     Aard van het gekopieerde werk; betreft het overgenomen werk feiten of fictie? Hoe minder feiten, hoe minder 'fair' het gebruik (feiten zijn vaak openbaar toegankelijk, fictie juist niet).

3.     Het percentage van het overgenomen deel t.o.v. het complete werk; is slechts 5% van het origineel overgenomen of maar liefst 60%? Hoe meer overgenomen, hoe minder 'fair' het gebruik.

4.     Het effect van het overgenomen werk voor de oorspronkelijke auteursrechthebbende; neemt door het overgenomen werk de aandacht voor zijn werk af? Hoe meer effect, hoe minder 'fair' het gebruik.

 

Van groot belang wordt tevens geacht of het oorspronkelijke werk slechts wordt gekopieerd ('reproductief gebruik') of zodanig wordt bewerkt dat weliswaar geen nieuw auteursrechtelijk beschermd werk ontstaat, maar feitelijk wel een ander werk dan het oorspronkelijke werk ('transformatief gebruik'). Een voorbeeld van het laatste gebruik is een parodie. Hoe meer veranderingen ten opzichte van het originele werk, dus hoe meer transformatie van dat werk, hoe minder snel er sprake is van inbreuk, maar juist van 'fair use' van het oorspronkelijke werk.[154]

 

Na 'weging' van een bepaald gebruik van een auteursrechtelijk beschermd werk aan de hand van vorenstaande factoren, kan een rechter alle vermeende auteursrechtinbreuken beoordelen. Vanwege de diversiteit van de 'wegingsfactoren' zal de rechter ook tot een weloverwogen oordeel kunnen komen. Een uitschieter pro of contra fair use, zal niet direct tot het oordeel leiden dat er juist wel of geen sprake is van fair use. Een voorbeeld ter verduidelijking: indien er helemaal geen effect wordt gesorteerd voor de oorspronkelijke maker, maar 100% van het werk is overgenomen en het betreft puur fictie, kan een rechter toch beslissen dat dit specifieke gebruik niet als fair use te kwalificeren valt, ook al ontbreken dus de eventuele nadelige effecten voor de auteursrechthebbende. Middels het fair use-principe kan iedere situatie separaat worden getoetst, er behoeft geen aansluiting te worden gezocht bij specifieke beperkingen of soortgelijke gevallen. Meer flexibiliteit voor de rechters derhalve. Een groot voordeel van dit principe is ook dat diverse belangen worden meegewogen en niet slechts de (commerciële) belangen van de auteursrechthebbende.

 

Het Nederlandse systeem van een gesloten stelsel beperkingen heeft als praktisch nadeel dat als gevolg van technologische ontwikkelingen de beperkingen niet meer helemaal passend zijn en de rechter dus bepalingen gaat oprekken of aan openbaarmakingen of verveelvoudigingen auteursrechtelijke bescherming eenvoudigweg ontzegt.[155]

 

Vanwege de vele voordelen ten opzichte van ons huidige rigide systeem van wettelijke beperkingen zijn er dan ook al diverse stemmen opgegaan een dergelijke open norm ook in de Nederlandse Auteurswet in te passen.[156] Ook de regering heeft in 1999 al verzocht een dergelijk principe aan de Auteurswet toe te voegen. In een brief van de Minister van Justitie en de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal dd. 10 mei 1999[157] wordt (bij de beleidsuitgangspunten onder 16) gesteld dat er:

"-naast de uitdrukkelijk geregelde beperkingen- behoefte bestaat aan een auteursrechtelijke hardheidsclausule waaraan de rechter kan toetsen of in een concreet geval voor een bepaalde vorm van gebruik inderdaad toestemming nodig is gelet op doel en aard van dat gebruik, de aard van het beschermd materiaal waarvan gebruik is gemaakt en de mate waarin dat gebruik de potentiële markt beïnvloedt. De wet zal hiertoe moeten worden aangepast".

 

Ondanks deze uitdrukkelijke wens van de regering heeft een Nederlandse 'fair use'-bepaling het levenslicht nog niet gezien. Ook Wetsvoorstel 28482 van 22 juli 2002[158], dat dient ter implementatie van de in paragraaf 5.2.1. besproken Harmonisatierichtlijn, behelst nog geen open norm voor wat betreft de mogelijke beperkingen van het auteursrecht. Voorlopig moeten de voorstanders dus nog enig geduld betrachten.

 

Maar, enige voorzichtigheid ten aanzien van een open norm is ook wel geboden. Fair use moet er niet toe leiden dat er lukraak gekopieerd gaat worden, enkel omdat wordt aangenomen dat zulks toch wel onder 'fair use' valt, of, zoals Mary Carter omschreef, 'Fair use is no excuse'.[159]

 

Of een plagiaat-scriptie als 'fair use' zou zijn aan te merken valt te betwijfelen. We lopen de voorwaarden eens na. De plagiaat-scriptie wordt weliswaar niet direct commercieel ingezet, doch er spelen voor de student bij het gebruik van het beschermde werk duidelijk meer belangen dan louter een studiebelang. De student heeft het beschermde werk niet alleen gekopieerd om te lezen, maar één op één overgenomen in zijn eigen scriptie (klein minpunt voor 'fair use'). Veelal betreft het bij een plagiaat-scriptie non-fictie (pluspunt voor 'fair use'). Het effect van de scriptie voor de oorspronkelijk auteursrechthebbende is waarschijnlijk te verwaarlozen, de scriptie wordt enkel ten behoeve van de studie ingezet (pluspunt voor 'fair use'). Afhankelijk van de hoeveelheid die van het oorspronkelijke werk is overgenomen, zal het plus-/minpunt voor wat betreft de beoordeling van de kwantiteit en het onderscheid tussen reproductief en transformatief gebruik bepalen of de plagiaat-scriptie uiteindelijk is aan te merken als 'fair use' van het auteursrechtelijk beschermde werk.

 

Een beoordeling van een bepaalde handeling aan de hand van de fair use-elementen zal er in het algemeen sneller toe leiden dat die betreffende handeling geoorloofd is dan dat binnen een gesloten systeem van beperkingen het geval zou zijn. De fair use-bepaling biedt immers meer ruimte voor excepties dan het huidige Nederlandse pakket van beperkingen biedt. Het gebruik van een fair use-bepaling leidt tot een brede afweging van belangen, terwijl de Nederlandse beperkingen vrijwel uitsluitend zijn gericht op de belangen van auteursrechthebbenden.

 

Indien op grond van deze beoordeling inderdaad tot de conclusie wordt gekomen dat een plagiaat-scriptie inbreuk maakt op auteursrechten, dan komen we bij de problematiek die al eerder is besproken, namelijk dat de universiteit daar zelf relatief weinig tegen kan doen. De universiteit is geen auteursrechthebbende en kan slechts via de onrechtmatige daad plagiërende studenten aanpakken.

 

5.3.           Conclusie

 

Gerbrandy omschreef het zo mooi: "Het auteursrecht staat voortdurend in de steigers".[160] Dat dat ook anno 2003 nog een actuele kreet zou zijn, had hij in 1992 misschien niet eens voorzien. Maar Gerbrandy heeft inderdaad nog steeds gelijk, het auteursrecht dient steeds weer te worden aangepast aan nieuwe ontwikkelingen. Ook ten gevolge van de revolutie die het internet veroorzaakt, dient het auteursrecht te worden aangepast.

 

Een doorn in het oog van universiteiten is met name plagiaat bij scripties dat dankzij de mogelijkheden die het internet biedt, een enorme vlucht heeft genomen. Dat plagiaat dient te worden bestreden is inmiddels wel duidelijk. Duidelijk is tevens dat daarbij meer belangen spelen dan slechts geldelijke belangen. Universiteiten zijn erop gebrand goede studenten af te leveren, maar door de mogelijkheden van het internet dreigen teveel studenten via eenvoudige knip- en plaktechnieken hun wetenschappelijk niveau te 'bewijzen'. Gezocht moet worden naar oplossingen!

 

De nationale wettelijke regels lijken niet direct geschikt om internetplagiaat te bestrijden. Het auteursrecht biedt universiteiten weinig soelaas omdat zij geen auteursrechthebbende zijn en dus niet door de Auteurswet worden beschermd. Ook het privaatrecht biedt weinig houvast, slechts via de onrechtmatige daad kan de universiteit haar belangen 'beschermen'. Een probleem daarbij is echter het vaststellen van de schade. Welke schade berokkent een plagiërende student de universiteit? Een vertrouwensbreuk of misschien een slechte naam als bekend wordt dat het wel erg eenvoudig is om op die universiteit af te studeren? Helaas is het moeilijk deze schade te concretiseren. Universiteiten zijn dan ook veel meer gebaat bij het voorkomen dan het bestrijden van plagiaat.

Het strafrecht biedt misschien middels valsheid in geschrifte of bedrog een 'opening' om plagiërende studenten strafrechtelijk te vervolgen. Maar is daarmee het probleem opgelost? Feitelijk niet, het Openbaar Ministerie heeft een vervolgingsmonopolie en het is dan ook maar zeer de vraag of een plagiërende student, zonder direct commercieel doel, strafrechtelijk zal worden vervolgd.

 

Een concretere mogelijkheid om universiteiten een stok in handen te geven om plagiaat uit te roeien is de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. Het pakket van maatregelen dat universiteiten bij 'calamiteiten' mag treffen, zou kunnen worden uitgebreid. Thans is de meest vergaande maatregel uitsluiting van één of meerdere vakken voor maximaal één jaar. Wellicht zou een ingrijpender maatregel, misschien zelfs verwijdering van de universiteit, in ieder geval meer preventieve werking sorteren.

 

Door het internationale karakter van het internet is bij inbreukmakende activiteiten overigens niet altijd zonder meer vast te stellen welke rechter en welk rechtsstelsel van toepassing is; het internationale recht is daartoe ontoereikend. Veelal resulteert dit erin dat rechthebbenden zich in meerdere landen tot de rechter dienen te wenden. De respectievelijke rechters dienen vervolgens creatief om te gaan met het nationale recht omdat ook dat feitelijk onvoldoende op internetproblemen is toegespitst. Wat immers te doen indien bepaalde informatie naar het nationale recht van de verspreider op het internet is toegestaan, maar die informatie naar ander nationaal recht niet ontvangen mag worden (bv. porno)?[161] Er moeten derhalve maatregelen getroffen worden om internationale verschillen te minimaliseren. Maar een te streng internationaal handhavingsbeleid kan er echter weer toe leiden dat de free flow of information, hét grote voordeel van het internet, wordt ingedamd. Er dient dan ook een creatieve manier te worden gevonden waarop rechthebbenden voldoende bescherming wordt geboden, maar de informatievrijheid niet in een keurslijf belandt. Een 'fair use'-bepaling zoals deze in de VS wordt gehanteerd, lijkt daarvoor geknipt.

 

Plagiaat is een aangelegenheid van universiteiten zelf en de aanpak kan dan ook het beste binnen de muren van de universiteit worden gezocht. Strengere interne maatregelen zullen de plagiaatproblematiek niet doen oplossen, maar er zal toch altijd een preventieve werking van uitgaan.

 

Wellicht moet een oplossing ook niet zozeer worden gezocht in handhaving middels het recht als wel in handhaving middels technische voorzieningen. Aan deze mogelijkheid is het volgende hoofdstuk gewijd.

 

 

 

6.         Technische handhaving

 

"De techniek staat voor niets!?"

 

Ondanks diverse wetten en regelingen blijven er lekken bestaan in de bescherming van auteursrechtelijke werken. Het blijkt noodzakelijk de juridische bescherming te verstevigen door technische maatregelen. Een mogelijkheid zou kunnen zijn auteursrechtelijk beschermde werken technisch te beschermen en slechts onder voorwaarden, bijvoorbeeld tegen betaling, beschikbaar te stellen. De beschikbaarheid en toegankelijkheid van informatie zou hierdoor echter ernstig in het gedrang kunnen komen. Gezocht moet derhalve worden naar evenwichtige oplossingen. Auteurs moeten worden beschermd, maar informatie moet daarentegen niet volledig worden afgeschermd.

 

Zoals Charles Clark in 1994 zei: "The answer to the machine is in the machine".[162] Hij meent dat werken naar hun aard nu eenmaal bedoeld zijn om gebruikt te worden en je moet je dan ook niet afvragen hoe je de toegang kunt blokkeren, maar hoe je de toegang en het gebruik kunt registreren cq. controleren.

 

Dit hoofdstuk is gericht op middelen en methoden om het ongeoorloofd en/of onrechtmatig gebruik van auteursrechtelijk beschermde werken te voorkomen en op te sporen.

 

6.1.           Analoge versus digitale omgeving

 

Het grote verschil tussen de analoge en digitale omgeving is dat plagiaat in de analoge omgeving veel meer inspanningen vergde van de plagiator dan in de digitale omgeving. In de analoge omgeving moesten over te nemen stukken tekst eerst handmatig worden gezocht en vervolgens worden overgeschreven of overgetypt.

 

Het ontdekken van plagiaat was in de analoge omgeving eveneens een tijdrovende klus en berustte veelal op toeval. Bij het beoordelen van scripties waren in dat kader een aantal vragen relevant:

·       Is het taalgebruik daadwerkelijk afkomstig van de student?

·       Is de lay-out, stijl en het taalgebruik in de hele scriptie consistent?

·       Loopt de scriptie in zijn geheel, of zijn het losse stukken? Is er bijvoorbeeld geforceerd bijgestuurd om aan een bepaalde vraag van de docent te voldoen?

·       Kloppen de paginanummers in de bronvermelding?

·       Is al het werk in de literatuurlijst ook daadwerkelijk in de tekst aangehaald?

·       Is de literatuur waarnaar wordt verwezen beschikbaar in de universiteitsbibliotheek?

·       Zijn het bekende of vreemde bronnen waarnaar wordt verwezen?

·       Zijn er foutieve verwijzingen blijven staan uit de gekopieerde tekst?

 

Plagiaat werd in deze situatie slechts ontdekt indien de docent onvolkomenheden constateerde in de scriptie -veelal voortvloeiende uit vorenstaande vragen- of er bij lezing overeenstemming werd vermoed met teksten van anderen, en vervolgens de originele werken daarop werden nageslagen. Zoals al gesteld, berustte ontdekking van plagiaat veelal op toeval en was het vanwege het tijdrovende karakter vrijwel onmogelijk alle scripties concreet op plagiaat te beoordelen. Stel je eens voor dat bijvoorbeeld een docent van een Tilburgse student diens scriptie, in de analoge omgeving, moet beoordelen op plagiaat. De inhoud van de scriptie moet dan feitelijk worden vergeleken met in ieder geval alle literatuur uit de literatuurlijst, en wellicht nog meer literatuur en overige bronnen, met alle scripties van andere studenten van de Tilburgse universiteit en met scripties van studenten van andere universiteiten. Kortom: onbegonnen werk!

 

Was voor plagiaat in de analoge omgeving nog wat energie van de student vereist, in de digitale omgeving is het plegen van plagiaat kinderlijk eenvoudig geworden. Met een zoekmachine zijn de gewenste teksten snel gevonden, even knippen en plakken, en klaar is het eindproduct.

 

Het handhaven van auteursrechten leek in de analoge omgeving, bij de introductie van kopieer- en opnameapparatuur, aanvankelijk niet mogelijk, maar in de loop der tijd is daar een oplossing voor gevonden in de vorm van de kopieervergoeding en heffing op lege cassettebandjes. Handhaving via de portemonnee derhalve! Handhaving dreigt met de komst van o.a. het internet wederom een probleem te worden, maar ook nu lijkt de techniek weer bij te kunnen dragen aan de oplossing van het handhavingsprobleem.

 

Technologische ontwikkelingen leiden enerzijds tot steeds meer mogelijkheden om beschermde werken te verspreiden, kopiëren, bewerken, etc., etc., maar de keerzijde van deze ontwikkelingen is dat deze ook tot nieuwe handhavingsmogelijkheden leiden.[163]

 

Een aantal van die ontwikkelingen zal in dit hoofdstuk worden besproken in paragraaf 6.2.. In het bijzonder wordt aandacht besteed aan speciale plagiaat-detectiesoftware, die in paragraaf 6.3. de revue passeert. Vanwege de bijzondere methoden die de CODAS-software gebruikt zal deze in 6.4. apart worden toegelicht.

 

6.2.           Technische bescherming

 

Technologische ontwikkelingen, en met name het internet, hebben het makkelijker gemaakt inbreuk te maken op auteursrechten. Diezelfde ontwikkelingen hebben het echter ook mogelijk gemaakt dergelijke inbreuken op te sporen én zelfs ook te voorkomen en/of bemoeilijken.

 

Rechthebbenden kunnen een aantal technische maatregelen treffen teneinde hun werken te beschermen:[164]

 

·       Wachtwoord:
Informatie kan worden voorzien van een bepaald wachtwoord. Alleen degene die over dat wachtwoord beschikt, krijgt via het internet toegang tot bepaalde informatie. Auteursrechthebbenden kunnen ervoor kiezen de wachtwoorden kosteloos danwel tegen betaling te verstrekken.

·       Encryptie/Decoderen:
Leveranciers van informatie cq. auteursrechthebbenden kunnen informatie versleutelen om deze zodoende voor onbevoegden onbruikbaar te maken. Alleen degene die de juiste sleutel heeft, kan over de informatie beschikken. Ook voor encryptie geldt dat auteursrechthebbenden ervoor kunnen kiezen de sleutel kosteloos danwel tegen betaling te verstrekken. Een gelijksoortig systeem wordt gebruikt bij satelliet-uitzendingen: alleen de bezitter van een decoder kan de betreffende zender ontvangen.

 

·       Digitaal watermerk:

Een digitaal watermerk is een voor de gebruiker van de informatie onzichtbare markering van de auteursrechthebbende die aangeeft of de betreffende informatie authentiek is, of een kopie van een origineel betreft. Veelal ontbreekt bij een kopie het watermerk, of het watermerk geeft aan of het origineel is of niet.

·       Anti-kopieerprogramma:
Auteursrechthebbenden kunnen hun informatie ook beschermen door het kopiëren ervan technisch onmogelijk te maken.

 

·       Identificatie:
Auteursrechthebbenden kunnen potentiële gebruikers van hun werken hun identiteit laten prijsgeven, en daarnaast eventueel ook laten betalen, in ruil voor het ter beschikking stellen van auteursrechtelijk beschermd werk.

 

·       Pay per use-systeem:

Bij een pay per use-systeem wordt informatie pas beschikbaar gesteld nadat daarvoor is betaald.[165] De informatie wordt tot het moment van betalen veelal afgeschermd door middel van bijvoorbeeld een wachtwoord of sleutel.

 

·       Electronic Copyright Management Systeem (ECMS):

Een systeem waarbij sprake is van volledig beveiligde distributie, beheer, controle en afrekening van informatie wordt een ECMS genoemd. Met dergelijke systemen wordt op het internet al wel wat geëxperimenteerd, maar het zal nog even duren voordat er op grote schaal gebruik van wordt gemaakt. Een nadeel van een ECMS is namelijk vooralsnog dat het systeem geen rekening houdt met wettelijk toegestane beperkingen van de Auteurswet. Er kan nog geen onderscheid worden gemaakt tussen gerechtvaardigde (bv. kopie t.b.v. studie) en ongerechtvaardigde (bv. kopiëren met commercieel doel) auteursrechtinbreuken. Dat ongemak zal eerst verholpen moeten worden, voordat dergelijke systemen breed inzetbaar worden.

 

Een voordeel van het technisch beschermen van auteursrechtelijk beschermde werken is uiteraard dat kan worden voorkomen dat 'onbevoegden' toegang krijgen tot cq. gebruik maken van beschermde werken, waardoor bijvoorbeeld inkomsten voor de auteursrechthebbenden worden misgelopen.

 

Een nadeel van dergelijke technische beschermingssystemen is echter dat deze moeilijk waterdicht te maken zijn. Hackers weten deze systemen altijd weer te omzeilen, een wachtwoord, sleutel of code kan worden gekopieerd of gekraakt. Een ander nadeel is dat bij een systeem van gecontroleerde toegang, al dan niet tegen betaling, auteursrechthebbenden met potentiële gebruikers moeten 'onderhandelen' over de toegang.

 

Een oplossing voor dit probleem zou kunnen worden gevonden in een systeem van collectieve handhaving door een speciale organisatie die zorgt voor de inning en doorbetaling van vergoedingen. In Nederland kent men inmiddels een aantal van dergelijke organisaties.[166] Een organisatie cq. een dergelijk systeem bestaat echter nog niet voor informatie die op het internet beschikbaar is. Als tijdelijke oplossing heeft Buma/Stemra wel een regeling ingesteld voor het gebruik van muziekwerken op het internet.[167] Wie muziek op zijn (Nederlandse) site gebruikt, moet daarvoor een vergoeding betalen. Voor andere digitale informatie ontbreken dergelijke voorzieningen vooralsnog.

 

Op het gebied van de handhaving van rechten heeft Buma/Stemra overigens ook een Vaste Commissie Plagiaat in het leven geroepen die op aanvraag van auteursrechthebbenden (niet-bindende) adviezen verstrekt aan de Buma/Stemra voor wat betreft de te innen vergoedingen.[168] Deze adviezen worden door de Buma/Stemra opgevolgd totdat een rechter eventueel anders heeft beslist. Ook op dat gebied kan een collectieve organisatie derhalve haar diensten bewijzen.

 

Vorenstaande maatregelen maken het mogelijk dat auteursrechthebbenden het verkeer op het internet[169] of computers van individuele internet-gebruikers afspeuren op zoek naar inbreukmakende handelingen cq. inbreukmakende werken.[170] Vervolgens kan de inbreukmaker via de Auteurswet worden aangepakt.

 

Voormelde technische beschermingsmaatregelen zijn een belangrijke aanvulling op de bescherming die de Auteurswet rechthebbenden biedt. De auteursrechthebbenden zijn echter niet snel tevreden, en thans wenst men ook nog eens bescherming van de technische beschermingsmaatregelen. In Wetsvoorstel 28482[171] dat dient ter implementatie van de in paragraaf 5.2.1. besproken Harmonisatierichtlijn, is op aandringen van auteursrecht-hebbenden dan ook een bepaling opgenomen terzake het omzeilen van technische voorzieningen (art. 29a): Degene die doeltreffende technische voorzieningen omzeilt, of daartoe diensten verricht of inrichtingen, producten of onderdelen vervaardigt, invoert, distribueert, verkoopt, verhuurt of daarvoor adverteert, en dat weet of redelijkerwijs behoort te weten, handelt onrechtmatig.

 

Waar voor moet worden gewaakt, is dat technische beschermings-maatregelen wellicht verder gaan dan in het kader van de Auteurswet gewenst is. Immers, bepaalde handelingen (bv. kopie t.b.v. studie) zijn op grond van de wet toegestaan. Vergaande maatregelen zouden kunnen verhinderen dat dergelijke handelingen nog uitgevoerd kunnen worden. Het evenwicht dat in de analoge situatie altijd heeft bestaan tussen enerzijds rechthebbenden en anderzijds eindgebruikers, zou daarmee ernstig verstoord kunnen raken. De nog te ontwikkelen technische maatregelen moeten daar wellicht alsnog mogelijkheden toe bieden, danwel moeten de strafrechtelijke bepalingen ten aanzien van het omzeilen van dergelijke maatregelen voor legitieme doeleinden een uitzondering maken. In de Harmonisatierichtlijn[172] is daarin al voorzien; in artikel 6 wordt gesproken over 'passende maatregelen'. Deze maatregelen hoeven derhalve niet persé strafrechtelijk te zijn, en er mogen kennelijk excepties gemaakt worden. Op deze wijze kunnen ook de belangen van eindgebruikers worden beschermd.

 

6.3.      Plagiaat-detectiesoftware

 

De in de voorgaande paragraaf beschreven technische maatregelen bieden universiteiten, ondanks de mogelijkheden en voordelen, echter nog steeds geen wapen in de strijd tegen plagiaat. Weliswaar wordt het door dergelijke maatregelen voor studenten moeilijker auteursrechtelijk beschermde werken te kopiëren, het gevaar blijft bestaan dat studenten teksten van elkaar en van derden gebruiken en voor eigen werk laten doorgaan.

 

Speciaal voor deze problematiek is zogeheten plagiaat-detectiesoftware ontwikkeld die het mogelijk maakt plagiërende studenten te ontmaskeren. Moesten vroeger twee scripties nog één op één naast elkaar gelegd worden om vast te stellen of er overeenkomsten waren, tegenwoordig is de computer daarbij een onmisbaar hulpmiddel; speciale software detecteert automatisch overlappende teksten.

 

6.3.1.   Doel

 

Het doel van plagiaat-detectiesoftware is heel simpel het vaststellen van plagiaat, althans het blootleggen van een vermoeden dat er plagiaat in het spel is. De plagiaat-detectiesoftware kan worden ingezet om teksten te controleren op mogelijk plagiaat. Het beoordelen en vaststellen of er inderdaad sprake is van plagiaat blijft voorbehouden aan de docent. De software kan wel indiceren, echter niet identificeren. Dat het mogelijk is dat twee teksten erg veel op elkaar lijken maar desalniettemin beiden origineel zijn, zal duidelijk worden bij de toelichting op plagiaat-detectiesoftware in paragraaf 6.3.2..

 

Zoals meermaals in deze scriptie naar voren is gekomen, is plagiaat een doorn in het oog van universiteiten. Cijfers of statistieken over plagiaatgevallen zijn niet bekend. Welke universiteit maakt immers dergelijke situaties graag openbaar? Aangenomen mag echter wel worden, gezien het aantal publicaties van diverse universiteiten, dat plagiaat een probleem is waar iedere instelling mee kampt. Niet alleen is plagiaat onwenselijk ten opzichte van de rechthebbenden, een groter probleem waar de universiteiten mee worstelen is dat plagiërende studenten in de kern hun wetenschappelijke titel niet waardig zijn. Met name vanuit die gedachte wordt plagiaat bestreden.

 

Het doel van de plagiaat-detectiesoftware is in een breder kader dan ook universiteiten een middel in handen te geven teneinde scripties (maar uiteraard ook andere schriftelijke stukken) van studenten te controleren op authenticiteit en zodoende de maatschappij te behoeden voor wetenschappers die slechts bedreven zijn in het knippen en plakken van teksten via het internet. In hoeverre is het werk dat door de student als zijn werk wordt gepresenteerd, ook daadwerkelijk uit diens hoed afkomstig?

 

6.3.2.   Methoden

 

Er zijn inmiddels verschillende soorten plagiaat-detectiesoftware op de markt. Specifiek voor de controle van scripties op plagiaat door universiteiten dienen dergelijke systemen -in de meest optimale situatie- in twee dimensies controles te kunnen uitoefenen. Scripties dienen enerzijds te worden vergeleken met scripties van andere studenten (van de eigen universiteit, danwel landelijk, misschien zelfs mondiaal) en scripties dienen anderzijds te worden vergeleken met (auteursrechtelijk beschermde) teksten van anderen op het internet.

 

De zoekmethode die de diverse programma's hanteren is verschillend. Alvorens daarop nader in te gaan, zal de meest bekende plagiaat-detectiesoftware kort worden beschreven:[173]

 

·       EVE2 (Essay Verification Engine):[174]

De Amerikaanse EVE2-software vergelijkt ingevoerde teksten met sites op het internet. Na de controle wordt per ingevoerde tekst een rapport afgegeven met een overzicht van het aantal 'hits' (overeenkomsten met teksten op het internet), met een kleur wordt aangegeven welke stukken tekst zijn overgenomen van het internet en er wordt met een percentage aangegeven hoeveel procent van de ingevoerde tekst bestaat uit overnames uit andere teksten.

 

·       Urkund:[175]
Het werk dat een student naar de docent stuurt, wordt eerst automatisch gecontroleerd door de Zweedse Urkund-software. Het werk wordt opgeslagen in een database en vergeleken met alle andere documenten in die database, het internet, paper-mills, digitaal beschikbare auteursrechtelijk beschermde werken, krantenartikelen, encyclopedieën, etc.. Urkund stuurt het document vervolgens, tezamen met een overzicht van eventuele overeenstemming (woordsimilariteit) met andere documenten, door naar de docent. Ruim 600 instellingen maken inmiddels gebruik van Urkund, drie Nederlandse universiteiten starten waarschijnlijk binnenkort. Het doel van Urkund is de standaard worden voor Europese instellingen.

 

·       WCopyfind:[176]
De WCopyfind-software, ontwikkeld door de universiteit van Viriginia, kan slechts documenten onderling met elkaar vergelijken op overeenstemmende combinaties van woorden. Dit product is geschikt om bijvoorbeeld alle opdrachten van studenten van één cursus met elkaar te vergelijken.

 

·       EduTie:[177]
Edutie is een Amerikaans product dat ingezonden scripties vergelijkt met bronnen op het internet, met name bestanden van paper-mills, en vervolgens met kleuren aangeeft hoe groot de kans is dat bepaalde teksten zijn overgenomen van het internet.

 

·       Plagiserve:[178]
Plagiserve is een uit Oekraïne afkomstig product dat, evenals Edutie, ingezonden scripties vergelijkt met bronnen op het internet, waaronder vele paper-mills, maar evenzo met de inmiddels opgebouwde database van ingezonden stukken. Met een percentage, en met kleuren, wordt aangegeven hoe groot de kans is dat er plagiaat is gepleegd.

 

·       Turnitin:[179]
Turnitin (turn it in) is een product dat oorspronkelijk is ontworpen door de universiteit van Berkeley (Californië) en dat thans in meer dan 50 landen wordt gebruikt. De naar Turnitin verzonden documenten worden opgeslagen in een database en worden vergeleken met alle overige documenten in die database (zijnde alle documenten die eerder al ter controle aan Turnitin zijn verzonden, op piekdagen zijn dat er 20.000 per dag!), het internet, en met een database met miljoenen publicaties (tijdschriftartikelen, kranten, boeken, etc.).

 

·       Pl@giarism:[180]
Pl@giarism is een door een docent van de Universiteit Maastricht ontwikkeld product dat bestanden onderling met elkaar vergelijkt en in een percentage uitdrukt hoe groot de kans op plagiaat is. De vergelijking vindt plaats aan de hand van overeenstemmende combinaties van woorden en aan de hand van het aantal woorden dat in meerdere bestanden voorkomt.

 

·       PEACH/vs (Programming Education And Contest Hosting/Verification System):[181]
Het door de Technische Universiteit Eindhoven ontwikkelde systeem helpt docenten bij het nakijken van programmeeropdrachten. De opdrachten die de studenten aan de docent verzenden, worden eerst gecontroleerd door het PEACH-programma teneinde te verifiëren of aan de minimumeisen van de opdracht is voldaan, voordat het naar de docent wordt doorgezonden en door deze wordt beoordeeld. Het programma controleert tevens of programmeercodes van andere studenten zijn overgenomen. Een dergelijk specifiek software-programma heeft ook de University van Berkeley ontwikkeld onder de naam MOSS (measure of software similarity).[182]

 

·       Ferret:[183]
Ferret is plagiaat-detectiesoftware, ontwikkeld door de universiteit van Hertfordshire (Groot Britannië), die werkstukken onderling met elkaar vergelijkt aan de hand van combinaties van drie opeenvolgende woorden. Het totaal aantal gecontroleerde werkstukken wordt gerangschikt naar gelang de meeste overeenstemming met andere werkstukken is geconstateerd.

 

·       Codas (Computer Ondersteund Document Analyse Systeem):[184]

De door de Erasmus Universiteit Rotterdam ontwikkelde CODAS-programmatuur bestaat uit twee modules, een nakijkmodule, waarmee documenten worden gerangschikt naar gelang ze het meest op voorbeeld-documenten lijken en het minst op tegen-voorbeelden, en een fraudecheck-module, waarmee de similariteit tussen documenten wordt bepaald. De CODAS-programmatuur wordt inmiddels al vele jaren (sinds begin jaren '90), naar tevredenheid, gebruikt in diverse instellingen in binnen- en buitenland.[185]

 

De methoden waarop vorenstaande plagiaat-detectiesoftware documenten zoekt en vergelijkt is heel divers. Overeenkomsten en verschillen zijn er op meerdere fronten:

 

·       Locatie van de controle:

Bepaalde software wordt, al dan niet tegen betaling, ter beschikking gesteld van een onderwijsinstelling die de controles daarna binnen het eigen computersysteem/-netwerk kan uitvoeren. Andere programma's worden niet ter beschikking gesteld, maar die organisaties voeren de controle zelf uit nadat scripties digitaal zijn aangeleverd, danwel door de studenten danwel door de onderwijsinstellingen. Deze organisaties bieden niet de specifieke software aan, maar een dienst om scripties te controleren op plagiaat.

 

·       Gehanteerde controlemethode:

Er kan gewerkt worden met de systematiek van een zoekmachine, waarbij gezocht wordt naar overeenstemmende combinaties van opeenvolgende woorden (bijvoorbeeld een combinatie van zes opeenvolgende woorden). Ook is het mogelijk dat gezocht wordt naar overeenstemmende woorden, ongeacht de volgorde waarin zij voorkomen in de tekst.

 

·       Rapportage na controle:

Ook de rapportage is heel verschillend. Sommige producten laten per document met een kleur zien welke delen overeenkomen met andere bronnen, al dan niet voorzien van een link naar die betreffende bronnen. Andere producten geven per document met een percentage of getal aan hoe groot de kans is dat in dat betreffende document geplagieerde tekst voorkomt. Een opsomming van documentenparen die de meeste overeenstemming vertonen is ook een wijze van presenteren van de onderzoeksresultaten, evenals statistieken, etc., etc..

 

De pakketten zijn vanwege deze verschillen onderling niet gemakkelijk met elkaar te vergelijken. Zo lopen ook de prijzen voor de software nogal uiteen; het ene product is gratis, voor het andere moet diep in de buidel worden getast. De keuze voor een bepaald product zal dan ook sterk worden bepaald door het doel dat met de software wordt beoogd. Is het uitgangspunt het voorkomen dat studenten met elkaar samenwerken cq. werk van elkaar overnemen, danwel dat vastgesteld moet worden of werken van derden zijn gebruikt. Bij een keuze spelen daarnaast uiteraard de specifieke voor- en nadelen van de betreffende software mee. Deze worden in de volgende paragraaf toegelicht.

 

6.3.3.   Voor- en nadelen

 

De in deze paragraaf opgenomen bespreking van de voor- en nadelen van de in het voorafgaande genoemde plagiaat-detectiesoftware vindt uiteraard slechts plaats in het kader van dit onderzoek en dient dan ook geplaatst te worden in het licht van een algemene beschouwing.[186]

 

Een nadeel van alle systemen is dat er slechts een indicatie aan kan worden ontleend dat er mogelijkerwijs sprake is van plagiaat. Geen enkel systeem kan teksten namelijk inhoudelijk beoordelen. De systemen geven ieder op eigen wijze een beoordeling van de kans dat er plagiaat is gepleegd, handmatig dient vervolgens te worden beoordeeld of dat ook inderdaad het geval is, of dat er wellicht andere factoren een rol spelen. Plagiaat-detectiesoftware is dan ook niet meer dan een tijdbesparend hulpmiddel voor docenten, het is geen wondermiddel dat plagiërende studenten automatisch ontmaskert, het geeft slechts een vermoeden weer.

 

Een nadeel van een systeem dat werkt met het vergelijken van combinaties van opeenvolgende woorden is dat studenten die teksten goed kunnen herschrijven, met een dergelijk systeem niet altijd worden ontmaskerd. Als je immers weet dat het systeem alleen 'piept' als overeenstemmende combinaties van zes woorden zijn gevonden, zorg je er simpelweg voor dat je alle zinnen zodanig herschrijft dat er steeds maximaal vijf opeenvolgende woorden in beide documenten voorkomen.

 

Als er daarentegen wordt gecontroleerd op kleinere woordenparen, bijvoorbeeld drie opeenvolgende woorden, komen er automatisch erg veel overeenkomsten naar voren. De kans dat drie opeenvolgende woorden in meerdere documenten voorkomen, is immers aanzienlijk groter dan de kans dat zes opeenvolgende woorden in meerdere documenten voorkomen.

 

Een nadeel, of misschien beter gezegd een beperking, van de plagiaat-detectiesoftware is dat geen rekening wordt gehouden met bronvermeldingen. Een student die in zijn scriptie veel materiaal gebruikt van bijvoorbeeld het internet, wordt bij een controle als mogelijke plagiator bestempeld. Indien die student echter correct en volledig zijn bronnen heeft vermeld, is er geen sprake van plagiaat. Indien een tweede student toevalligerwijs veel dezelfde bronnen heeft gebruikt, maar desalniettemin een uniek werk ten opzichte van zijn collega-student heeft geproduceerd, komen zij ook in relatie tot elkaar als plagiatoren naar voren. Bij een handmatige controle dient de docent hiervan goede nota te nemen. Deze problematiek speelt uiteraard slechts indien literatuuronderzoek, en dus ook de correcte verwijzing, een wezenlijk onderdeel uitmaakt van een opdracht, zoals dat vooral het geval is bij werkstukken van rechtenstudenten. Deze zijn immers veel meer dan studenten van exacte wetenschappen, waar de nadruk ligt op empirisch onderzoek, aangewezen op literatuuronderzoek.

 

Een nadeel van een aantal producten is dat documenten slechts vergeleken worden met informatie op het internet of met andere documenten in een database. Door het zoekgebied op deze wijze te beperken, is de kans nog steeds aanwezig dat studenten plagiaat plegen. Maar zoals al gezegd, dit is ook afhankelijk van het specifieke doel dat met een bepaalde controle wordt beoogd. Het meest uitgebreid, en daardoor met de kleinste kans op plagiaat, is uiteraard een systeem dat zowel het internet meeneemt in de controle, alsook digitale publicaties, paper-mills, werkstukken van collega-studenten, etc., etc..

 

Een vraag die naar aanleiding van het onderzoek is gerezen, is of de aandacht niet teveel is komen te liggen op controle aan de hand van digitale werken. Kruipt de student die plagieert van analoog werk, dat niet tevens digitaal beschikbaar is, door de mazen van dergelijke systemen? Waarschijnlijk is bij de ontwikkeling van deze software hieraan voorbijgegaan omdat plagiëren van analoog werk voor de student nu eenmaal veel omslachtiger is dan knippen en plakken via het internet, en daarnaast het aanbod van digitale bestanden explosief groeit.

 

Een algemeen nadeel van plagiaat-detectiesoftware is ook dat de frauderende student die een ander zijn scriptie laat schrijven, welke scriptie vervolgens geen geplagieerd werk behelst, niet door de mand valt. Een dergelijke controle, of degene die een bepaald stuk inlevert ook daadwerkelijk de auteur is, zou mogelijkerwijs wel gerealiseerd kunnen worden indien gedurende de gehele studie alle digitale werkstukken van een student centraal (in een portfolio) worden opgeslagen.[187] Bij iedere controle van een nieuw stuk kan dit worden vergeleken met de eerdere stukken van die student, zodat kan worden beoordeeld of de schrijfstijl en het woordgebruik consistent is.

 

Een probleem dat uiteraard aan alle systemen, analoog danwel digitaal, kleeft is de beoordeling van het plagiaat an sich. Stel er zijn overeenkomsten ontdekt. Wanneer spreek je dan van plagiaat, bij 5% overeenstemming of pas bij 40% overeenstemming met andere teksten? Of indien het 'nieuwe' werk voor 20% uit overgenomen werk bestaat, of pas indien het voor 50% uit overgenomen werk bestaat?

 

Naast een aantal nadelen, kleven er aan plagiaatdetectie-systemen uiteraard ook vele voordelen. Die conclusie volgt automatisch uit de snelheid waarmee dergelijke producten op de markt verschijnen. Het merendeel van de besproken systemen dateert van na 2000.

 

Een groot voordeel dat alle besproken systemen genereren, is dat studenten zich bewust worden van de mogelijkheden die de techniek, en in het bijzonder internet, niet alleen hen biedt, maar ook de onderwijsinstellingen. Van de plagiaat-detectiesoftware gaat dan ook een sterke preventieve werking uit. De kans gesnapt te worden door het systeem, weerhoudt in ieder geval een deel van de studenten van het plegen van plagiaat, een ander deel van de studenten gelooft pas in het systeem na minstens één keer gesnapt te zijn. Daadwerkelijke cijfers zijn niet bekend, maar bij onderwijsinstellingen die met plagiaat-detectiesoftware werken, leeft in ieder geval de overtuiging dat het aantal plagiaatgevallen hierdoor aanzienlijk is afgenomen.[188]

 

De systemen die het elektronisch ontsluiten en beschikbaar stellen van scripties bewerkstelligen, leveren in ieder geval een substantiële ondersteuning van het onderwijs. Het is daarmee voor het eerst dat scripties van verschillende universiteiten onderling vergeleken kunnen worden. De meest gemakkelijke vorm van plagiaat, het één op één overnemen van een scriptie van een iemand van een andere universiteit, wordt daarmee snel uitgebannen. Ook kan door het elektronisch ontsluiten van scripties worden bewerkstelligd dat een scriptie van de ene student een andere student uitnodigt tot het doen van nader onderzoek. Ook in die zin wordt een bijdrage geleverd aan (de kwaliteit van) het onderwijs. Vermoedelijk zal ook de wetenschap bij studenten dat een scriptie openbaar gepubliceerd wordt, aanzetten tot het afleveren van kwalitatief betere scripties.

 

Ondanks het nadeel dat de software slechts in indicaties of vermoedens resulteert, de tijdwinst die hiermee wordt geboekt is immens. De docent hoeft immers nu niet meer alle documenten in zijn geheel door te nemen om vast te kunnen stellen of er plagiaat is gepleegd, de software geeft alvast aan jegens welke scripties wel en geen vermoedens bestaan. De functionaliteit die bepaalde systemen vervolgens bieden, het aangeven van de links waar het overeenstemmende werk is gevonden of het met kleuren aangeven van de overeenstemmende tekstgedeelten, levert wederom een aanzienlijke tijdsbesparing op.

 

6.3.4.   CODAS-software

 

Niet alle systemen zijn even nauwkeurig in de controle cq. vergelijking van documenten. De wijze waarop en nauwkeurigheid waarmee de CODAS-software documenten met elkaar vergelijkt, steekt met kop en schouders boven de andere systemen uit.[189] Het grote voordeel van de CODAS-software is dat niet alleen bepalend is hoe vaak een bepaald woord in meerdere documenten voorkomt, maar in zekere zin ook hoe waarschijnlijk dat is. Zoals al gemeld houdt de CODAS-software rekening met de similariteit tussen documenten.

 

Met de similariteit wordt bedoeld de mate waarin twee documenten voor wat betreft hun vorm en de woordtypen waaruit zij zijn opgebouwd, met elkaar overeenstemmen. Bij een controle van documenten wordt niet alleen rekening gehouden met het aantal keren dat een bepaald woordtype voorkomt, maar ook met het 'gewicht' van die woordtypen. Een woordtype dat vaak voorkomt heeft een zeer laag gewicht (bijvoorbeeld het woord 'de'), een woordtype dat minder vaak voorkomt heeft een hoog gewicht (bijvoorbeeld het woord 'mogelijkerwijs').

 

Daarnaast wordt niet alleen beoordeeld welke woordtypen in beide documenten voorkomen, maar ook welke woordtypen ontbreken in relatie tot andere documenten uit dezelfde beoordeling. Indien bij 50 documenten in 48 documenten een bepaald woord wel voorkomt, maar in twee documenten niet, dan is dat een indicatie voor plagiaat. Aan het niet gebruiken van een bepaald woordtype wordt derhalve eveneens een bepaald gewicht toegekend.

 

Aan de hand van deze afzonderlijke 'gewichten' kan steeds tussen twee documenten een vergelijking worden gemaakt en worden bepaald hoe waarschijnlijk het is dat er in het ene document ten opzicht van het andere document plagiaat is gepleegd. Deze waarschijnlijkheid wordt weergegeven in een fraudescore, die loopt van 1 tot 10.000. Hoe hoger de uitkomst, hoe meer overeenkomsten tussen twee documenten en hoe groter dus het vermoeden dat er iets aan de hand is. Handmatig kan de docent vervolgens de documentenparen met de hoogste scores vergelijken.

 

Het bijzondere van de CODAS-software is dat ook trucs die worden gebruikt om het systeem te omzeilen, zoals bijvoorbeeld het 'vertalen' van een tekst met behulp van synoniemen of het 'omgooien' van de tekst zodat op het oog een nieuwe tekst ontstaat, worden doorzien. Ook al zijn teksten op deze wijze bewerkt, dan nog resulteren dergelijke teksten in een hoge fraudescore.

 

Ook voor de CODAS-software geldt uiteraard weer dat het resultaat van de controle slechts een verdenking aangeeft van plagiaat. Handmatig dient altijd te worden beoordeeld of die automatisch gegenereerde verdenking terecht is.

 

6.4.           Conclusie

 

Zoals in het vorige hoofdstuk al werd geconcludeerd, is plagiaat een aangelegenheid van universiteiten zelf en kan een oplossing voor deze problematiek het beste binnen de muren van de universiteit worden gezocht. Aangezien de universiteiten wettelijk weinig houvast hebben om daadwerkelijk tegen plagiatoren op te treden, is in dit hoofdstuk onderzocht of, en zo ja welke, technische mogelijkheden er zijn om plagiaat de kop in te drukken.

 

De digitale omgeving, die veel technologische ontwikkelingen met zich heeft gebracht, heeft het enerzijds gemakkelijker gemaakt plagiaat te plegen, anderzijds hebben deze ontwikkelingen het ook mogelijk gemaakt de beschikbaarheid en/of toegankelijkheid van informatie te beschermen. Auteursrechthebbenden hebben er uiteraard alle belang bij het gebruik van hun werken op het internet aan banden te leggen danwel daarvoor een vergoeding te vragen, voorkomen moet echter worden dat het auteursrecht hiermee verwordt tot een soort toegangsrecht waarbij bepaald wordt wie op het internet toegang krijgt tot welke informatie, en niet langer meer wat wel en niet mag met de informatie die beschikbaar is. Informatie moet immers in de kern beschikbaar blijven voor het publiek.

 

De in paragraaf 6.2. beschreven technische maatregelen geven auteursrechthebbenden een uitgebreide set gereedschappen in handen om hun werken op het internet te beschermen. Deze mogelijkheden bieden echter geen oplossing voor de plagiaatproblematiek van de universiteiten, die niet als rechthebbende haar werken wil beschermen maar wil voorkomen dat studenten via het internet plagiaat plegen.

 

Gelukkig staat de techniek voor niets en speciaal voor de plagiaatproblematiek van universiteiten is zogeheten plagiaat-detectiesoftware ontwikkeld die het mogelijk maakt plagiërende studenten op eenvoudige wijze te ontmaskeren. Er zijn inmiddels verscheidende producten op de markt, in de kern hebben zij hetzelfde doel: het vaststellen van plagiaat.

 

Tot het daadwerkelijk automatisch vaststellen van plagiaat is het in de praktijk nog niet gekomen. De plagiaat-detectiesoftware resulteert, ieder via een eigen zoekmethode en zoekgebied, in een vermoeden van plagiaat. Een handmatige controle door de docent is tenslotte vereist om te beoordelen of er in een bepaald geval inderdaad sprake is van plagiaat.

 

Ondanks de nadelen en beperkingen van een aantal beschreven producten, resulteren alle plagiaatprogramma's in dezelfde voordelen: de tijdwinst voor docenten is aanzienlijk en het feit dat scripties worden opgenomen in een openbare database zal bijdragen aan de kwaliteit van het onderwijs. Niet alleen kan uit deze scripties worden geput ten behoeve van latere scripties, de wetenschap dat een scriptie openbaar gepubliceerd wordt zal studenten waarschijnlijk aanzetten tot betere resultaten.

 

En ook al is de plagiaat-detectiesoftware nog niet uitontwikkeld, en ook al zijn de resultaten niet altijd conform een handmatige controle, het allergrootste voordeel dat met dergelijke software tot op heden is behaald, is dat er een afschrikkende, preventieve werking van uitgaat. De wetenschap dat een scriptie wordt vergeleken met scripties van anderen, met teksten op het internet en met auteursrechtelijk beschermde publicaties weerhoudt het gros van de studenten van het knippen en plakken en zet aan tot eigen prestaties.

 

 

 

7.         Conclusies en aanbevelingen

 

Plagiaat is een probleem. Dat is het altijd al geweest en dat zal waarschijnlijk ook wel zo blijven. De digitalisering van informatie en zeker ook de mogelijkheden die het internet thans biedt, hebben geleid tot een oneindige kopieerbaarheid en manipuleerbaarheid van auteursrechtelijk beschermde werken. De laatste jaren lijkt er als gevolg van deze ontwikkelingen een toename te zijn van het aantal plagiaatgevallen. Met name universiteiten zitten inmiddels met de handen in het haar. Studenten plegen op grote schaal en met grote regelmaat plagiaat, zelfs in de laatste fase van hun studie bij het samenstellen van de scriptie.

 

Universiteiten staan hiermee voor een groot probleem. Plagiërende studenten zijn het niet waard een wetenschappelijke titel te behalen, de mogelijkheden om daartegen iets uit te richten zijn echter beperkt. De universiteiten zijn immers geen auteursrechthebbenden en kunnen op grond van het auteursrecht dan ook weinig aan het plagiëren doen. Het privaatrecht biedt via de onrechtmatige daad een handvat om studenten aan te pakken, het grootste probleem daarbij is het vaststellen en concretiseren van de geleden schade. Ook het strafrecht biedt maar weinig houvast plagiaat effectief te bestrijden. Op grond van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek kunnen de universiteiten thans de betreffende studenten slechts een jaar studievertraging bezorgen, strengere maatregelen biedt die wet vooralsnog niet.

 

Deze problematiek is aanleiding geweest voor het onderhavige onderzoek. De rode draad in dit onderzoek is geweest, de vraag of nieuwe copy-paste mogelijkheden noodzaken tot het toevoegen van een internetplagiaat-bepaling aan de Auteurswet, of dat van plagiaat-detectiemogelijkheden voldoende preventieve werking uitgaat?

 

Technologische ontwikkelingen hebben het studenten mogelijk en makkelijk gemaakt om via het internet scripties te produceren. Vrij eenvoudig kan via via of uit een speciale paper-mill een interessante scriptie worden betrokken, die vervolgens na wat aanpassingen als eigen werk wordt gepresenteerd. Ook is het mogelijk met geringe inspanningen via knip- en plaktechnieken uit teksten van anderen op het internet een scriptie samen te stellen en deze vervolgens wederom als eigen product presenteren. Via welke weg of methode dan ook, het is kinderspel om met gebruikmaking van het internet een belangrijk en intensief studie-onderdeel te reduceren tot wat knip- en plakwerk.

 

Echter, ieder voordeel heeft een nadeel, en zo is het ook met de onbegrensde mogelijkheden van het internet. Het internet leek even een walhalla voor luie of in tijdnood verkerende studenten, echter dat blijkt een utopie. Het internet biedt namelijk als geen ander medium auteursrechthebbenden en, voor het geval het om scripties gaat ook docenten, de mogelijkheid eindelijk iets tegen plagiaat te kunnen ondernemen.

 

Niet alleen is het mogelijk auteursrechtelijk beschermde werken ook daadwerkelijk te beschermen, door dergelijke teksten bijvoorbeeld te coderen of te voorzien van digitale watermerken, geavanceerde plagiaat-detectiesoftware heeft het mogelijk gemaakt plagiërende studenten eindelijk te ontmaskeren.

 

Afhankelijk van de software die gebruikt wordt, kan een bepaalde scriptie worden vergeleken met scripties van anderen in een scriptiedatabase -een interne controle als het ware-, of met diverse bronnen op het internet -een externe controle-. Voor wat betreft de interne controle, steekt de zoekmethode van de CODAS-software qua functionaliteit en betrouwbaarheid met kop en schouders boven de andere producten uit. Deze software baseert een eventueel vermoeden van plagiaat niet alleen op het aantal woorden dat in een scriptie overeenstemt met andere teksten, maar ook op de woordtypen die overeenstemmen. Zijn het bijvoorbeeld slechts algemene woorden die overeenstemmen, of zijn het specifieke, weinig voorkomende woorden die in meerdere teksten zijn gebruikt. De nauwkeurigheid waarmee vervolgens een vermoeden van plagiaat wordt berekend, zal de plagiërende studenten doen sidderen. Iedere vorm van plagiaat ten opzichte van andere scripties -hoe ingenieus op het eerst gezicht ook- wordt met behulp van deze software ontdekt.

 

Plagiaat vindt echter op een breder terrein plaats, veel wordt door studenten ook gekopieerd van het internet. Voor het vergelijken van scripties met bronnen op het internet zijn diverse producten en diensten beschikbaar. Een aantal organisaties verkoopt software waarmee instellingen zelf scripties aan een controle kunnen onderwerpen, andere organisaties bieden geen software aan doch een dienst om ingezonden scripties te vergelijken met o.a. bronnen op het internet. De rapportage die uit de controle voortvloeit geeft aan met welke bronnen overeenstemmingen zijn gevonden, veelal uitgedrukt in percentages.

 

De systematiek van plagiaat-detectiesoftware staat feitelijk nog in de kinderschoenen en dient nog verder te worden geperfectioneerd en uitgebouwd. Een onmiskenbaar voordeel dat echter reeds met de huidige software is geboekt, is dat er een afschrikkende, preventieve werking van uitgaat. De wetenschap dat een scriptie wordt vergeleken met scripties van anderen, met teksten op het internet en met auteursrechtelijk beschermde publicaties, weerhoudt de meeste studenten wel van knip- en plakwerk.

 

Plagiaat kan op diverse manieren bestreden worden, zeer effectief met behulp van de besproken plagiaat-detectiesoftware, maar ik heb niet de ijdele hoop dat plagiaat ooit volledig voorkomen danwel uitgebannen zal kunnen worden.

 

Plagiaat-detectiesoftware is een hulpmiddel dat universiteiten kunnen inzetten in hun strijd tegen plagiaat, het is echter geen wondermiddel. Ook de onderwijsmethodiek, met name in de laatste fase van een studie, kan plagiaat voorkomen en kan tevens bijdragen aan kwalitatief betere prestaties van studenten. Meer bewustwording creëren bij studenten en meer begeleiding tijdens het schrijfproces zijn daarbij van onmiskenbare betekenis. Als extra stok achter de deur is er altijd nog de mogelijkheid strengere maatregelen te treffen indien er daadwerkelijk plagiaat wordt gepleegd.

 

Zoals in de inleiding al gesteld, en zoals ook uit het onderzoek volgt, het mes van de ongekende mogelijkheden van het internet snijdt inderdaad van twee kanten. Door technologische ontwikkelingen is het plegen van plagiaat toegenomen. Dezelfde ontwikkelingen hebben er echter tevens voor gezorgd dat plagiaat eenvoudig is te traceren. De wetenschap daarvan bij studenten heeft inmiddels al geleid tot verbluffende resultaten.

 

De nieuwe copy-paste mogelijkheden van het internet noodzaken dan ook zeker niet tot het toevoegen van een internetplagiaat-bepaling aan de Auteurswet; van plagiaat-detectiemogelijkheden gaat voldoende preventieve werking uit!

 

 

 

8.         Literatuur

 

Alberdingk Thijm 1998

Chr.A. Alberdingk Thijm, 'Fair use: het auteursrechtelijk evenwicht hersteld', Informatierecht/AMI 1998, nr. 9, p. 145-154.

 

Alberdingk Thijm 2001

Chr.A. Alberdingk Thijm, Privacy vs. auteursrecht in een digitale omgeving, ITeR-reeks nr. 49, Den Haag: Sdu Uitgevers 2001.

 

Algra & Gokkel 2001

N.E. Algra & H.R.W. Gokkel, Verwijzend en verklarend juridisch woordenboek, Groningen: Martinus Nijhoff 2001.

 

Van Bruggen, Van Dun & De Lange 1998

R.D. van Bruggen, H.A.A.. van Dun & E. de Lange, Juridische aspecten van de informatievoorziening, Schoonhoven: Academic Service 1998.

 

Brunt e.a. 1996

G. Brunt e.a., Intellectueel eigendom in digitaal perspectief: vormt intellectueel eigendomsrecht een voorwaarde of belemmering voor de digitale maatschappij?, Alphen aan den Rijn: Samsom Bedrijfsinformatie 1996.

 

Carter 1996

M.E. Carter, Electronic Highway Robbery. An artist's guide to copyrights in the digital era, Berkeley (VS): Peachpit Press 1996.

 

Clark 1996

Charles Clark, ‘The answer to the Machine is in the Machine’, in: P.B. Hugenholtz, The Future of Copyright in a Digital Environment, The Hague/London/Boston: Kluwer Law International 1996, p. 139-145.

 

Combrink-Kuiters e.a. 2000

C.J.M. Combrink-Kuiters e.a., Computer-ondersteund nakijken van open vragen. Een onderzoek naar de betrouwbaarheid en gebruiksvriendelijkheid van de CODAS software., Meppel: Edu'Actief 2000.

 

Dijkhuis e.a. 1997

J.J. Dijkhuis e.a., Leiden in last, De zaak-Diekstra nader bekeken, Rijswijk: Elmar 1997.

 

Dommering 1994

E.J. Dommering, 'Het auteursrecht spoelt weg door het elektronisch vergiet', Computerrecht 1994, nr. 3, p. 109-113.

 

Van Empel & Geerts 2002

G. van Empel & P.G.F.A. Geerts, Bescherming van de intellectuele eigendom, Deventer: Kluwer 2002.

 

Geerts & Heestermans 1984

G. Geerts & H. Heestermans (red.), Van Dale Groot woordenboek der Nederlandse taal, Utrecht: Van Dale Lexicografie 1984.

 

Gerbrandy 1992

S. Gerbrandy, Auteursrecht in de steigers, Arnhem: Gouda Quint 1992.

 

Gielen & Verkade 1998

Ch. Gielen & D.W.F. Verkade (red.), Intellectuele eigendom, Tekst en commentaar, Deventer: Kluwer 1998.

 

Gotzen 1996

F. Gotzen, Belgisch auteursrecht van oud naar nieuw, Brussel: Bruylant 1996.

 

Hugenholtz 2000

P.B. Hugenholtz, 'Internet is geen vrijplaats voor piraten', De Journalist, nr. 17, 22 september 2000, p. 39-41.

 

Joosen 1985

A. Joosen, Het plagiaat, Eindexamenscriptie Universiteit van Tilburg (CBM B 34574).

 

Klaver 2003

M. Klaver, 'Hooggeleerd plagiaat', NRC Handelsblad 23 juni 2003, p. 10.

 

Koelman 1998

K.J. Koelman, 'Wat niet weet, wat niet deert: civielrechtelijke aansprakelijkheid van de provider', Mediaforum 1998/4, p. 204-213.

 

Van Kolfschooten 1993

F. van Kolfschooten, Valse vooruitgang. Bedrog in de Nederlandse wetenschap, Amsterdam: Uitgeverij L.J. Veen 1993.

 

Van Lingen 2002

N. van Lingen, Auteursrecht in hoofdlijnen, Groningen: Martinus Nijhoff 2002.

 

De Roos, Schuijt & Wissink 1996

T. de Roos, G. Schuijt & L. Wissink 1996, Smaad, laster, discriminatie en porno op het internet, ITeR-reeks nr. 2, Alphen aan den Rijn: Samsom Bedrijfsinformatie 1996.

 

Schellekens 1999

M. Schellekens, Strafbare feiten op de elektronische snelweg, ITeR-reeks nr. 13, Deventer: Kluwer 1999.

 

Senftleben 2003

M. Senftleben, 'Beperking à la carte: Waarom de Auteursrechtrichtlijn ruimte laat voor fair use', Informatierecht/AMI 2003, nr.1, p. 10-14.

 

Spoor & Verkade 1993

J.H. Spoor & D.W.F. Verkade, Auteursrecht. Auteursrecht en naburige rechten, Deventer: Kluwer 1993.

 

Van der Steur 2003

J.C. van der Steur, Grenzen van rechtsobjecten. Een onderzoek naar de grenzen van objecten van eigendomsrechten en intellectuele eigendomsrechten, Deventer: Kluwer 2003.

 

Talsma 2003

H.J.J. Talsma, 'Strafbaar plagiaat', Ars Aequi 2003, p. 102-104.

 

Verkade 1990

D.W.F. Verkade, Intellectuele eigendom, mededinging en informatievrijheid, Deventer: Kluwer 1990.

 

Verkoren 2000

L. Verkoren, Juridische aspecten in de communicatie, Alphen aan den Rijn: Samsom 2000.

 

Visser 1996

D.J.G. Visser, 'Op de provider rust geen vergewissingsplicht', Mediaforum 1996/4, p. 61-62.

 

Vriesendorp 2003

R.D. Vriesendorp, 'Strafbaar plagiaat; een reactie', Ars Aequi 2003, p. 288-290.

 

Wichers Hoeth 2000

L. Wichers Hoeth, Kort begrip van het intellectuele eigendomsrecht, Amsterdam: NautaDutilh 2000.

 

 

 

9.         On-line bronnen

 

M. Arts & B. Geus, 'Plagiarism Software Evaluation for ELEUM'.

On-line: <http://www.fdewb.unimaas.nl/eleum/plagiarism/plagiarism.htm> (geraadpleegd 2 september 2003).

 

N. Bakker, 'Nooit meer een tentamen leren: antwoorden per sms, 13 mei 2001.

On-line: <http://www.edusite.nl/edusite/nieuws/1485> (geraadpleegd 6 augustus 2003).

 

E. Bertens, 'Harry, Tanja, Porri en Horry', 8 Weekly Webmagazine, 11 april 2003.

On-line: <http://www.8weekly.nl/features/tanjagrotter.php> (geraadpleegd 2 september 2003).

 

TU Delft, ' Kopiëren kan je de kop kosten'.

On-line: <http://www.library.tudelft.nl/delftspecial/kopieren_tbm.pdf> (geraadpleegd 22 augustus 2003).

 

S. Eijffinger, 'Elite universiteit zorgt voor gemotiveerde studenten', 13 maart 2003.

On-line: <http://www.kub.nl/univers/nieuws/0203/23/eijffinger.html> (geraadpleegd 3 september 2003).

 

J. van Engen, 'Trend: online portfolio's voor studenten', 22 februari 2002.

On-line: <http://www.edusite.nl/edusite/nieuws/10118?batchnr=299&batchsize=12> (geraadpleegd 3 september 2003).

 

Examenreglement Bacheloropleiding Fiscaal Recht Universiteit Leiden.

On-line: <http://www.law.leidenuniv.nl/index.php3?c=141> (geraadpleegd 2 september 2003).

 

Examenreglement Masteropleiding Rechtsgeleerdheid Erasmus Universiteit Rotterdam.

On-line: <http://www.frg.eur.nl/onderwijs/pdf/OERmasteropleidingRechtsgeleerdheid2003.pdf> (geraadpleegd 2 september 2003).

 

Examenreglement 2003-2004 Faculteit Rechtsgeleerdheid Universiteit van Tilburg.

On-line: <http://www.uvt.nl/faculteiten/frw/onderwijs/meerinfo/reglement0304.pdf> (geraadpleegd 26 augustus 2003).

 

J. Folkert, 'Plagiaat kan beperkt worden door betere begeleiding', 1 oktober 2002.

On-line: <http://www.edusite.nl/edutrip2002/verslagen_strategie/11051> (geraadpleegd 2 september 2003).

 

Groenboek 'Copyright and Related Rights in the Information Society', COM(95) 382 final, 19 juli 1995.

On-line: <http://www.ivir.nl/dossier/auteursrechtrichtlijn/COM(95)382final.doc> (geraadpleegd 8 september 2003).

 

M. de Haas, 'Gratis scripties downloaden van internet', 25 april 2002.

On-line: <http://www.uvt.nl/univers/nieuws/0102/29/scriptie.html> (geraadpleegd 6 augustus 2003).

 

Harmonisatierichtlijn, PbEG 22-6-2001, L 167/10.

On-line: <http://www.ivir.nl/wetten/eu/auteursrecht-richtlijn.html> (geraadpleegd 27 augustus 2003).

 

P.B. Hugenholtz, 'Instituut voor Informatierecht (IVIR) Auteursrecht 2002-2003, Hoorcollege 1'.

On-line: <http://www.ivir.nl/onderwijs/auteursrecht/slides/ANR2002-hoorcollege1.ppt> (geraadpleegd 30 augustus 2003).

 

P.B. Hugenholtz, 'Instituut voor Informatierecht (IVIR) Auteursrecht 2002-2003, Hoorcollege 2'.

On-line: <http://www.ivir.nl/onderwijs/auteursrecht/slides/ANR2002-hoorcollege2.ppt> (geraadpleegd 30 augustus 2003).

 

P.B. Hugenholtz, 'Het internet: het auteursrecht voorbij?', Preadvies Nederlandse Juristen-Vereniging 1998.

On-line: <http://www.ivir.publicaties/hugenholtz/preadvies.doc> (geraadpleegd 23 augustus 2003).

 

J. Jansen, 'Plagiaat in de periode 1500-1700'.

On-line: <http://cf.hum.uva.nl/nhl/Pagina20%Jansen.html> (geraadpleegd 4 augustus 2003).

 

Kamerstukken Tweede Kamer 1998-99, 26 538, nr. 1, (Brief Minister van Justitie en de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal dd. 10 mei 1999).

On-line: <http://www.ivir.nl/dossier/auteursrechtrichtlijn/MvJ-brief_AR-richtlijn.pdf> (geraadpleegd 28 augustus 2003).

 

Kamerstukken Tweede Kamer 2001-2002, 28 482, nr. 1 (Wetsvoorstel 28 482).

On-line: <http://www.justitie.nl/Images/11_14498.pdf> (geraadpleegd 27 augustus 2003).

 

Landelijke Vereniging van Studieadviseurs, 'RUG neemt plagiaatscanner op in examenreglement', 18 juni 2003.

On-line: <http://www.lvsa.nl/aktueel.html> (geraadpleegd 2 september 2003).

 

L. Meertens, 'Frauderende student verwijderen van universiteit', 31 oktober 2002.

On-line: <http://www.uvt.nl/univers/nieuws/0203/09/fraude.html> (geraadpleegd 2 september 2003).

 

R.V. de Mulder & C. van Noortwijk, 'Computer ondersteunend nakijken van open vragen'.

On-line: <http://www.surf.nl/download/toetsbundel.pdf> (geraadpleegd 25 augustus 2003).

 

Nederlandse Vereniging van Journalisten, 'Soorten auteursrecht en gerelateerde begrippen'.

On-line: <http://www.villamedia.nl/auteursrecht/home.htm> (geraadpleegd 2 september 2003).

 

Reactie NLIP op vragen van Ministerie van Justitie inzake de implementatie van de richtlijn auteursrecht in de informatiemaatschappij.

On-line: <http://www.justitie.nl/themas/wetgeving/dossiers/auteursrecht/integrale_reacties/

NLIP_Branchevereniging_van_Nederlandse_Internetproviders.asp?ComponentID=7308&SourcePageID=7396> (geraadpleegd 5 september 2003).

 

NRC Handelsblad, 'Boek over journalistiek uit de handel wegens plagiaat, 5 augustus 1997.

On-line: <http://www.nrc.nl/W2/Nieuws/1997/08/05/Med.03.html> (geraadpleegd 8 augustus 2003).

 

T. Oudejans & C. van Noortwijk, 'Portfolio's voor scripties en andere zelfwerkzaamheidsprojecten in het Juridisch Onderwijs'.

On-line: <http://www.frg.eur.nl/lia/icto/projecten/rechtenonline/portfolios.pdf> (geraadpleegd 2 september 2003).

 

E. van Outeren, 'Studenten spieken met mobieltjes', 10 februari 2003.

On-line: <http://www.edusite.nl/edusite/nieuws/11655> (geraadpleegd 6 augustus 2003).

 

Plagiaat, Faculteit der Letteren Rijksuniversiteit Groningen.

On-line: <http://odur.let.rug.nl/projects/asv/docenten/studentschrijvers_begeleiden/

plagiaatdoc.htm> (geraadpleegd 3 september 2003).

 

Plagiaat, Fakulteit Lettere en Wysbegeerte Universiteit Stellenbosch.

On-line: <http://www.sun.ac.za/journalism/plagiaat.html> (geraadpleegd 3 september 2003).

 

R. Rot, 'Electronic Plagiarism: Prevention, Deterrence, and Detection', 17 oktober 2002.

On-line:<http://www.edusite.nl/edutrip2002/verslagen_innovatie/11227> (geraadpleegd 31 augustus 2003).

 

P. Ruis, 'De geheimen van dr. X', 4 juli 2002.

On-line: <http://www.e-learning.surf.nl/e-learning/artikelen/774> (geraadpleegd 6 augustus 2003).

 

J. Schaap, 'Australisch onderzoek brengt grootschalig internetplagiaat aan het licht', 22 november 2002.

On-line: <http://www.edusite.nl/edusite/nieuws/11405> (geraadpleegd 3 september 2003).

 

J. Schaap, 'Fraude met studiepunten via e-learning', 19 oktober 2002.

On-line: <http://www.edusite.nl/edusite/nieuws/11242> (geraadpleegd 6 augustus 2003).

 

J. Schaap, 'Leidse rechtenfaculteit schakelt computer in bij nakijken tentamens', 14 april 2003.

On-line: <http://www.edusite.nl/edusite/nieuws/11906> (geraadpleegd 2 september 2003).

 

G.A.I. Schuijt, 'Journalistieke ethiek en recht'.

On-line: <http://www.ivir.nl/publicaties/schuijt/ethiek.doc> (geraadpleegd 2 september 2003).

 

Scriptiebrochure Faculteit Rechtsgeleerdheid Vrije Universiteit Brussel.

On-line: <http://www.vub.ac.be/RG/REGLEMENTEN/SCRIPTIEBROCHURE%2002-03%20times.pdf> (geraadpleegd 3 september 2003).

 

Scripties Online, Universiteit van Twente, Erasmus Universiteit Rotterdam, Rijksuniversiteit Groningen.

On-line: <http://www.surf.nl/projecten/index2.php?oid=124> (geraadpleegd 31 augustus 2003).

 

A. Sommer, 'Toename fraude beperkt zich tot economie, 7 september 2000.

On-line: <http://www.observant.unimaas.nl/jrg19/obs22/art14.htm> (geraadpleegd 2 september 2003).

 

V. Strookman, 'Amerikaans hoger onderwijs strijdt tegen plagiaat met speciale software', 7 september 2001.

On-line: <http://www.edusite.nl/edusite/nieuws/9279> (geraadpleegd 3 september 2003).

 

V. Strookman, 'Groninger universiteit wil plagiaat strenger aanpakken', 19 juli 2002.

On-line: <http://www.edusite.nl/edusite/nieuws/10756> (geraadpleegd 2 september 2003).

 

V. Strookman, 'Plagiaat via internet', 12 augustus 2002.

On-line: <http://www.edusite.nl/specials/10759> (geraadpleegd 3 september 2003).

 

V. Strookman, 'Stichting Brein wil speuren naar softwarepiraterij op alle universitaire netwerken', 26 februari 2002.

On-line: <http://www.edusite.nl/edusite/nieuws/10126> (geraadpleegd 6 augustus 2003).

 

V. Strookman, 'Twentse softwareboefjes krijgen waarschuwing, 15 februari 2002.

On-line: <http://www.edusite.nl/edusite/nieuws/10075> (geraadpleegd 6 augustus 2003).

 

U-blad, Weekblad van de Universiteit Utrecht, 'Plagiaat'.

On-line: <http://ublad.warande.uu.nl/ubladen/33/09/08Varia.html> (geraadpleegd 2 september 2003).

 

Univers, Weekblad van de Universiteit van Tilburg, 'Internetfraude op KUB onderzocht', 11 april 2002.

On-line: <http://www.uvt.nl/univers/nieuws/0102/27/fraude.html> (geraadpleegd 3 september 2003).

 

Univers, Weekblad van de Universiteit van Tilburg, 'Plagiaat en spieken strafrechtelijk vervolgen', 17 oktober 2002.

On-line: <http://www.uvt.nl/univers/nieuws/0203/08/fraude.html> (geraadpleegd 3 september 2003).

 

WIPO Copyright Treaty, 23 december 1996, CRNR/DC/94.

On-line: <http://www.wipo.org/eng/diplconf/distrib/94dc.htm> (geraadpleegd 2 september 2003).

 

M. de Wit, 'Knip- en plakwerk op het spoor'.

On-line: <http://www.observant.unimaas.nl/default.asp?page=/jrg23/obs3/art23.htm> (geraadpleegd 31 augustus 2003).

 

 

 

10.            Jurisprudentie

 

HR 25 januari 1952, NJ 1952, 95 (Leesportefeuille)

 

HR 23 mei 1952, NJ 1952, 438 (Stemra/NRU)

 

HR 5 januari 1979, NJ 1979, 339 (Heertje/Hollebrand)

 

HR 9 maart 1979, NJ 1979, 341 (Willem Dreeshuis)

 

HR 11 december 1981, NJ 1982, 286 (Spaanse tegels)

 

HR 13 april 1984, NJ 1984, 524 (Suske en Wiske)

 

HR 20 november 1987, NJ 1988, 280 (STEMRA/Free Record Shop)

 

HR 24 november 1989, NJ 1992, 404 (Focus Veilig/Lincoln Electric)

 

HR 21 februari 1992, NJ 1993, 164 (Barbie)

 

HR 20 oktober 1995, NJ 1996, 682 (Dior/Evora)

 

Hof Amsterdam 6 augustus 1998, rolnummer 474/98, IER 1998/47 (Who's afraid of God)

 

Rechtbank 's-Gravenhage 9 juni 1999, rolnummer 96/1048 (Scientology Church/XS4all)

 

 

 

Bijlage I Toelichting Intellectueel eigendomsrecht en Auteursrecht

 

1.   Intellectueel eigendomsrecht

 

De term 'intellectuele eigendomsrechten' wordt sedert de oprichting van de World Intellectual Property Organisation, een internationale organisatie waarbij ruim 175 landen zijn aangesloten, in 1976 gebruikt als overkoepelende term voor de verzameling van diverse rechten;[190] te weten het octrooirecht, merkenrecht, handelsnaamrecht, tekeningen- en modellenrecht, kwekersrecht, chipsrecht, databankenrecht, auteursrecht en de naburige rechten. Verwant is de term 'industriële eigendom', die alle voorgaande rechten omvat, uitgezonderd het auteursrecht.[191]

 

Met intellectuele eigendomsrechten worden bedoeld de uitsluitende rechten van de mens op zijn geestelijke prestaties en creativiteit.[192] De diverse rechtsgebieden beschermen ieder een ander 'object'; het octrooirecht beschermt een uitvinding, het merkenrecht beschermt een merk(teken), het handelsnaamrecht beschermt een handelsnaam, het tekeningen- en modellenrecht beschermt het gebruik van een tekening (tweedimensionaal) of model (driedimensionaal), etc., etc..[193] Deze 'objecten' hebben met elkaar gemeen dat zij onstoffelijk zijn; het betreffende recht beschermt derhalve niet de materiële drager (bijvoorbeeld de schaar) maar de achterliggende gedachte cq. de 'ontdekking' daarachter (dat twee scherpe (metalen) voorwerpen, die strak over elkaar heen schuiven, resulteren in het doorknippen van voorwerpen).

 

De intellectuele eigendomsrechten hebben verder met elkaar gemeen dat het absolute rechten zijn die door derden dienen te worden gerespecteerd. Vanuit die optiek zijn de intellectuele eigendomsrechten goed te vergelijken met het materiële begrip eigendom; ook het materiële eigendom van iemand (bv. het eigendom van een huis) dient door derden gerespecteerd te worden.[194] Zo bezien zou je kunnen stellen dat het intellectuele eigendomsrecht het eigendom betreft over je 'intellect'; zeggenschap over je verstandelijke vermogen, dat dan uiteraard wel op enigerlei wijze geuit dient te zijn in de vorm van een tekening, vinding, geschrift, of iets dergelijks. Slechts een idee of gedachte is namelijk niet auteursrechtelijk beschermd.[195]

 

De intellectuele eigendomsrechten hebben als dieperliggende betekenis dat geoorloofde concurrentie moet worden gescheiden van ongeoorloofde concurrentie. De hoofdbeginselen van de intellectuele eigendomsrechten zijn dan ook gelegen in regels van betamelijkheid: het octrooirecht verbiedt het namaken van een uitvinding van een derde, het merkenrecht verbiedt het nabootsen van het merk van een derde, het handelsnaamrecht verbiedt het gebruik van de handelsnaam van een derde, etc., etc..[196]

 

Concurrentie is weliswaar een 'noodzakelijk kwaad' dat niet meer kan worden weggedacht uit onze markteconomie, en de met veel moeite opgebouwde concurrentiepositie wordt niet zonder meer beschermd, doch het recht trekt een grens daar waar de concurrentie ongeoorloofd wordt. Het intellectuele eigendomsrecht kan niet los worden gezien van deze begrenzing van geoorloofde cq. ongeoorloofde mededinging. De diverse wetten (Octrooiwet, Merkenwet, Tekeningen- en Modellenwet, etc.) geven namelijk precies aan wie rechthebbende is, wat het object is van bescherming, wat de voorwaarden voor en omvang van de bescherming zijn en hoe deze bescherming te handhaven is. Meer specifiek geven deze wetten aan welke handelingen door derden wel en niet geoorloofd zijn. Van belang daarbij is immer een belangenafweging; het exclusieve recht van de betreffende rechthebbende kan vrijwel nooit zover reiken dat een derde in zijn normale handelen wordt beperkt. De diverse wetten omvatten dan ook meerdere beperkingen, zijnde handelingen door derden die geen inbreuk maken op het exclusieve recht van de rechthebbende en waartegen deze dan ook niets kan ondernemen.

 

De wijze waarop de diverse rechten worden verkregen is zeer uiteenlopend.[197] Sommige rechten ontstaan automatisch (bijvoorbeeld het databankenrecht), sommige rechten worden verleend na een onderzoek (bijvoorbeeld het octrooirecht) en andere rechten worden verkregen door een depot (bijvoorbeeld het merkenrecht). Zoals uit het voorgaande al is gebleken, hebben de diverse regelingen gemeen dat aan de rechthebbende een monopolie toekomt op het verrichten van bepaalde handelingen, waarbij de rechthebbende overigens immer vrij is deze handelingen zelf uit te oefenen, de rechten daartoe over te dragen of derden daarvoor toestemming te verlenen, gegoten in de vorm van licenties.

 

Kortom: de intellectuele eigendomsrechten omvatten een omvangrijk stelsel van regels die de uitsluitende rechten van rechthebbende definiëren alsmede de voorwaarden waaronder door derden handelingen kunnen worden verricht die normaliter zijn voorbehouden aan de rechthebbende.

 

Het intellectueel eigendomsrecht is complex, niet alleen omdat het een zeer uitgebreid rechtsgebied betreft, maar daarnaast in verregaande mate internationaal wordt bepaald. Er zijn diverse Europese en mondiale verdragen, richtlijnen en verordeningen die naast de nationale wetten hun gelding hebben. Zo geeft het Unieverdrag van Parijs, waarbij zo'n 150 landen zijn aangesloten, regels op het terrein van de industriële eigendom, waar het auteursrecht dus buiten valt, terwijl de Berner Conventie, met ruim 120 deelnemende landen, uitsluitend regels geeft met betrekking tot het auteursrecht. Het TRIPs-Verdrag (een in 1994 in het kader van de Wereldhandelsorganisatie gesloten verdrag) heeft ten doel de belemmering van de internationale handel te verminderen en daarnaast een effectieve internationale bescherming van de intellectuele eigendom te bevorderen.

 

2.   Auteursrecht

 

Het Nederlandse Auteursrecht vindt zijn verankering in de Auteurswet 1912 en behelst het aan een maker toegekende monopolie op de exploitatie van zijn werken. Rechtsgronden voor het auteursrecht zijn de billijkheid dat de maker zeggenschap heeft én houdt over de door hem voortgebrachte werken, en dat hij in de gelegenheid wordt gesteld er (financieel) voordeel uit te trekken.[198]

 

De Auteurswet 1912 is gebaseerd op de Berner Conventie van 1886. De Berner Conventie zorgt ervoor, via het zogeheten assimilatiebeginsel, dat onderdanen uit de aangesloten landen ook beschermd worden in andere aangesloten landen: gelijke behandeling als eigen onderdanen.[199]

 

Een andere mondiale regeling op auteursrechtelijk gebied is de Universele Auteursrecht Conventie (verder: "UAC"), opgericht in 1952. In tegenstelling tot de BC biedt de UAC haar onderdanen nauwelijks minimumrechten. Om deze reden en vanwege de inwerkingtreding van het TRIPs-Verdrag neemt de betekenis van de UAC in sterke mate af.

 

Kenmerkend voor het auteursrecht is dat het ontstaat louter door het scheppen van een werk van letterkunde, wetenschap op kunst. Er zijn geen formaliteiten vereist. Deze wezenlijke bepaling is weliswaar niet expliciet terug te vinden in de Auteurswet, doch is als zodanig afgeleid van artikel 5 lid 2 BC. Impliciet vinden we deze bepaling terug in artikel 1 Aw, die het auteursrecht als volgt verwoordt:

"Het auteursrecht is het uitsluitend recht van den maker van een werk van letterkunde, wetenschap of kunst, of van diens rechtverkrijgenden, om dit openbaar te maken en te verveelvoudigen, behoudens de beperkingen, bij de wet gesteld."

 

Uit deze definitie zullen een aantal onderdelen in het hierna volgende nader worden toegelicht, te weten het uitsluitend recht (2.1.), de maker (2.2.), een werk (2.3.), het openbaar maken (2.4.) en verveelvoudigen (2.5.) en de beperkingen (2.6).

 

2.1. Uitsluitend recht

 

Het auteursrecht is een uitsluitend recht, een absoluut verbodsrecht; wie een werk wil openbaar maken of verveelvoudigen, moet op zoek naar de rechthebbende, die voor de openbaarmaking zijn toestemming kan geven (en dan vaak een vergoeding zal vragen) of die zijn toestemming kan weigeren.[200] In sommige situaties kan het lastig zijn de maker(s) op te sporen danwel van allen toestemming te verkrijgen, bijvoorbeeld indien een werk door meerdere auteurs is vervaardigd en niet iedereen traceerbaar is danwel niet iedereen zijn toestemming wenst te verlenen.

 

De Auteurswet kent de maker van een werk twee uitsluitende exploitatierechten toe (art. 1 Aw): openbaar maken en verveelvoudigen. Deze zullen in respectievelijk 2.4. en 2.5. nader worden besproken.

 

Daarnaast kent het auteursrecht de maker een persoonlijkheidsrecht toe. Het persoonlijkheidsrecht van de maker ziet op de persoonlijke relatie die bestaat tussen de maker en zijn werken. Het is de maker van een werk die bepaalt of hij een werk openbaar maakt en zo ja, in welke vorm.[201] Het persoonlijkheidsrecht biedt de maker van een werk onder andere bescherming tegen het misvormen of aantasten van zijn werken, het weglaten van zijn naam en het aanbrengen van wijzigingen in het werk.[202] Het persoonlijkheidsrecht is onlosmakelijk verbonden met de maker en kan derhalve nimmer worden overgedragen.

 

2.2. Maker

 

De maker cq. rechthebbende van een werk is veelal degene die het werk daadwerkelijk heeft geschapen, doch niet altijd. Zo kan het auteursrecht zijn overdragen aan een derde (uiteraard vrijwel altijd middels verkoop van de rechten), of bij het overlijden van de maker zijn nagelaten aan een derde en zelfs wordt soms, onder voorwaarden, de opdrachtgever of werkgever van de maker als rechthebbende aangemerkt. Echter indien van geen andere mogelijkheid blijkt, kan worden aangenomen dat de schepper van het werk ook de maker cq. rechthebbende is. Degene die echter stelt rechthebbende te zijn, dient zulks zo nodig wel te kunnen bewijzen, hetgeen mogelijk is door een werk van een naam te voorzien of het makerschap te laten registreren.[203]

 

2.3. Werk

 

In de Auteurswet is in artikel 10 een niet-limitatieve opsomming opgenomen van 'werken' van letterkunde, wetenschap of kunst die auteursrechtelijke bescherming genieten. Zo worden bijvoorbeeld beschermd: boeken, toneelwerken, muziekwerken, beeldhouwwerken, aardrijkskundige kaarten, fotografische werken, computerprogramma's, etc., etc.. Evenzo worden beschermd verveelvoudigingen in gewijzigde vorm van voornoemde werken, zoals bijvoorbeeld vertalingen, verfilmingen, verzamelingen van andere werken.

 

Vereisten die aan een werk worden gesteld alvorens er van auteursrechtelijke bescherming sprake is zijn dat het werk: [204],

·       oorspronkelijk moet zijn, en

·       direct of indirect waarneembaar.

 

Het oorspronkelijkheidsvereiste impliceert dat het 'werk' het persoonlijk stempel van de maker moet dragen; het moet een eigen of persoonlijk karakter bezitten. Het moet -kort gezegd- origineel zijn. In Nederland is een lage originaliteitsgraad al voldoende voor het verkrijgen van auteursrechtelijke bescherming.[205]

 

Het 'werk' moet daarnaast waarneembaar zijn. Zoals onder 1. al werd opgemerkt, komt slechts een gedachte of idee niet voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking.[206] Er zal derhalve altijd een schets, ontwerp, model, tekeningen, of iets dergelijks aanwezig moeten zijn alvorens het 'werk' voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking komt.

 

Het voordeel van het ontbreken van een gesloten definitie van 'werken' is dat het auteursrecht daardoor makkelijker kan inspringen op nieuwe ontwikkelingen.[207] Een groot nadeel is echter dat er geen duidelijke grenzen zijn, waardoor interpretatieverschillen kunnen leiden tot discussies of een bepaald werk al dan niet auteursrechtelijke bescherming toekomt.

 

2.4. Openbaar maken

 

Onder openbaar maken (art. 12 Aw) wordt verstaan alle handelingen die het werk op de één of andere manier ter beschikking van een publiek stellen.[208] Het begrip openbaar maken is een zeer ruim en flexibel begrip. Zo zijn het opvoeren van een toneelstuk, vertonen van een film, exposeren van een schilderij, uitzenden van muziek via de radio, drukken van tijdschriften, te koop aanbieden van boeken en voorlezen uit een boek in de bibliotheek, allemaal vormen van openbaarmaking.

 

Bij de exploitatie van werken door middel van dragers (=het stoffelijke exemplaar van een werk; bijvoorbeeld een boek of cd) geldt een uitputtingsregel. Indien exemplaren van een werk door of met toestemming van de maker in het verkeer zijn gebracht, kan hij zich tegen de verdere verhandeling van die exemplaren niet meer verzetten.[209] De verdere beschikbaarstelling van die exemplaren aan derden kan niet als een openbaarmakingshandeling worden aangemerkt. Wat wel als een aparte openbaarmakingshandeling wordt aangemerkt, is bijvoorbeeld het in het openbaar voorlezen van een boek. Daartegen kan de rechthebbende zich weer wel verzetten, evenals tegen het in een café laten spelen van een radio.

 

Voornoemde 'uitputtingsleer' heeft de Hoge Raad in het leesportefeuille-arrest[210] en in het STEMRA/Free Record Shop-arrest[211] aanvaard. De uitputtingsleer houdt in dat boeken, tijdschriften, cd’s, dvd's, kortom alle auteursrechtelijk beschermde werken die men bezit, onbeperkt aan derden mogen worden uitgeleend. Evenzo mag men deze werken aan derden weggeven of doorverkopen. De uitputtingsleer behelst overigens slechts het verder verspreiden cq. verhandelen en niet het verveelvoudigen van werken. Het verveelvoudigingsrecht is nooit uitgeput.

 

2.5. Verveelvoudigen

 

Bij verveelvoudigen (artt. 13 en 14 Aw) kan worden gedacht aan handelingen die beogen het origineel in (vrijwel) identieke vorm te reproduceren (bv. kopiëren, overschrijven of vastleggen in een computer-geheugen), danwel handelingen die een bewerking of nabootsing van het origineel beogen (bijvoorbeeld een vertaling of verfilming).[212] Beide soorten handelingen zijn voorbehouden aan de rechthebbende en zonder toestemming van deze is het verveelvoudigen van werken niet toegestaan.

 

Bij een bewerking of nabootsing dient immer beoordeeld te worden of deze op zichzelf een nieuw, oorspronkelijk werk oplevert. Indien van een dergelijke bewerking sprake is, rust op de bewerking een dubbel auteursrecht; niet alleen de bewerker is auteursrechthebbende doch ook de maker van het originele werk.[213] Zijn bij een bewerking of nabootsing geen auteursrechtelijk beschermde elementen van het oorspronkelijke werk overgenomen, dan is er overigens geen sprake van een verveelvoudiging.[214] De precieze beschermingsomvang hangt dan ook samen met de oorspronkelijkheid van het werk waarvan wordt overgenomen.[215]

 

Zoals in 2.4. al opgemerkt, is het verveelvoudigingsrecht nooit uitgeput. De rechthebbende kan zich er in principe altijd tegen verzetten dat er van zijn werken een verveelvoudiging -in welke vorm dan ook- wordt gemaakt.

 

2.6. Beperkingen van het auteursrecht

 

Zoals in het voorgaande al meermalen aan de orde is gekomen, behelst het auteursrecht het monopolie van de maker van een werk om zijn werken openbaar te maken en te verveelvoudigen. Artikel 1 van de Auteurswet eindigt echter met de woorden "behoudens de beperkingen, bij de wet gesteld".

 

Het auteursrecht kan onder omstandigheden beperkt worden. Een aantal van de beperkingen is expliciet in de Auteurswet opgenomen, in de artikelen 15 tot en met 25a, een aantal andere beperkingen van het auteursrecht ligt echter besloten in de aard van het auteursrecht zelf.[216] In 1995 heeft de Hoge Raad zelfs overwogen dat het wettelijk stelsel van de Auteurswet niet uitsluit dat de grenzen van het auteursrecht nader kunnen worden bepaald.[217] Dat bekent dat ook andere dan in de wet genoemde beperkingen kunnen gelden.

 

De beperkingen die wel wettelijk zijn vastgelegd betreffen onder andere:

·       de duur van het auteursrecht (art. 37-42 Aw). Het auteursrecht vervalt 70 jaar na de dood van de maker, 70 jaar na de dood van de laatst overleden maker indien er meerdere makers zijn of 70 jaar na de eerste openbaarmaking van een werk indien de maker onbekend is of een rechtspersoon als maker heeft te gelden;

·       het overnemen door de pers uit de pers (art. 15 Aw);

·       het citeren uit werken (art. 15a Aw);

·       het verveelvoudigen ten behoeve van eigen oefening, studie of gebruik (art. 16b Aw)

·       werken die door of vanwege de openbare macht zijn gemaakt (art. 11, 15b).

 

Ter beoordeling van de geoorloofdheid van beperkingen, en met voor wat betreft de niet-wettelijke beperkingen, kan gebruik gemaakt worden van de driestapstoets, die erop neerkomt dat een beperking (art. 9 lid 2 BC en 13 TRIPs-Verdrag):[218]

1.     in bijzondere gevallen is toegestaan, mits

2.     die beperking geen afbreuk doet aan de normale exploitatie van het voorwerp van het auteursrecht, en

3.     de wettige belangen van de rechthebbende niet op ongerechtvaardigde wijze worden geschaad.

 

 

 

Bijlage II Overzicht paper-mills

 

Nederlandstalige sites:

 

http://www.studentsonly.nl/uittreksels/scripties.asp

http://www.scriptie.nl

http://www.werkstukken.nl

http://www.collegenet.nl

http://studenten.samenvattingen.nl

http://www.stjoost.nl/uitgeverij/data/nmalfabt.htm

http://www.jongerenonline.com/index.php?page=scriptie&style=0

http://www.uitreksels.nl

http://www.huiswerk.scholieren.com/uittreksels/

http://www.studieinfo.nl/scripties/

http://www.accountancyinfo.nl/index.php3?page=scripties

http://www.okidoki.com/nl/school/scripties.html

 

Engelstalige sites:

 

http://www.freepapers.com

http://www.cyberessays.com

http://www.ezwrite.com

http://www.a1-termpaper.com

http://www.geniuspapers.com

http://www.cheater.com

http://www.paperstock.com

http://www.sparknotes.com

http://www.paperstore.com

http://www.edlibrary.com

http://www.schoolpaper.com

http://www.mightystudents.com

http://www.cheathouse.com

http://www.essaymill.com

http://www.screw-essays.com

http://www.academicpapers.com

http://www.allpapers.com

http://www.topessays.com

http://www.pinkmonkey.com

http://www.oppapers.com

http://www.essaysonfile.com

http://www.schoolsucks.com

 

 



[1]        Zie voor een toelichting op het begrip 'auteursrechtelijk beschermd werk' Bijlage I, paragraaf 2.3..

[2]        Talsma 2003, p. 102; Spoor & Verkade 1993, p. 151.

[3]        Geerts & Heestermans 1984, p. 2182.

[4]        Algra & Gokkel 2001, p. 369.

[5]        Van Empel & Geerts 2002, p. 65.

[6]        Spoor & Verkade 1993, p. 151.

[7]        Van Lingen 2002, p. 27.

[8]        Van Lingen 2002, p. 193.

[9]        Wichers Hoeth 2000.

[10]       Algra & Gokkel 2001, p. 369.

[11]       Dijkhuis e.a. 1997, p. 112-114.

[12]       Spoor & Verkade 1993, p. 151.

[13]       Zie bijvoorbeeld: Algra & Gokkel 2001, p. 369; Nederlandse Vereniging van Journalisten, 'Soorten auteursrecht en gerelateerde begrippen', <http://www.villamedia.nl/
auteursrecht/home.htm> (geraadpleegd 2 september 2003).

[14]       Verkoren 2000, p. 71.

[15]       Zie voor een toelichting op de duur van het auteursrecht Bijlage I, paragraaf 2.6..

[16]       Van Empel & Geerts 2002, p. 64-65.

[17]       HR 5 januari 1979, NJ 1979, 339 (Heertje/Hollebrand).

[18]       HR 21 februari 1992, NJ 1993, 164 (Barbie).

[19]       Spoor & Verkade 1993, p. 151.

[20]       Hof Amsterdam 6 augustus 1998, rolnummer 474/98, IER 1998/47 (Who's afraid of God).

[21]       HR 13 april 1984, NJ 1984, 524 (Suske en Wiske).

[22]       Van Lingen 2002, p. 67-68.

[23]       A. Joosen 1985, p. 1.

[24]       Schuijt, 'Journalistieke ethiek en recht', <http://www.ivir.nl/publicaties/schuijt/
ethiek.doc> (geraadpleegd 2 september 2003).

[25]       Van Lingen 2002, p. 63-66.

[26]       Van Lingen 2002, p. 65.

[27]       HR 5 januari 1979, NJ 1979, 339 (Heertje/Hollebrand).

[28]       Van Lingen 2002, p. 63.

[29]       Journalist Frank van Kolfschooten heeft historisch onderzoek gedaan naar plagiaat en bedrog in de Nederlandse wetenschap. Zijn onderzoek heeft geresulteerd in een interessant boek met aangrijpende en zorgwekkende verhalen over o.a. plagiaatgevallen: Valse vooruitgang. Bedrog in de Nederlandse wetenschap (1993).

[30]       Alberdingk Thijm 2001, p. 13-15.

[31]       Voor J. Jansen van de Nederlandse organisatie voor Wetenschappelijk Onderwijs is dit aanleiding geweest om in 2001 een onderzoek te starten naar plagiaat in de periode 1500-1700. Zie voor meer informatie over het onderzoek: <http://cf.hum.uva.nl/nhl/
Pagina20%Jansen.html> (geraadpleegd 4 augustus 2003).

[32]       Bertens, 'Harry, Tanja, Porri en Horry', <http://www.8weekly.nl/features/tanjagrotter.php> (geraadpleegd 2 september 2003).

[33]       Van der Steur 2003, p. 23.

[34]       Hugenholtz, 'IVIR Auteursrecht 2002-2003, Hoorcollege 1, <http://www.ivir.nl/
onderwijs/auteursrecht/slides/ANR2002-hoorcollege1.ppt> (geraadpleegd 30 augustus 2003).

[35]       Van der Steur 2003, p. 240.

[36]       Brunt e.a. 1996, p. 18.

[37]       Verkade 1990, p. 11.

[38]       Hugenholtz 1998, 'Het internet: het auteursrecht voorbij?', <http://www.ivir.publicaties/
hugenholtz/preadvies.doc> (geraadpleegd 23 augustus 2003).

[39]       Alberdingk Thijm 2001, p. 10.

[40]       Gielen & Verkade 1998, p. 1.

[41]       Hugenholtz, 'IVIR Auteursrecht 2002-2003, Hoorcollege 1, <http://www.ivir.nl/
onderwijs/auteursrecht/slides/ANR2002-hoorcollege1.ppt> (geraadpleegd 30 augustus 2003). In een peer-to-peer netwerk ontbreekt vaak een server. Alle aangesloten computers kunnen zowel als server alsook als client fungeren, waardoor rechtstreeks contact tussen alle aangesloten computers mogelijk is.

[42]       Brunt e.a. 1996, p. 20-21.

[43]       Van Bruggen, Van Dun & De Lange 1998, p. 102.

[44]       WIPO Copyright Treaty, 23 december 1996, CRNR/DC/94, <http://www.wipo.org/
eng/diplconf/distrib/94dc.htm> (geraadpleegd 2 september 2003).

[45]       Van Bruggen, Van Dun & De Lange 1998, p. 66-67.

[46]       Van Bruggen, Van Dun & De Lange 1998, p. 99-102.

[47]       Hugenholtz 2000, p. 39-41.

[48]       Dommering 1994, p. 109-113.

[49]       Hugenholtz 1998, 'Het internet: het auteursrecht voorbij?', <http://www.ivir.publicaties/
hugenholtz/preadvies.doc> (geraadpleegd 23 augustus 2003).

[50]       Van Lingen 2002, p. 219.

[51]       Harmonisatierichtlijn, PbEG 22-6-2001, L 167/10, <http://www.ivir.nl/wetten/eu/
auteursrecht-richtlijn.html> (geraadpleegd 27 augustus 2003).

[52]       Hugenholtz 2000, p. 39-41.

[53]       HR 23 mei 1952, NJ 1952, 438 (Stemra/NRU).

[54]       HR 9 maart 1979, NJ 1979, 341 (Willem Dreeshuis).

[55]       Schaap, 'Fraude met studiepunten via e-learning', <http://www.edusite.nl/edusite/
nieuws/11242> (geraadpleegd 6 augustus 2003).

[56]       Strookman, 'Stichting Brein wil speuren naar softwarepiraterij op alle universitaire netwerken', <http://www.edusite.nl/edusite/nieuws/10126> (geraadpleegd 6 augustus 2003); Strookman, 'Twentse softwareboefjes krijgen waarschuwing, <http://www.edusite.nl/edusite/nieuws/10075> (geraadpleegd 6 augustus 2003).

[57]       Bakker, 'Nooit meer een tentamen leren: antwoorden per sms, <http://www.edusite.nl/edusite/nieuws/1485> (geraadpleegd 6 augustus 2003); Van Outeren, 'Studenten spieken met mobieltjes', <http://www.edusite.nl/edusite/
nieuws/11655> (geraadpleegd 6 augustus 2003).

[58]       De Haas, 'Gratis scripties downloaden van internet', <http://www.uvt.nl/univers/nieuws/
0102/29/scriptie.htm> (geraadpleegd 6 augustus 2003).

[59]       NRC Handelsblad, 'Boek over journalistiek uit de handel wegens plagiaat, <http://www.
nrc.nl/W2/Nieuws/1997/08/05/Med.03.html> (geraadpleegd 8 augustus 2003).

[60]       De websites waarop door particulieren danwel door commerciële organisaties -al dan niet tegen betaling- scripties en werkstukken worden aangeboden, worden in de VS 'paper-mills' (papiermolens) genoemd.

[61]       Zoals bijvoorbeeld door Jack Corliss van de Loyola University Chicago wordt gestimuleerd, bron: Folkert, 'Plagiaat kan beperkt worden door betere begeleiding', <http://www.edusite.nl/edutrip2002/verslagen_strategie/11051> (geraadpleegd 2 september 2003).

[62]       Klaver 2003, p. 10.

[63]       Zoals bijvoorbeeld de Universiteit van Tilburg in samenwerking met de Erasmus Universiteit, bron: Oudejans & Van Noortwijk, 'Portfolio's voor scripties en andere zelfwerkzaamheids-projecten in het Juridisch Onderwijs', <http://www.frg.eur.nl/
lia/icto/projecten/rechtenonline/portfolios.pdf> (geraadpleegd 2 september 2003), zie ook paragraaf 4.1.3..

[64]       Zoals bijvoorbeeld de Universiteit Utrecht in haar weekblad, bron: U-blad, <http://ublad.
warande.uu.nl/ubladen/33/09/08Varia.html> (geraadpleegd 2 september 2003).

[65]       Dit is ook de maximale sanctie die op grond van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek bij fraude kan worden opgelegd. Zie ook paragraaf 5.1.4..

[66]       Examenreglement Bacheloropleiding Fiscaal Recht Universiteit Leiden, <http://www.law.leidenuniv.nl/index.php3?c=141> (geraadpleegd 2 september 2003).

[67]       Examenreglement Masteropleiding Rechtsgeleerdheid Erasmus Universiteit Rotterdam, <http://www.frg.eur.nl/onderwijs/pdf/OERmasteropleidingRechtsgeleerdheid2003.pdf> (geraadpleegd 2 september 2003).

[68]       Sommer, 'Toename fraude beperkt zich tot economie, <http://www.observant.
unimaas.nl/jrg19/obs22/art14.htm> (geraadpleegd 2 september 2003).

[69]       Examenreglement 2003-2004 Faculteit Rechtsgeleerdheid Universiteit van Tilburg, <http://www.uvt.nl/faculteiten/frw/onderwijs/meerinfo/reglement0304.pdf> (geraadpleegd 26 augustus 2003).

[70]       Meertens, 'Frauderende student verwijderen van universiteit', <http://www.uvt.nl/
univers/nieuws/0203/09/fraude.html> (geraadpleegd 2 september 2003).

[71]       Vriesendorp 2003, p. 288-290.

[72]       De Mulder & Van Noortwijk, 'Computer ondersteunend nakijken van open vragen', <http://www.surf.nl/download/toetsbundel.pdf> (geraadpleegd 25 augustus 2003); <http://www.andromatics.nl> (geraadpleegd 25 augustus 2003).

[73]       Voor meer informatie over de Nakijkcentrale wordt verwezen naar de site van Edu'Actief <http://www.edu-actief.nl/nakijkcentrale/content/PDF/3.pdf> (geraadpleegd 25 augustus 2003).

[74]       Schaap, 'Leidse rechtenfaculteit schakelt computer in bij nakijken tentamens', <http://www.edusite.nl/edusite/nieuws/11906> (geraadpleegd 2 september 2003).

[75]       Strookman, 'Groninger universiteit wil plagiaat strenger aanpakken', <http://www.edusite.nl/edusite/nieuws/10756> (geraadpleegd 2 september 2003).

[76]       Landelijke Vereniging van Studieadviseurs, 'RUG neemt plagiaatscanner op in examenreglement', <http://www.lvsa.nl/aktueel.html> (geraadpleegd 2 september 2003).

[77]       Arts & Geus, 'Plagiarism Software Evaluation for ELEUM', <http://www.fdewb.
unimaas.nl/eleum/plagiarism/plagiarism.htm> (geraadpleegd 2 september 2003).

[78]       Oudejans & Van Noortwijk, 'Portfolio's voor scripties en andere zelfwerkzaamheids-projecten in het juridisch onderwijs, <http://www.frg.eur.nl/lia/icto/projecten/
rechtenonline/portfolios.pdf> (geraadpleegd 2 september 2003).

[79]       Scripties Online, Universiteit Twente, Erasmus Universiteit Rotterdam, Rijksuniversiteit Groningen, <http://www.surf.nl/projecten/index2.php?oid=124> (geraadpleegd 31 augustus 2003).

[80]       Ruis, 'De geheimen van dr. X', <http://www.e-learning.surf.nl/e-learning/artikelen/774> (geraadpleegd 6 augustus 2003).

[81]       The plagiarism resource site, University of Virginia, <http://plagiarism.phys.
virginia.edu/> (geraadpleegd 3 september 2003).

[82]       Schaap, 'Australisch onderzoek brengt grootschalig internetplagiaat aan het licht', <http://www.edusite.nl/edusite/nieuws/11405> (geraadpleegd 3 september 2003).

[83]       Een zoekopdracht naar 'plagiarism' binnen de site van de Berkeley University of California levert maar liefst 904 resultaten op, plagiaat heeft daar alle aandacht,
<http://www.cs.berkeley.edu/> (geraadpleegd 3 september 2003).

[84]       Rot, 'Electronic plagiarism: Prevention, Deterrence and Detection', <http://www.
edusite.nl/edutrip2002/verslagen_innovatie/11227> (geraadpleegd 31 augustus 2003).

[85]       Homepage Plagiarism.org, <http://www.plagiarism.org/plagiarism_stats.html> (geraadpleegd 3 september 2003).

[86]       Strookman, 'Plagiaat via internet', <http://www.edusite.nl/edusite/specials/10759> (geraadpleegd 3 september 2003).

[87]       Eijffinger, 'Elite universiteit zorgt voor gemotiveerde studenten', <http://www.kub.nl/
univers/nieuws/0203/23/eijffinger.html> (geraadpleegd 3 september 2003).

[88]       Plagiaat, Fakulteit Lettere en Wysbegeerte Universiteit Stellenbosch, <http://www.sun.ac.za/journalism/plagiaat.html> (geraadpleegd 3 september 2003).

[89]       Scriptiebrochure Faculteit Rechtsgeleerdheid Vrije Universiteit Brussel, <http://www.vub.ac.be/RG/REGLEMENTEN/SCRIPTIEBROCHURE%2002-03%20times.pdf> (geraadpleegd 3 september 2003).

[90]       Strookman, 'Amerikaans hoger onderwijs strijdt tegen plagiaat met speciale software', <http://www.edusite.nl/edusite/nieuws/9279> (geraadpleegd 3 september 2003).

[91]       JISC Plagiarism Advisory Service Northumbria University, <http://online.northumbria.
ac.uk/faculties/art/information_studies/Imri/JISCPAS/site/jiscpas.asp> (geraadpleegd 3 september 2003).

[92]       Van Engen, 'Trend: online portfolio's voor studenten', <http://www.edusite.nl/edusite/
nieuws/10118?batchnr=299&batchsize=12> (geraadpleegd 3 september 2003).

[93]       Een aantal universiteiten besteedt hier bewust aandacht aan, zoals bijvoorbeeld de Rijksuniversiteit Groningen <http://odur.let.rug.nl/projects/asv/docenten/
studentschrijvers_begeleiden/plagiaatdoc.htm> (geraadpleegd 3 september 2003). Ook de TU Delft voerde onder het motto "Kopiëren kan je de kop kosten" strijd tegen plagiaat <http://www.library.tudelft.nl/delftspecial/kopieren_tbm.pdf> (geraadpleegd 22 augustus 2003).

[94]       Rot, 'Electronic Plagiarism: Prevention, Deterrence, and Detection, <http://www.edusite.
nl/edutrip2002/verslagen_innovatie/11227> (geraadpleegd 31 augustus 2003).

[95]       Holtkamp, in Univers: 'Internetfraude op KUB onderzocht', <http://www.uvt.nl/univers/
nieuws/0102/27/fraude.html> (geraadpleegd 3 september 2003).

[96]       Siebers, in Univers: 'Internetfraude op KUB onderzocht', <http://www.uvt.nl/univers/
nieuws/0102/27/fraude.html> (geraadpleegd 3 september 2003).

[97]       Folkert, 'Plagiaat kan beperkt worden door betere begeleiding', <http://www.edusite.nl/
edutrip2002/verslagen_strategie/11051> (geraadpleegd 2 september 2003).

[98]       Folkert, 'Plagiaat kan beperkt worden door betere begeleiding', <http://www.edusite.nl/
edutrip2002/verslagen_strategie/11051> (geraadpleegd 2 september 2003).

[99]       De Haas, 'Gratis scripties downloaden van internet', <http://www.uvt.nl/univers/nieuws/
0102/29/scriptie.htm> (geraadpleegd 6 augustus 2003).

[100]     Alberdingk Thijm 2001, p. 10-11.

[101]     Van der Steur 2003, p. 239.

[102]     Voor een nadere uitleg omtrent 'uitputting' wordt verwezen naar Bijlage I, paragraaf 2.4..

[103]     De verbodsactie komt de auteursrechthebbende toe op grond van artikel 1 Aw; het auteursrecht is een 'uitsluitend recht'. Voor een nadere uitleg omtrent het 'uitsluitend recht' van de auteursrechthebbende wordt verwezen naar Bijlage I, paragraaf 2.1..

[104]     Bron: <http://www.auteursrecht.nl> (geraadpleegd 1 september 2003).

[105]     Visser 1996, p. 61-62.

[106]     Rechtbank 's-Gravenhage 9 juni 1999, rolnummer 96/1048 (Scientology Church/XS4all).

[107]     Van Bruggen, Van Dun & De Lange 1998, p. 101-102.

[108]     Hugenholtz, 'Het internet: het auteursrecht voorbij?', <http://www.ivir.publicaties/
hugenholtz/preadvies.doc> (geraadpleegd 23 augustus 2003).

[109]     Zie ook de voorbeelden die Alberdingk Thijm vermeldt in zijn artikel 'Fair use: het auteursrechtelijk evenwicht hersteld', p. 146.

[110]     Zie in dat kader: D.J.G. Visser, 'Naar een multimedia-bestendig auteursrecht', ITeR-reeks nr. 10, Alphen aan den Rijn: Samsom Bedrijfsinformatie 1998.

[111]     HR 20 oktober 1995, NJ 1996, 682 (Dior/Evora).

[112]     Alberdingk Thijm 1998, p. 147.

[113]     Brunt e.a. 1996, p. 40-42.

[114]     Dijkhuis e.a. 1997, p. 114-119.

[115]     Zo gebeurde ook met René Diekstra in 1996, een Leidse hoogleraar psychologie wiens boek 'Je verdriet voorbij' een letterlijke kopie zou zijn van het Engelstalige manuscript 'A teenage guide to suicide' van de Amerikaanse psycholoog Gary McEnery.

[116]     Bron: <http://www.auteursrecht.nl> (geraadpleegd 1 september 2003).

[117]     Wichers Hoeth 2000, p. 376-378.

[118]     Van Lingen 2002, p. 194.

[119]     Bron: <http://www.auteursrecht.nl> (geraadpleegd 1 september 2003).

[120]     Schellekens 1999, p. 24-38. Het voordeel bij internetplagiaat door een student is bijvoorbeeld gelegen in het feit dat de student zonder inspanningen van waarde een scriptie kan produceren.

[121]     Talsma 2003, p. 102-104.

[122]     Vriesendorp 2003, p. 288-290.

[123]     Van Kolfschooten, p. 25

[124]     Talsma 2003, p. 102-104; Vriesendorp 2003, p. 288-290.

[125]     De Roos, Schuijt & Wissink 1996, p. 83-84.

[126]     Bron: <http://wettenbank.sdu.nl/cgi-bin/showlaw/vkey=W0888CCC1/flags=-/pos=3/
session=anonymous@3A2400252160/type=plane/query=2/action=frame/checksum=23e4346fe956a397c62bec4b668be7c8> (geraadpleegd 24 augustus 2003).

[127]     Zie bijvoorbeeld artikel 8 lid 8 het examenreglement 2003-2004 van de faculteit rechtsgeleerdheid van de Universiteit van Tilburg, <http://www.uvt.nl/faculteiten/frw/
onderwijs/meerinfo/reglement0304.pdf> (geraadpleegd 26 augustus 2003).

[128]     Prof.mr. R.D. Vriesendorp is hoogleraar privaatrecht en voorzitter van de examencommissie van de faculteit der rechtsgeleerdheid van de Universiteit van Tilburg

[129]     Vriesendorp 2003, p. 288-290.

[130]     Vriesendorp, in: 'Plagiaat en spieken strafrechtelijk vervolgen', <http://www.uvt.nl/
univers/nieuws/0203/08/fraude.html> (geraadpleegd 3 september 2003).

[131]     Hugenholtz, ' Instituut voor Informatierecht (IVIR) Auteursrecht 2002-2003, Hoorcollege 2', <http://www.ivir.nl/onderwijs/auteursrecht/slides/ANR2002-hoorcollege2.ppt> (geraadpleegd 30 augustus 2003).

[132]     Gotzen 1996, p. 69, 103-108

[133]     In de Nederlandse Auteurswet is het persoonlijkheidsrecht neergelegd in artikel 25.

[134]     'Fair use' is vastgelegd in de Amerikaanse Auteurswet in 17 US Code section 107.

[135]     Voor meer informatie omtrent de internationale conventies wordt verwezen naar Bijlage I, paragraaf 2.

[136]     Van Lingen 2002, p. 205-206.

[137]     Harmonisatierichtlijn, PbEG 22-6-2001, L 167/10, <http://www.ivir.nl/wetten/eu/
auteursrecht-richtlijn.html> (geraadpleegd 27 augustus 2003).

[138]     HR 20 oktober 1995, NJ 1996, 682 (Dior/Evora).

[139]     Zie paragraaf 5.1.1..

[140]     Alberdingk Thijm 1998, p. 147.

[141]     Kamerstukken Tweede Kamer 2001-2002, 28 482, nr. 1, <http://www.justitie.nl/
Images/11_14498.pdf> (geraadpleegd 27 augustus 2003).

[142]     Brunt e.a. 1996, p. 86.

[143]     Artikel 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

[144]     In 1968 werd tussen de EG-lidstaten het EEX-Verdrag gesloten over de rechterlijke bevoegdheid in burgerlijke en handelszaken. Sinds 1 maart 2002 is het EEX-Verdrag omgezet in de EEX-Verordening waarmee deze rechtstreeks toepasselijk is geworden in alle lidstaten.

[145]     Brunt e.a. 1996, p. 96-97.

[146]     Zie voor de vervolging op grond van een onrechtmatige daad in Nederland hetgeen daaromtrent in paragraaf 5.1.2. is opgenomen.

[147]     Een Groenboek is een met regelmaat te verschijnen publicatie van de Europese Commissie, waarin zij haar visie op de toekomst van het auteursrecht geeft. Het Groenboek 'Copyright and Related Rights in the Information Society', COM(95) 382 final, dateert van 19 juli 1995 <http://www.ivir.nl/dossier/auteursrechtrichtlijn/
COM(95)382final.doc> (geraadpleegd 8 september 2003). Op 20 november 1996 is hierop nog een aanvulling gepubliceerd, <http://europa.eu.int/ISPO/infosoc/legreg/
docs/com96586.doc> (geraadpleegd 8 september 2003).

[148]     HR 24 november 1989, NJ 1992, 404 (Focus Veilig/Lincoln Electric).

[149]     Van Bruggen, Van Dun & De Lange 1998, p. 101-102.

[150]     Koelman 1998, p. 204-213.

[151]     Reactie NLIP op vragen van Ministerie van Justitie inzake de implementatie van de richtlijn auteursrecht in de informatiemaatschappij, <http://www.justitie.nl/themas/
wetgeving/dossiers/auteursrecht/integrale_reacties/NLIP_Branchevereniging_van_
Nederlandse_Internetproviders.asp?ComponentID=7308&SourcePageID=7396> (geraadpleegd 5 september 2003).

[152]     Carter 1996, p. 39-49.

[153]     Alberdingk Thijm 1998, p. 148.

[154]     Alberdingk Thijm 1998, p. 149.

[155]     Alberdingk Thijm 1998, p. 146.

[156]     Zie bijvoorbeeld de opmerkingen daaromtrent in de artikelen van Senftleben (Senftleben 2003, p. 10-14) en Alberdingk Thijm (Alberdingk Thijm 1998, p. 145-154).

[157]     Kamerstukken Tweede Kamer 1998-99, 26 538, nr. 1, <http://www.ivir.nl/dossier/
auteursrechtrichtlijn/MvJ-brief_AR-richtlijn.pdf> (geraadpleegd 28 augustus 2003).

[158]     Kamerstukken Tweede Kamer 2001-2002, 28 482, nr. 1, <http://www.justitie.nl/
Images/11_14498.pdf> (geraadpleegd 27 augustus 2003).

[159]     Carter 1996, p. 111-115.

[160]     Gerbrandy 1992, p. 13.

[161]     De Roos, Schuijt & Wissink 1996, p. 116-117.

[162]     Clark 1996, p. 139-145.

[163]     Brunt e.a. 1996, p. 91. Zie ook het Groenboek 'Copyright and Related Rights in the Information Society' van de Europese Commissie waarin diverse ontwikkelingen op dit gebied worden besproken (Part Three Section IX 'Technical systems of protection and identification', p. 79-82), <http://www.ivir/nl/dossier/auteursrechtrichtlijn/
COM(95)382final.doc> (geraadpleegd 8 september 2003).

[164]     Hugenholtz beschrijft een aantal van deze maatregelen in zijn preadvies, 'Het internet: het auteursrecht voorbij?', <http://www.ivir.nl/publicaties/hugenholtz/preadvies.doc> (geraadpleegd 23 augustus 2003).

[165]     Dommering 1994, p. 109-113.

[166]     Bijvoorbeeld: Buma/Stemra voor muziek, Se/NA voor naburige rechten, Burafo voor foto-auteursrechten, Stichting Beeldrecht voor beeldende kunst, Stichting Lira voor literaire werken.

[167]     Bron: <http://www.buma.nl/contract.html> (geraadpleegd 28 augustus 2003).

[168]     Spoor & Verkade 1993, p. 393.

[169]     Softwareprogramma's die dergelijke functies vervullen worden ook wel 'packet sniffers' genoemd. Bron: <http://www.packet-sniffer.co.uk/> (geraadpleegd 24 augustus 2003).

[170]     Het Amerikaanse bedrijf Copyright.net heeft een programma ontwikkeld, Copyright Agent, dat bijvoorbeeld het peer-to-peer netwerk van Napster onderwerpt aan controle op inbreuken op auteursrechtelijk beschermde werken. Bron: Alberdingk Thijm 2001, p. 24-25.

[171]     Kamerstukken Tweede Kamer 2001-2002, 28 482, nr. 1, <http://www.justitie.nl/
Images/11_14498.pdf> (geraadpleegd 27 augustus 2003).

[172]     Harmonisatierichtlijn, PbEG 22-6-2001, L 167/10, <http://www.ivir.nl/wetten/eu/
auteursrecht-richtlijn.html> (geraadpleegd 27 augustus 2003).

[173]     Een aantal van de bedrijven die in deze opsomming wordt genoemd, levert ook andere
-het onderwijs ondersteunende- software. Deze blijft echter in het kader van dit onderzoek onvermeld.

[174]     Bron: <http://www.canexus.com/eve/index.shtml> (geraadpleegd 31 augustus 2003).

[175]     Bron: <http://www.urkund.com/UK/Index.asp> (geraadpleegd 31 augustus 2003).

[176]     Bron: <http://plagiarism.phys.virginia.edu/Wsoftware.html> (geraadpleegd 31 augustus 2003).

[177]     Bron: <http://www.edutie.com> (geraadpleegd 1 september 2003).

[178]     Bron: <http://www.plagiserve.com> (geraadpleegd 1 september 2003).

[179]     Bron: <http://www.turnitin.com>; <http://www.plagiarism.org> (geraadpleegd 1 september 2003).

[180]     Bron: <http://www.plagiarism.tk> (geraadpleegd 1 september 2003).

[181]     Bron: <http://cgi.tue.nl/htdig/tuesearch.html> (geraadpleegd 1 september 2003).

[182]     Bron: <http://www.cs.berkeley.edu/~aiken/moss.html> (geraadpleegd 3 september 2003).

[183]     Bron: <http://www.herts.ac.uk/tli/fund/01-02-barrett.html> (geraadpleegd 1 september 2003).

[184]     Bron: <http://www.andromatics.com> (geraadpleegd 1 september 2003).

[185]     Een uitgebreid onderzoek naar de CODAS-programmatuur heeft aangetoond dat beide modules tot zeer betrouwbare resultaten leiden, de tijdsbesparing bij grote aantallen opdrachten aanzienlijk is en dat de software in breed verband inzetbaar is. Bron: Combrink-Kuiters e.a. 2000, p. 55-58.

[186]     Een uitgebreide vergelijking van plagiaat-detectiesoftware kan bijvoorbeeld worden ingezien op <http://www.fdewb.unimaas.nl/eleum/plagiarism/plagiarism.htm> (geraadpleegd 1 september 2003).

[187]     Combrink-Kuiters e.a. 2000, p. 55-58.

[188]     Statistieken van de Leidse Rechtenfaculteit, die werkt met de Codas-software, hebben aangetoond dat het aantal fraudegevallen daardoor sterk is gedaald. Bron: <http://www.leidenuniv.nl/mare/2003/27/0901.html> (geraadpleegd 31 augustus 2003).

[189]     Voor meer informatie over de CODAS-software wordt verwezen naar het onderzoek van Combrink-Kuiters e.a. 2000 en de website van de makers van de CODAS-software, <http://www.andromatics.com> (geraadpleegd 1 september 2003).

[190]     Wichers Hoeth, p. 1.

[191]     Van Empel & Geerts, p. 1.

[192]     Van Bruggen, Van Dun & De Lange, p. 60.

[193]     Van Empel & Geerts, p. 1-2.

[194]     Van Bruggen, Van Dun & De Lange, p. 61.

[195]     Van Lingen, p. 50.

[196]     Wichers Hoeth, p. 2.

[197]     Van Empel & Geerts, p. 8-12.

[198]     Van Empel & Geerts, p. 53.

[199]     Gielen & Verkade, p. 1.

[200]     Verkoren, p. 13-14.

[201]     Van Lingen, p. 103-105.

[202]     Van Empel & Geerts, p. 41-42.

[203]     Van Lingen, p. 26-27.

[204]     Van Lingen, p. 48-51.

[205]     Van Bruggen, Van Dun & De Lange, p. 63.

[206]     Van Lingen, p. 50.

[207]     Van der Steur, p. 253-254.

[208]     Van Empel & Geerts, p. 66.

[209]     Van Empel & Geerts, p. 68.

[210]     HR 25 januari 1952, NJ 1952, 95 (Leesportefeuille).

[211]     HR 20 november 1987, NJ 1988, 280 (STEMRA/Free Record Shop).

[212]     Wichers Hoeth, p. 331-332.

[213]     Gielen & Verkade, p. 20-21.

[214]     HR 11 december 1981, NJ 1982, 286 (Spaanse tegels).

[215]     HR 5 januari 1979, NJ 1979, 339 (Heertje/Hollebrand).

[216]     Van Lingen, p. 117.

[217]     HR 20 oktober 1995, NJ 1996, 682 (Dior/Evora).

[218]     Wichers Hoeth, p. 3.